Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2001:AB2370

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-06-2001
Datum publicatie
06-07-2001
Zaaknummer
126900/ FA RK 01-1058
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Utrecht

BESCHIKKING

van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. A.J.M.J. Werners,

- t e g e n -

[de vader],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. P.J.R.M. Kallen.

1. Verloop van de procedure

De moeder heeft op 22 februari 2001 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend dat strekt tot wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 20 december 1995.

Het verzoek van de moeder strekt - kort samengevat - tot:

- bepaling dat de ouders alsnog gezamenlijk worden belast met het gezag over de hierna te noemen minderjarigen;

- betaling door de vader van ƒ 250,-- per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen;

De vader heeft op 20 maart 2001 een verweerschrift ingediend.

De moeder heeft voorts nog stukken overgelegd met betrekking tot haar financiële situatie.

De minderjarige [zoon] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 6 april 2001.

Nadien zijn partijen in de gelegenheid gesteld tot onderling overleg over een bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter].

Blijkens een schrijven van mr. Werners van 18 mei 2001 heeft dit overleg niet tot overeenstemming geleid.

Mr. Kallen heeft op 11 juni 2001 desgevraagd de griffier telefonisch laten weten geen behoefte te hebben nader stukken over te leggen.

2. Vaststaande feiten

- Het huwelijk van partijen is door echtscheiding ontbonden.

- Uit hun huwelijk zijn geboren:

[de zoon], op [datum] 1984 te [geboorteplaats], en

[ de dochter], op [datum] 1989 te [geboorteplaats]

- Bij de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 20 december 1995 is de moeder alleen belast met het ouderlijk gezag over [de dochter], en is de vader alleen belast met het ouderlijk gezag over [de zoon].

Bij deze beschikking is tevens bepaald dat de vader voor [de dochter] aan de moeder, en de moeder voor [de zoon] aan de vader, moet betalen het bedrag van iedere uitkering die hem/haar op grond van geldende wetten en/of regelingen ten behoeve van de betreffende minderjarige kan of zal worden verstrekt.

3. Beoordeling van het verzochte

met betrekking tot het gezag

De moeder heeft verzocht partijen alsnog gezamenlijk met het ouderlijk gezag te belasten. De vader heeft ter terechtzitting een gelijkluidend verzoek gedaan, zodat gezegd kan worden dat het verzoek van beide ouders afkomstig is.

Gebleken is dat [de zoon] sinds begin oktober 2000 bij de moeder woont. Uit zijn door de moeder overgelegde schriftelijke verklaring blijkt dat hij bij haar wil blijven wonen.

Ten aanzien van [de zoon] is derhalve sprake van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 253o, eerste lid BW die grond geeft voor wijziging van de beschikking. Ten aanzien van [de dochter] acht de rechtbank het feit dat [de zoon] bij haar en de moeder is komen wonen en dat de ouders voortaan samen met het gezag over [de zoon] belast zullen zijn voldoende grond om ook ten aanzien van haar een wijziging van omstandigheden aannemelijk te maken, zodat ook ten aanzien van haar het verzoek kan worden toegewezen.

Nu partijen het eens zijn en de gezagswijziging in het belang van de minderjarigen geacht moet worden zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.

met betrekking tot de alimentatie

De moeder heeft verzocht de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen te stellen op ƒ 250,-- per kind per maand. Ter terechtzitting heeft zij haar verzoek met betrekking tot [de zoon] ingetrokken, zodat de rechtbank daaromtrent geen beslissing meer behoeft te geven, en haar verzoek met betrekking tot [de dochter] verhoogd tot ƒ 263,--.

De vader heeft hiertegen verweer gevoerd en gesteld dat zijn draagkracht een bijdrage hoger dan (in totaal) ƒ 100,-- per maand niet toelaat.

Bij de beoordeling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van de overgelegde stukken en van het onderzoek ter terechtzitting. Daaruit is het volgende gebleken.

De vader is geboren op [datum] 1959. Hij is thans alleenstaand, doch hij is voornemens te gaan samenwonen. Hij heeft niets gesteld met betrekking tot (de financiële omstandigheden van) zijn partner, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat deze in eigen levensonderhoud kan voorzien.

De vader is in loondienst werkzaam. Blijkens zijn jaaropgaaf heeft zijn salaris over het jaar 2000 ƒ 45.593,-- bedragen.

Hij heeft gesteld ƒ 500,-- per maand te betalen aan hypotheekrente en ƒ 137,-- per maand als premie voor een aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering.

Hij heeft gesteld ƒ 582,60 per maand te betalen aan rente en aflossing op een schuld van ƒ 50.000,-- aan zijn ouders.

Voorts heeft hij gesteld af te lossen op een belastingschuld van ƒ 122.005,--. Hij heeft met betrekking tot deze belastingschuld een proces-verbaal van beslag op roerende zaken overgelegd, gedateerd 2 oktober 2000.

De moeder heeft noch de inkomensgegevens, noch de woonlasten van de vader betwist. Zij heeft evenwel bij gebrek aan wetenschap de beide opgevoerde schulden betwist. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Met betrekking tot de schuld aan zijn ouders heeft de vader gesteld dat hij deze is aangegaan om schulden te kunnen afbetalen. Hij heeft echter verder niets gesteld met betrekking tot de grootte of de herkomst van deze schulden en hij heeft niets overgelegd dan een schuldbekentenis, gedateerd januari 2001.

Met betrekking tot de belastingschuld heeft hij niet aangegeven hoe deze is ontstaan, hoe groot deze thans is en welke termijnen hij deze afbetaalt; hij heeft ook niet aangetoond dat hij hierop afbetaalt.

De vader heeft ook niets gesteld en geen nadere stukken overgelegd met betrekking tot zijn faillissement of tot een eventuele relatie van één van deze schulden tot zijn faillissement.

De rechtbank overweegt dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van deze bijzondere lasten in beginsel bij de vader liggen, en dat de vader geen bijzondere redenen heeft aangevoerd waarom dat op dit punt anders zou zijn. Het had derhalve, gelet op de betwisting van die lasten door de moeder, op zijn weg gelegen om op eigen initiatief nadere gegevens hieromtrent te verstrekken en stukken over te leggen.

Nu de vader dit heeft nagelaten, en nu zijn procureur heeft verklaard geen behoefte te hebben nader stukken over te leggen, zal de rechtbank deze lasten derhalve, als onvoldoende aangetoond of aannemelijk gemaakt, buiten beschouwing laten.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een maandelijkse bijdrage van ƒ 263,-- per maand ten behoeve van zijn minderjarige dochter de draagkracht van de vader niet te boven gaat.

4. Beslissing

De rechtbank wijzigt de beschikking het vonnis van deze rechtbank van 20 december 1995.

De rechtbank bepaalt dat de ouders gezamenlijk belast worden met de uitoefening van het ouderlijk gezag over de minderjarigen [de zoon] en [de dochter].

De vader moet met ingang van heden als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [dochter] aan de moeder uitkeren ƒ 263,-- (tweehonderddrieënzestig gulden) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Wanneer de vader niet vrijwillig de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige aan de moeder betaalt, moet de vader de daarvoor te maken executiekosten betalen.

Deze beslissing is tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

De beschikking van 20 december 1995 blijft voor het overige gehandhaafd.

De partijen moeten hun eigen proceskosten betalen.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.E. Olthuis, kinderrechter, in tegenwoordigheid van N.I. Ganzevoort, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2001.

w.g. griffier w.g. rechter