Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2001:AB2089

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-06-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
16/022020-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer 16/022020-00

Tegenspraak Verkort vonnis

Raadsman: mr. E.H. Terheggen te Utrecht

G/T: Ja

V O N N I S

van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

VERDACHTE

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 31 oktober 2000, 12 december 2000 en

30 mei 2001.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

2. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman van verdachte heeft gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in haar vervolging, nu zij een door haarzelf opgemaakt proces-verbaal van waarneming heeft gebezigd als bewijs tegen verdachte.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Naar haar oordeel is er in het algemeen geen sprake van enig wettelijk beletsel voor deze handelwijze van de officier van justitie.

Voorts is uit het onderzoek niet gebleken van enige omstandigheid waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het vermelde proces-verbaal niet als bewijsmiddel tegen verdachte zou mogen worden ingebracht.

3. De bewijsbeslissing

3.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd.

De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft onder meer aangevoerd dat het onder 2. primair en subsidiair tenlastegelegde niet bewezen kan worden, omdat de kans op besmetting met HIV zo gering is geweest dat niet van poging tot doodslag of poging tot zware mishandeling kan worden gesproken. Doordat deze kans - gelet op de achtereenvolgende statistische kansen van overdracht van HIV en het alsdan verkrijgen van de ziekte AIDS - zo gering is, zou geen sprake zijn van een aanmerkelijke kans in de zin van voorwaardelijk opzet.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

De aanmerkelijke kans van het voorwaardelijk opzet wordt niet bepaald door een mathematische c.q. statistische kansberekening, maar betreft een juridisch normatief begrip. De aanmerkelijke kans wordt immers bepaald aan de hand van de psychische gesteldheid van de dader, hetgeen mede zijn uiting vindt in de door de dader gekozen handelwijze. De mate van zekerheid van het intreden van een dergelijk gevolg is voor de dader bij deze intrinsieke keuze niet beslissend. Waar het bij het bepalen van de aanmerkelijke kans om gaat, is dat bij de dader besef aanwezig is van de mogelijke gevolgen van zijn handelen en dat hij desondanks de door hem gekozen handeling uitvoert.

Daarbij is het volgende van belang. De verdachte wist dat hij besmet was met HIV en dat hij HIV door sexueel contact kon overdragen. Uit hetgeen door het slachtoffer tijdens het studioverhoor is verteld, leidt de rechtbank af dat niet sprake is geweest van risicoloos of beschermd sexueel contact tussen verdachte en het slachtoffer. Naar de huidige stand van de medische wetenschap is de kans dat iemand sterft ten gevolge van besmetting met HIV niet zodanig afgenomen dat het risico verwaarloosbaar moet worden geacht. De verdachte heeft derhalve bij het sexueel binnendringen in de mond van het slachtoffer beseft wat de gevolgen van zijn handelingen konden zijn en heeft niettemin de mogelijkheid van besmetting van het slachtoffer met HIV als gevolg van zijn ontuchtige handelingen aanvaard, inclusief het gegeven dat het slachtoffer uiteindelijk vanwege de gevolgen van HIV-besmetting zou kunnen komen te overlijden.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1. primair bewezenverklaarde:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan of mede bestaan uit het sexueel binnendringen van het lichaam;

Ten aanzien van het onder 2. primair bewezenverklaarde:

Poging tot doodslag.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

- de hoogst ernstige aard van het bewezenverklaarde.

Verdachte heeft met het slachtoffer A, een meisje van als toen 5 jaar oud, sexuele handelingen gepleegd door zijn penis door haar te laten aanraken, haar aan zijn penis te laten likken en door zijn penis in haar mond te brengen.

Verdachte wist dat hij alstoen was besmet met het door onder andere onbeschermd sexueel contact overdraagbare HIV, welk virus - bij besmetting - uiteindelijk de ongeneeslijke, tot de dood leidende, ziekte AIDS kan veroorzaken. Verdachte heeft desondanks willens en wetens gehandeld zoals hij deed. Verdachte heeft voorts een grove inbreuk gepleegd op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft ernstig misbruik gemaakt van het lichamelijke en geestelijke overwicht dat hij op het slachtoffer had.

- Feiten als de bewezenverklaarde veroorzaken ernstige, traumatische gevolgen bij de slachtoffers en hun directe omgeving, die - ook al raken de slachtoffers niet besmet, zoals in deze ook niet is gebeurd - hen mogelijk hun leven lang zullen blijven achtervolgen.

Het handelen van verdachte heeft voorts geleid tot ernstige gevoelens van angst en zorg bij de familie van het slachtoffer.

Ook leiden dit soort feiten tot ernstige gevoelens van angst en van onveiligheid in de maatschappij.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 29 juli 2000, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen wegens zedendelicten is veroordeeld, te weten in 1992 wegens het plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van 16 jaren en schennis van de eerbaarheid in het openbaar tot een gevangenisstraf voor de tijd van 2 jaar en 6 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk en in 1995 wegens feitelijke aanranding van de eerbaarheid tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 weken voorwaardelijk;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Stichting Reclassering Nederland, unit Utrecht, d.d. 17 oktober 2000, opgemaakt door mevrouw B. Keuning, reclasseringswerkster;

- een rapport betreffende de geestvermogens van verdachte d.d. 24 september 2000, opgemaakt door G.W.C. van den Berg, psychiater te Utrecht;

- een rapport betreffende de geestvermogens van verdachte d.d. 25 september 2000, opgemaakt door Drs. F.C.P. Zuidhof, psycholoog te Breda;

- een multidisciplinair rapport betreffende de geestvermogens van verdachte d.d. 21 mei 2001, opgemaakt door J.H. van Renesse, psychiater en J.M. Oudejans, psycholoog bij het Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht.

Dit rapport houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in:

als conclusie:

Onderzochte was ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten niet lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis zijner geestvermogens, zodat deze feiten - indien bewezen - hem volledig kunnen worden toegerekend.

De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij B, wettelijk vertegenwoordiger van het slachtoffer A, heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden immateriële schade, zulks bij wege van voorschot.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde strafbare feiten, derhalve door de handelingen van verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van fl. 3000,--, kan de vordering worden toegewezen.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de strafbare feiten is toegebracht.

Voor het overige zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, met bepaling dat deze slechts bij de civiele rechter kan worden aangebracht.

7. De toepasselijke wettelijke voorschriften

Behoudens op de reeds aangehaalde artikelen is de op te leggen straf gegrond op de artikelen 45, 57, 244 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

8. DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde feiten, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de tijd

van V I E R J A R E N.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij B,

wettelijk vertegenwoordiger van het slachtoffer A, toe.

Veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan deze benadeelde partij, wonende te C, te betalen fl. 3000,-- (zegge drie duizend gulden).

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van B voornoemd te betalen fl. 3000,-- (zegge drie duizend gulden) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 40 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van

fl. 3000,-- ten behoeve van B voornoemd, daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij een bedrag van fl. 3000,-- te betalen komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien verdachte aan de benadeelde partij een bedrag van fl. 3000,-- heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van fl. 3000,-- ten behoeve van B voornoemd komt te vervallen).

Verklaart de benadeelde partij in zijn vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze vordering slechts bij de civiele rechter kan worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mrs. H.W. Koksma, H.A. Gerritse en N.J. van Weelden-de Ruijter, bijgestaan door F.P.L. van der Lee, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van

13 juni 2001.

Mr. Van Weelden-de Ruijter voornoemd is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.