Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2001:AB2065

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-06-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
16/200066-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 16/200066-01

Datum uitspraak : 12 juni 2001

Tegenspraak

Raadsman: mr. Th.U. Hiddema

G/T: Nee

V O N N I S

van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

verdachte,

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 mei 2001.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Op vordering van de officier van justitie is wijziging van het ten laste gelegde feit ter terechtzitting toegestaan. Van de dagvaarding en van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

2. De geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft primair aangevoerd dat de dagvaarding nietig verklaard dient te worden, omdat deze innerlijk tegenstrijdig is. Aan de verdachte is immers tenlaste gelegd dat zij in de periode van 16 februari 1995 tot en met 31 mei 1998 zich meermalen heeft schuldig gemaakt aan oplichting. De uitwerking van enkele oplichtingshandelingen, te weten die onder de eerste drie gedachtenstreepjes, spreekt echter over feiten die zouden zijn gepleegd in januari en april 1993 en in december 1994.

Op dezelfde gronden heeft de raadsman subsidiair verzocht de dagvaarding partieel nietig te verklaren.

De rechtbank zal de dagvaarding partieel nietig verklaren en wel ten aanzien van dat deel dat staat vermeld bij de eerste drie gedachtenstreepjes. Terecht heeft de raadsman aangevoerd dat de daar vermelde handelingen zich niet hebben afgespeeld binnen de periode van 16 februari 1995 tot en met 01 mei 1998 als vermeld in de eerste twee regels van de dagvaarding. De dagvaarding is in zoverre innerlijk tegenstrijdig. Voor het overige acht de rechtbank de dagvaarding begrijpelijk. De verdachte heeft er bovendien in voldoende mate blijk van gegeven te begrijpen welk verwijt haar wordt gemaakt. De rechtbank verwerpt derhalve het primaire verweer.

3. De bewijsbeslissing

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd. De aangever is -naar het oordeel van de rechtbank- niet door valse mededelingen van de verdachte als opgesomd in de tenlastelegging ("dat zij van hem hield" tot en met "behoefte had aan financiële zekerheid") en dan met name een valse mededeling over het aangaan van een huwelijk misleid en tot de in de tenlastelegging vermelde handelingen gebracht.

De verdachte moet derhalve worden vrijgesproken.

4. DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart de dagvaarding partieel nietig ten aanzien van de tekst bij de eerste drie gedachtenstreepjes.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door:

mrs. M.J. Smit, J.R. Krol en N.J. van Weelden-de Ruijter, bijgestaan door mr. M.J. Ouweneel als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 juni 2001.

Mr. N.J. van Weelden-de Ruijter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.