Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2001:AB1968

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
31-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
16/130630-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Tegenspraak Verkort vonnis

Raadsman: mr. J.J. Weldam

G/T: Ja

V O N N I S

van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte.]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 mei 2001.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

2. De bewezenverklaring

De raadsman heeft ter terechtzitting -samengevat- gesteld dat de video-opnamen die van [medeverdachte] gemaakt zijn bij een pinautomaat (p. 95 van proces-verbaal PL0913-00-007093) dienen uitgesloten te worden van het bewijs om de reden dat deze onrechtmatig zijn verkregen nu de camera niet voor opsporingsdoeleinden bij de pinautomaat is geplaatst. Het gebruik van het met de camera vervaardigde materiaal levert strijd op met artikel 10 van de Grondwet (GW), artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 11 van de Wet persoonsregistratie (WPR). Aangezien de voornoemde opnamen de onderhavige strafzaak aan het rollen heeft gebracht moet naar het oordeel van de raadsman al het overige bewijs, als vrucht van dit onrechtmatig verkregen bewijs, als bewijs te worden uitgesloten hetgeen dient te leiden tot vrijspraak dan wel strafvermindering ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv.).

Nu de voornoemde video-opnamen zijn gemaakt van [medeverdachte] en niet van verdachte kan niet worden gesteld dat er sprake is van schending van de privacy van verdachte. Verdachte is niet getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen.

Het verweer van de raadsman kan derhalve reeds om deze reden worden verworpen.

De rechtbank overweegt voorts als volgt.

Reeds gegeven het openbare en in beginsel voor ieder zichtbare karakter van de met de camera geregistreerde (pin)handelingen is die registratie op zichzelf naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer aan te merken als een in artikel 8 EVRM en artikel 10 GW verboden inbreuk op de privacy.

Dit oordeel wordt niet anders nu, in het onderhavige geval, de video-opnamen ten behoeve van het onderzoek zijn afgestaan aan de politie. Zo al, in verband met dit afstaan en het gebruik door de politie, gesproken moet worden van een schending van privacy, is die, gelet op het eerder overwogene, als beperkt aan te merken. Gegeven de wettelijke basis voor het overheidsoptreden, te weten artikel 141 Sv., en de verdenking van een ernstig strafbaar feit, is naar het oordeel van de rechtbank ruimschoots voldaan aan de eisen van artikel 8, tweede lid, EVRM.

De toetsing aan artikel 11, tweede lid WPR, kan, nu daarin een zelfde materiële afweging besloten ligt, niet tot een ander resultaat leiden. Overigens acht de rechtbank het maken van video-opnamen als hier aan de orde niet zonder meer te brengen onder opnemen in een persoonsregistratie als bedoeld in de WPR.

Uit het vorenstaande volgt dat het bovenaangeduide verweer moet worden verworpen. Dit betekent dat toepassing van artikel 359a Sv. achterwege zal blijven.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

3. Het bewijs

P.M.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Diefstal vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van het onder 2. bewezenverklaarde:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

en

diefstal, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van het onder 3. bewezenverklaarde:

Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

en

Diefstal vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van het onder 4. bewezenverklaarde:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

5. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

- Verdachte heeft zich tezamen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan afpersing en diefstal met geweld. Verdachte is tezamen met zijn mededaders ’s-nachts een hotel binnengegaan en heeft daar de slachtoffers op hardhandige en buitensporige wijze geld en andere goederen afhandig gemaakt door hen onder andere te boeien en gebruik te maken van vuurwapens. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verdachte de meest agressieve rol in het geheel heeft gespeeld.

- Verdachte heeft zich voorts tezamen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een beroving in een woning waarbij eveneens wapens zijn gebruikt. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat verdachte en zijn mededaders de woning van de slachtoffers

(een oudere vrouw en oudere man) hebben betreden en de slachtoffers gewelddadig hebben overrompeld en bedreigd.

Verdachte en zijn mededaders hebben het vrouwelijke slachtoffer onder andere gekneveld en door de woning gedragen teneinde de slachtoffers van hun geld te bestelen. Verdachte heeft door zijn handelen de slachtoffers pijn toegebracht en veel schrik en angst aangejaagd in hun eigen woning.

- Verdachte en zijn mededaders hebben de slachtoffers op een niemand ontziende wijze overvallen en hebben hierbij het gebruik van geweld niet geschuwd. De slachtoffer hebben doodsangsten moeten uitstaan ten tijde van de bewezenverklaarde feiten en zijn de dupe geworden van de geldzucht van verdachte en zijn mededaders.

- Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke misdrijven daarvan nog lang hinder kunnen ondervinden in de vorm van psychische klachten. Verdachte heeft zich hiervan echter geen enkele rekenschap gegeven.

Ernstige geweldsmisdrijven als de onderhavige doen gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving toenemen.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 22 december 2000, waaruit blijkt dat de verdachte nog niet eerder is veroordeeld;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Stichting Reclassering Nederland, unit Utrecht, d.d. 14 mei 2001, opgemaakt door M. Bouchoms, reclasseringswerkster.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partijen

[De benadeelde partij 1] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten bedrage van ƒ 1652,87.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit, derhalve door de handelingen van verdachte en zijn mededaders, rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van ¦ 1652,87, kan de vordering worden toegewezen.

De verdachte is niet tot betaling gehouden voor zover het toegewezen bedrag reeds door zijn mededaders is voldaan.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte en zijn mededaders jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk zijn voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

[De benadeelde partij 2] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden immateriële schade ten bedrage van ƒ 6000,- ten gevolge van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten.

De vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Daarom zal de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

7. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 24c, 36f, 57, 310, 311, 312, en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

8. DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de tijd van 5 (VIJF) jaren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van [de benadeelde partij 1] toe.

Veroordeelt de verdachte - samen met zijn mededaders of, wanneer die mededaders niet betalen, alleen - tegen kwijting aan deze benadeelde partij, gevestigd te [], te betalen

¦ 1652,87 (zegge EEN DUIZEND ZES HONDERD EN TWEE EN VIJFTIG GULDEN EN ZEVEN EN TACHTIG CENTEN).

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van [het slachtoffer] te betalen ¦ 1652,87 (zegge EEN DUIZEND ZES HONDERD EN TWEE EN VIJFTIG GULDEN EN ZEVEN EN TACHTIG CENTEN)bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien de verdachte of zijn mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van ¦ 1652,87 ten behoeve van [het slachtoffer], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij een bedrag van ¦ 1652,87 te betalen komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien verdachte of zijn mededaders - aan de benadeelde partij een bedrag van ¦ 1652,87 hebben betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van ¦ 1652,87 ten behoeve van het slachtoffer komt te vervallen).

Verklaart [de benadeelde partij 2] niet ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door:

mrs. C. Slothouber, J. Goudswaard en H.R. Bax, rechters, bijgestaan door mr. S. Withfield als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 mei 2001.