Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2001:AB1790

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
16/038274-97
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Parketnummer : 16/038274-97 Verkort vonnis

Datum uitspraak : 23 mei 2001

Tegenspraak

Raadsman: mr. C.J. van Bavel (gemachtigd)

G/T: Nee

V O N N I S

van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 mei 2001.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in bijlage I bij dit vonnis is weergegeven. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

2. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard op grond van de volgende -kort weergegeven- onregelmatigheden en onrechtmatigheden.

A. In het vooronderzoek is onzorgvuldig omgegaan met de status van verdachte.

Naar de opvatting van de raadsman dient de omstandigheid dat verdachte reeds in een eerder stadium werd beschouwd als in elk geval betrokken bij de criminele organisatie die zich bezig hield met de productie en afzet van XTC en als zodanig object van onderzoek zou zijn geweest, te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, nu er in die fase geen redelijk vermoeden van schuld aan welk strafbaar feit ook aanwezig was.

Met name zou die betrokkenheid zijn verduidelijkt door de vermelding van de naam van de verdachte in een lijst van verdachten, opgenomen in het proces-verbaal van verhoor van X, gedateerd 3 juli 1997.

Alhoewel de betreffende vermelding nadien als foutief is erkend, zou hier - aldus de raadsman - de verdachte Y de gelegenheid hebben gekregen om de aandacht van zichzelf als mogelijke organisator van de criminele organisatie te verleggen naar de verdachte, waarnaar toch al de aandacht van politie en justitie uitging, waardoor deze in zijn belangen zou kunnen zijn geschaad.

Aldus zou een onzorgvuldig omgaan met de status van verdachte in het voortraject van het onderzoek de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de weg staan, daar in dat geval met name de integriteit van het strafproces in het geding zou zijn.

B. Het college van procureurs-generaal heeft geen voorafgaande toestemming verleend om verdachte aan te merken als verdachte, zoals volgens de toen geldende interne richtlijnen van het OM was vereist.

C. Er is vertrouwelijke informatie naar de pers gelekt, waarvoor het OM de volledige verantwoordelijkheid draagt.

D. De officier van justitie heeft het procesrecht misbruikt en onzorgvuldig gehandeld, door te weigeren een Amsterdamse zaak tegen verdachte te voegen bij de onderhavige zaak.

De rechtbank overweegt omtrent het gevoerde verweer het volgende.

A. Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte op goede gronden als verdachte in het zgn. Dekmantelonderzoek aangemerkt. Er is geen sprake van onduidelijkheid omtrent zijn status in de loop van het zgn. Dekmantelonderzoek. Er is in onvoldoende mate aannemelijk geworden dat de verklaring van de zijde van het Openbaar Ministerie, inhoudende dat op of kort na 20 augustus 1997 verdachte als verdachte werd aangemerkt en voordien als getuige werd beschouwd, onjuist zou zijn.

Niet is gebleken van toepassing van dwangmiddelen gedurende de fase voorafgaande aan 20 augustus 1997 en evenmin van ongeoorloofde opsporingsmethoden, welke mogelijk zouden kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Er bestaat onvoldoende feitelijke grondslag voor de veronderstelling van de raadsman dat de onjuiste en nadien gecorrigeerde vermelding van de naam van de verdachte bij gelegenheid van het verhoor van X bewust zou zijn gearrangeerd teneinde grotere bekendheid te geven aan het vermoeden dat verdachte zich zou hebben schuldig gemaakt aan het lidmaatschap van een criminele organisatie.

Tenslotte merkt de rechtbank op dat de vraag die zijdens de raadsman wordt opgeworpen betreffende het zonder nader onderzoek vertrouwen op de juistheid van de voor verdachte belastende verklaring van Y, waardoor verdachte op te lichtvaardige wijze als verdachte is aangemerkt, de rechtbank slechts ter marginale toetsing voorligt. De beoordelingsmarge van de redelijkheid van het vermoeden van een strafbaar feit en leidend tot verlening van de status van verdachte is, naar algemeen in rechtspraak en literatuur wordt aangenomen, slechts gering en in dit geval niet zodanig buiten de redelijkheid dat op die grond tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zou moeten worden geoordeeld.

B. De door de raadsman bedoelde richtlijn betreft, zoals hij zelf ook heeft aangegeven, een interne instructie binnen het Openbaar Ministerie. De rechtbank is hieraan in beginsel niet gebonden. Door publicatie kunnen richtlijnen ten opzichte van belanghebbenden recht in de zin van artikel 99 Wet op de rechterlijke organisatie worden indien deze qua inhoud en strekking daartoe lenen. Gelet op de aard en strekking van de onderhavige richtlijn doet deze situatie zich in deze niet voor. Zo het Openbaar Ministerie al gehandeld zou hebben in strijd met de onderhavige richtlijn - hetgeen in casu niet aannemelijk is geworden - dan nog leidt zulks, gelet op het hiervoor gestelde, niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

C. Vooropgesteld moet worden, dat in z'n algemeenheid van alle aan het strafproces deelnemende partijen mag worden verwacht, dat men bij het verstrekken van informatie aan de media behoedzaam zal omgaan, teneinde te voorkomen, dat mensen onnodig worden beschadigd danwel dat indien een zaak nog onder de rechter is een objectieve behandeling van de strafzaak in gevaar komt. De omstandigheid dat vertrouwelijke informatie naar de pers zou zijn gelekt als door de raadsman gesteld, kan in casu niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, nu niet aannemelijk is geworden dat voornoemd lekken is gebeurd door onzorgvuldig handelen zijdens het Openbaar Ministerie of een onder haar verantwoordelijkheid vallende dienst.

D. De omstandigheid dat de officier van justitie een andere -in Amsterdam lopende- zaak niet voegt met de onderhavige zaak, leidt niet tot haar niet-ontvankelijkheid. Zeker niet, nu in het arrondissement Utrecht geen vervolging is aangevangen in de andere "Amsterdamse zaak".

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman, nu het door hem gestelde noch op zichzelf noch in onderling verband en samenhang bezien leid t tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Ook overigens acht de rechtbank het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging.

1. Verzoek tot aanhouding

De raadsman van verdachte heeft verzocht nog nader onderzoek te verrichten, waardoor -zo begrijpt de rechtbank- de behandeling van de zaak na heropening van het onderzoek dient te worden aangehouden.

De raadsman heeft verzocht de interne richtlijn van het OM te doen overleggen, drie getuigen opnieuw te horen, alsmede de officier van justitie en de voormalige behandelend officier van justitie als getuige te horen.

De rechtbank is, gelet op het onderwerp waarover de raadsman de getuigen wil horen en met inachtneming van het hiervoor onder 2 overwogene, niet de noodzakelijkheid gebleken van het horen van de door de raadsman opgegeven getuigen noch van de overlegging van bedoelde richtlijn.

De rechtbank zal derhalve het verzoek tot aanhouding van de zaak afwijzen.

2. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

3. De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Medeplegen van oplichting.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

4. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

5. Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

- Verdachte heeft een vals arbeidscontract laten opmaken, waarin stond dat een zekere Z bij het advocatenkantoor van verdachte werkzaam was. In werkelijkheid was deze Z geen werknemer maar een cliënt van het kantoor. Met dit valse contract en een vals opgemaakt loonstrookje heeft deze Z een verblijfsvergunning bij de vreemdelingendienst aangevraagd en gekregen.

Verdachte en Z hebben samen besproken hoe aan een verblijfsvergunning te komen en op voorstel van verdachte is deze constructie bedacht.

- Verdachte is advocaat en heeft als zodanig gehandeld. Hij heeft niet alleen misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de maatschappij in het algemeen in advocaten mag stellen, maar ook in het bijzonder van de vreemdelingendienst, waarmee verdachte of zijn kantoor vaker zaken mee doet.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat verdachte eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld.

De officier van justitie heeft, naast een taakstraf, gevorderd de verdachte 2 jaar uit de uitoefening van zijn beroep van advocaat en procureur te ontzetten.

Daargelaten de vraag of deze combinatie, gelet op de daartoe geldende wetsartikelen, mogelijk is overweegt de rechtbank hieromtrent het volgende.

Hoewel het evident is dat verdachte zijn beroepsgroep in diskrediet bracht, acht de rechtbank ontzetting uit de uitoefening van zijn beroep voor de duur van 2 jaren een te zware straf. Aangezien een dergelijke straf voor minimaal 2 jaren moet worden opgelegd acht de rechtbank - rekening houdend met de ernst van de feiten, het tijdsverloop en dat niet is gebleken van recidive - de gevolgen van zo'n lange straf te groot.

Met de omstandigheid dat de zaak al veel in de publiciteit is geweest en misschien nog zal komen heeft de rechtbank geen rekening gehouden, omdat van verdachte, gelet op zijn positie, kan en mag worden verlangd, dat hij zich bij zijn doen en laten de kwetsbaarheid van zijn positie realiseert.

Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet duidelijk is geworden onder welke omstandigheden of met welke beweegredenen verdachte heeft gehandeld, zodat daarom, behalve een taakstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd, teneinde te voorkomen dat verdachte zich opnieuw zal schuldig maken aan het plegen van soortgelijke strafbare feiten.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden, waarbij de rechtbank er rekening mee heeft gehouden, zoals ook ter terechtzitting naar voren is gekomen, dat er nog tuchtrechtelijke maatregelen zullen volgen.

6. De toepasselijke wettelijke voorschriften

Behoudens op de reeds aangehaalde artikelen zijn de op te leggen straffen gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

7. DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Wijst af het verzoek tot aanhouding van de zaak.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de tijd van 2 MAANDEN.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:

een werkstraf voor de duur van 180 uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 90 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis voor de eerste 60 dagen van de inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis en voor de overige dagen naar een maatstaf van 1 uur per dag in voorlopige hechtenis.

Heft het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door:

mrs. R.J.G. Lameijer, W. v.d. Berg en E.J.M. Walstock-Krens, bijgestaan door

S.L.M. Schatz als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 mei 2001.

BIJLAGE II

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 1994 tot en met 23 juni 1995 te

Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met

een ander, of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een)

ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam

en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige

kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (een of meer

medewerker(s) van) de Vreemdelingendienst van de Politieregio Utrecht heeft

bewogen tot de afgifte van een E-document (E verblijfskaart EEG/EER) (nr.

E00962216), zijnde een verblijfsvergunning voor een onderdaan van een lidstaat

van de EEG, in elk geval van enig goed,

hebbende verdachte en/of (een van) zijn medededader(s) met vorenomschreven

oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of

bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

opgemaakt althans laten opmaken

- twee, althans een arbeidsovereenkomst(en) (gedateerd op 2 januari 1995)

tussen [het kantoor] en (een van) verdachtes

mededader(s) (te weten Z),

welke overeenkomst(en) in strijd met de waarheid inhield(en) (zakelijk

weergegeven) dat genoemde Z met ingang van 2 januari 1995 voor de duur

van zes maanden dan wel voor onbepaalde tijd als schoonmaker in dienst was

getreden bij het advocatenkantoor van verdachte tegen betaling van een netto

salaris van fl 1200,- per maand

en/of

- een loonafrekening op naam van Z, op welke loonafrekening in strijd

met de waarheid (zakelijk weergegeven) stond vermeld de betaling van fl

1200,- aan genoemde Z (voor diens werkzaamheden gedurende 117,02 uur als schoonmaker) door zijn werkgever [het kantoor] op 24 mei 1995

en/of de door de werkgever te betalen premies

en/of (vervolgens)

verstrekt aan voormelde (medewerker(s) van die) Vreemdelingendienst

- (een afschrift van) voormelde arbeidsovereenkomst(en) en/of

- (een afschrft van) voormelde loonafrekening

waardoor voormelde (medewerker(s) van die) Vreemdelingendienst werd(en)

bewogen tot bovenomschreven afgifte;

art 326 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks in de periode 1 oktober 1994 tot en met 23 juni 1995 te

Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, meermalen, althans eenmaal,

(telkens)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen dan wel alleen

- twee althans een arbeidsovereenkomst(en) tussen [het kantoor] (zijnde het advocatenkantoor van (onder anderen) verdachte) en Z en/of

- een loonafrekening van mei 1995,

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst dan wel valselijk heeft laten

opmaken of vervalsen, immers heeft verdachte (telkens) valselijk in strijd

met de waarheid in genoemde arbeidsovereenkomst(en) vermeld dan wel laten

vermelden (zakelijk weergegeven) dat genoemde Z vanaf 2 januari 1995 voor

de duur van zes maanden dan wel voor onbepaalde tijd in dienst was getreden

als schoonmaker bij [het kantoor] tegen een

netto salaris van fl 1200,- per maand

en/of in genoemde loonafrekening vermeld dan wel laten vermelden (zakelijk

weergegeven) dat aan genoemde Z op 24 mei 1995 voor diens werkzaamheden

als schoonmaker fl 1200 als salaris was betaald door [het kantoor],

zulks (telkens) met het oogmerk om dat /die geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht