Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2001:AB0600

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-02-2001
Datum publicatie
25-11-2003
Zaaknummer
SBR 00/93
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overdracht ex art. 56 Wpo brengt voor de verkrijger met zich dat tevens wordt getreden in de rechten van rechtsvoorgangers ingevolge de Gewenningsregeling.

Nihilvaststelling van de aan de rechtsvoorgangers van eiseres (het bestuur van de Vereniging voor protestants christelijk primair en voortgezet onderwijs "Vechtstreek en Venen") toegekende gewenningsbijdragen en/of garantiebijdragen ex art. V (Gewenningsregeling) van de Wet vereenvoudiging Londo. Niet in geschil is dat de verenigingen voor protestants christelijk onderwijs te Loenen aan de Vecht en Breukelen als rechtspersonen bedoeld in art. 55 Wpo de instandhouding van hun bijzondere scholen voor primair onderwijs ex art. 56 Wpo aan eiseres hebben overgedragen en dat eiseres ex art. 56.4 Wpo in hun rechten en verplichtingen is getreden.

In geschil is of in dat kader eiseres eveneens is getreden in de rechten van haar rechtsvoorgangers ingevolge de Gewenningsregeling. Onder bevoegd gezag wordt ex art. 1.b Wpo verstaan de rechtspersoon ex art. 55 Wpo. Door overdracht zoals bedoeld in art. 56 Wpo treedt de verkrijgende rechtspersoon derhalve in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen die zijn rechtsvoorganger met betrekking tot de school had als bevoegd gezag. De rechtbank verwijst voor dit standpunt tevens naar art. 49.4 Wpo.

Dat de wetgever met art. 49.4 Wpo heeft beoogd om voor openbare primaire scholen een geheel ander rechtsgevolg in het leven te roepen dan ex art. 56.4 Wpo voor bijzondere primaire scholen valt uit de parlementaire geschiedenis niet op te maken. Uit het vorenstaande volgt dat met een overdracht ten gevolge van een fusie, zoals in casu, ook het bevoegd gezag over de overgedragen scholen is overgegaan.

Mitsdien moet worden geoordeeld dat eiseres in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen is getreden van haar rechtsvoorgangers als bevoegd gezag met betrekking tot de overgedragen scholen, waaronder begrepen de aanspraken ingevolge de Gewenningsregeling.

Vernietigt het bestreden besluit dat is gebaseerd op een onjuiste toepassing van de Gewenningsregeling.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, verweerder.

mr. J.G.Th. Engelberts

Wet van 04-07-1996 (Wet vereenvoudiging Londo), Stb. 1996, 403, zoals gewijzigd bij Wet van 19-12-1996, Stb. 1996, 647 V.1, V.4

Wet op het primair onderwijs 1.b, 55, 56.1, 56.4

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Reg. nr: SBR 00/93

UITSPRAAK van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen:

het bestuur van de Vereniging voor protestants christelijk primair en voortgezet onderwijs "Vechtstreek en Venen",

gevestigd te Amersfoort,

e i s e r e s,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

v e r w e e r d e r.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE.

Per 1 januari 1998 zijn de Vereniging voor protestants christelijk onderwijs te Breukelen en de Vereniging voor protestants christelijk onderwijs te Loenen aan de Vecht gefuseerd en is uit die fusie de Vereniging voor protestants christelijk primair en voortgezet onderwijs "Vechtstreek en Venen" ontstaan.

Bij besluit van 8 december 1999 heeft verweerder het namens eiseres ingestelde bezwaar tegen twee besluiten van 28 december 1998 ongegrond verklaard. Bij genoemde besluiten van 28 december 1998 heeft verweerder de gewenningsbijdragen en/of de garantiebijdragen ingevolge artikel V (Gewenningsregeling) van de Wet van 4 juli 1996 (Wet vereenvoudiging Londo), Staatsblad 1996 403, zoals gewijzigd bij Wet van 19 december 1996, Staatsblad 1996 649, ten behoeve van de Vereniging voor protestants christelijk onderwijs te Loenen aan de Vecht en de Vereniging voor Protestants christelijk onderwijs te Breukelen voor de jaren 1998 en 1999 definitief vastgesteld op nihil.

Namens eiseres is tegen het besluit van 8 december 1999 (hierna aan te duiden als het bestreden besluit) op 17 januari 2000 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Bij brief van 31 januari 2000 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Op 11 februari 2000 heeft de gemachtigde van eiseres de gronden van het beroep ingediend. Bij brief van 3 maart 2000 heeft verweerder verweer gevoerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 januari 2000 alwaar eiseres, ambtshalve opgeroepen om te verschijnen bij gemachtigde, is verschenen bij gemachtigde mr. A. de Vries van de Besturenraad protestant-christelijk onderwijs te Voorburg, en verweerder, ambtshalve opgeroepen om te verschijnen bij gemachtigde, is verschenen bij gemachtigde mr. M.Y. van Hattum, werkzaam bij het Agentschap Centrale Financiële Instellingen van verweerders ministerie.

2. OVERWEGINGEN.

In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden de definitieve vaststelling op nihil over de jaren 1998 en 1999 van de aan de rechtsvoorgangers van eiseres toegekende gewenningsbijdragen en/of garantiebijdragen heeft gehandhaafd.

Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Standpunten van partijen

Verweerder heeft overeenkomstig het advies van de commissie bezwaarschriften aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd - en in beroep gehandhaafd - dat de rechtsvoorgangers van eiseres in 1998 en in 1999 geen aanspraak meer hadden op een rijksvergoeding materiële instandhouding, zodat op grond van de Gewenningsregeling, vierde lid, de aanspraak op een gewenningsbijdrage is vervallen.

Daartoe is overwogen dat de gewenningsbijdrage eenmalig wordt vastgesteld als percentage van het verschil tussen de rijksvergoeding voor de kosten van materiële instandhouding ten behoeve van scholen van het desbetreffende bevoegd gezag waarop in 1997 aanspraak bestaat en de rijksvergoeding waarop in dat jaar aanspraak zou bestaan op grond van de wetgeving, zoals deze luidde op 31 december 1996, indien dit verschil 3% of meer bedraagt. De gewenningsbijdrage wordt toegekend ongeacht het totale bedrag dat het desbetreffende bevoegd gezag over dat jaar als vergoeding voor de kosten van materiële instandhouding ontvangt voor de onder hem ressorterende scholen. Vermeerdering of vermindering van het aantal scholen (bijvoorbeeld tengevolge van fusies) is daarop niet van invloed. Slechts indien in 1998 of in 1999 het aantal scholen nul bedraagt, zodat in het geheel geen recht op vergoeding voor materiële instandhouding meer bestaat, vindt ingevolge de Gewenningsregeling, vierde lid, geen toekenning van een gewenningsbijdrage plaats. Uit dit systeem volgt naar het oordeel van verweerder dat bij overdracht van scholen door het ene bevoegd gezag aan het andere geen aan die scholen gerelateerd (deel van) het gewenningsbedrag kan worden overgedragen, ook niet als alle scholen worden overgedragen, zoals evenzeer voor het ontvangend bevoegd gezag geen wijziging in het eenmaal vastgestelde gewenningsbedrag (indien het daarop aanspraak heeft) wordt aangebracht. Dat eiseres op grond van artikel 56, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs (Wpo) zich als rechtsopvolger van de verenigingen voor protestants christelijk onderwijs te Loenen aan de Vecht en te Breukelen presenteert, heeft daarmee naar het oordeel van verweerder niet van doen, aangezien dit artikel slechts betrekking heeft op het treden in voor de rechtsvoorganger als zodanig vastgestelde rechten en verplichtingen, welke rechten door verweerder op nihil zijn gesteld.

Eiseres is - onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis - van mening dat een aanspraak op een gewenningsbijdrage aanwezig is zolang er aanspraak is op rijksvergoeding materiële instandhouding en dat niet de fusie als zodanig het recht op een (eventuele) gewenningsbijdrage doet verliezen, maar het feit dat een school niet meer wordt bekostigd.

Toepasselijk recht

De Gewenningsregeling, eerste en vierde lid, luidt als volgt:

1. Indien de rijksvergoeding voor de kosten van de materiële instandhouding ten behoeve van de scholen van een bevoegd gezag waarop voor het jaar waarin deze wet in werking treedt, aanspraak zou bestaan, 3% of meer lager, onderscheidenlijk 3% of meer hoger is dan de rijksvergoeding waarop voor dat jaar aanspraak zou bestaan op grond van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs

alsmede de op die wetten gebaseerde algemene maatregelen van bestuur, zoals deze wetten en besluiten luidden voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet, wordt de rijksvergoeding

a. voor het jaar waarin deze wet in werking treedt, vermeerderd met 100% van het verschil, onderscheidenlijk verminderd met 100% van het verschil,

b. voor het eerste jaar volgend op het jaar waarin deze wet in werking treedt, vermeerderd met 66,6% van het verschil, onderscheidenlijk verminderd met 66,6% van het verschil, en

c. voor het tweede jaar volgend op het jaar waarin deze wet in werking treedt, vermeerderd met 33,3% van het verschil,

onderscheidenlijk verminderd met 33,3% van het verschil.

4. De onderdelen b en c van het eerste lid vinden geen toepassing indien zonder die onderdelen geen rijksvergoeding voor de in die onderdelen bedoelde jaren aan het bevoegd gezag zou worden toegekend.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wpo wordt verstaan onder bevoegd gezag van volgens deze wet bekostigde scholen voor wat betreft een bijzondere school: de rechtspersoon bedoeld in artikel 55.

Krachtens artikel 55 van de Wpo wordt een bijzondere school in stand gehouden door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens de statuten of reglementen het geven van onderwijs ten doel stelt zonder daarbij het maken van winst te beogen.

Op grond van artikel 56, eerste lid, van de Wpo kan de rechtspersoon die de school in stand houdt, de instandhouding van de school overdragen aan een andere rechtspersoon die voldoet aan artikel 55 en geschiedt de overdracht bij notariële akte. In het vierde lid van genoemd artikel is bepaald dat door overdracht met inachtneming van de voorgaande leden, de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen treedt van zijn rechtsvoorganger met betrekking tot de school, onverminderd hetgeen verder voor de overgang daarvan naar burgerlijk recht is vereist.

Beoordeling van het geschil

Niet in geschil is dat de verenigingen voor protestants christelijk onderwijs te Loenen aan de Vecht en te Breukelen als rechtspersonen bedoeld in artikel 55 van de Wpo de instandhouding van hun bijzondere scholen voor primair onderwijs overeenkomstig artikel 56 van de Wpo aan eiseres hebben overgedragen en dat eiseres ingevolge artikel 56, vierde lid, van de Wpo in hun rechten en verplichtingen is getreden. In geschil is de vraag of in dat kader eiseres eveneens is getreden in de rechten van haar rechtsvoorgangers ingevolge de Gewenningsregeling.

Onder bevoegd gezag wordt ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wpo verstaan de rechtspersoon als bedoeld in artikel 55 van de Wpo. Door overdracht zoals bedoeld in artikel 56 van de Wpo treedt de verkrijgende rechtspersoon derhalve in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen die zijn rechtsvoorganger met betrekking tot de school had als bevoegd gezag.

De rechtbank verwijst voor dit standpunt tevens naar artikel 49, vierde lid, van de Wpo, waarin met name met betrekking tot openbare primaire scholen tot uitdrukking is gebracht, dat bij overdracht van de instandhouding van de school de verkrijgende rechtspersoon treedt in de rechten en verplichtingen die zijn rechtsvoorganger bezit in zijn hoedanigheid van bevoegd gezag. Dat de wetgever met artikel 49, vierde lid, van de Wpo beoogd heeft om met betrekking tot openbare primaire scholen een geheel ander rechtsgevolg in het leven te roepen dan ingevolge artikel 56, vierde lid, van de Wpo met betrekking tot bijzondere primaire scholen valt uit de parlementaire geschiedenis niet op te maken. Blijkens de parlementaire geschiedenis (MVT, Kamerstukken II 1994/1995, 24 138, nr. 3) heeft de wetgever met betrekking tot openbare primaire scholen beoogd om duidelijk te maken dat de rechten en verplichtingen die overgedragen worden zijn beperkt tot slechts die rechten en verplichtingen welke de overdragende rechtspersoon, de gemeente, bezit in zijn hoedanigheid van bevoegd gezag.

Uit het vorenstaande volgt dat met een overdracht tengevolge van een fusie, zoals in casu, ook het bevoegd gezag over de overgedragen scholen is overgegaan.

Op grond van de voorgaande overwegingen moet geoordeeld worden dat eiseres in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen is getreden van haar rechtsvoorgangers als bevoegd gezag met betrekking tot de overgedragen scholen, waaronder begrepen de aanspraken ingevolge de Gewenningsregeling. Het vierde lid van de Gewenningsregeling vindt ten aanzien van eiseres geen toepassing, omdat eiseres zonder toepassing van de onderdelen b en c van het eerste lid, over de jaren 1998 en 1999 een rijksvergoeding voor de instandhouding van de overgedragen scholen heeft ontvangen.

Het bestreden besluit is dan ook gebaseerd op een onjuiste toepassing van de Gewenningsregeling. Dit besluit kan om die reden wegens strijd met de Gewenningsregeling niet in stand blijven.

Gelet op het vorenoverwogene is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op f 1.420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

3. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door eiseres betaalde griffierecht ad

f 450,-- aan hem vergoedt,

veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in dit geding ten bedrage van

f 1.420,--, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Aldus vastgesteld door mr J.G.Th. Engelberts, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2001.

de griffier: het lid van de

enkelvoudige kamer:

mr. M. Sparling mr. J.G.Th. Engelberts

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.