Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2000:AA9077

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
Kort-gedingnr.122736/KG ZA 00-1127/RS
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

VONNIS van de president van de

arrondissementsrechtbank te Utrecht

in het kort geding van:

1.[eiseres sub 1],

wonende te [woonplaats],

2.[eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats],

e i s e r e s s e n,

procureur: mr. A.F. Geerts,

advocaat : mr. A. Heijder te Amsterdam,

- t e g e n -

[gedaagde],

wonende te Amersfoort,

g e d a a g d e,

procureur: mr. T.A. Mulder.

1. Het verloop van het geding

1.1 Eiseressen, hierna ook gezamenlijk en in enkelvoud te noemen: [eiseres], heeft gedaagde, verder ook te noemen: [gedaagde], in kort geding doen dagvaarden. Op de dienende dag, 5 december 2000, heeft zij van eis geconcludeerd overeenkomstig de inhoud van het exploot van dagvaarding, waarvan een fotokopie aan dit vonnis is gehecht.

1.2 [eiseres] heeft vervolgens bij monde van haar advocaat haar vordering doen toelichten mede aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen en producties.

1.3 [gedaagde] heeft hierop bij monde van haar procureur

verweer doen voeren mede aan de hand van een overgelegde pleitnota en overgelegde producties.

1.4 Na voortgezet debat, hebben partijen vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

2.1 [eiseres] heeft een praktijk voor kinderfysiotherapie. [gedaagde] heeft een kinderdagverblijf. Partijen hebben zich gezamenlijk vanaf 1996 als huurder gevestigd in een pand aan [adres], hierna ook te noemen het pand. De ruimten die partijen in gebruik hebben zijn naast elkaar gevestigd op de begane grond. Zij maken hierbij gezamenlijk gebruik van dezelfde hal en van de toiletten, waaronder een rolstoeltoilet.

2.2 [gedaagde] heeft tevens de bovenverdieping van het pand in gebruik die zich voor een gedeelte boven de praktijkruimte van [eiseres] bevindt.

2.3 Voorafgaande aan het gezamenlijke gebruik van het pand hebben partijen op 16 maart 1996 een bespreking met elkaar gevoerd waarvan een verslag is opgemaakt.

2.4 In het kinderdagverblijf bevinden zich op dit moment 20 kinderen in de leeftijd van 0 tot 4 jaar.

2.5 De GGD heeft op 26 juni 2000 een onderzoek verricht in het kinderdagverblijf waarvan een rapport is opgesteld.

In dit rapport is onder meer het volgende opgenomen:

"Leefruimte

(...)

- Beide ruimten boven worden nu als speelruimte voor de baby's gebruikt. De ruimten boven voldoen niet aan de eisen van een leefruimte omdat deze ook als slaapruimten worden gebruikt.

(...)

Slaapruimten

- Van aparte slaapruimten kan in de huidige situatie niet gesproken worden. (...). In totaal zijn boven dus 8 slaapplaatsen gecreëerd. De combinatie spelen en slapen is echter niet aanvaardbaar.

(...)".

3. Het geschil en de beoordeling ervan

3.1 Voor de volledige inhoud en de grondslagen van de vordering wordt verwezen naar de aangehechte dagvaarding. Kort weergegeven houdt de vordering in dat [gedaagde] zal worden veroordeeld:

a. de in maart 1996 gehanteerde uitgangspunten bij de exploitatie van het kinderdagverblijf in acht te nemen hetgeen met zich meebrengt dat de grootte van de groep kinderen in het kinderdagverblijf moet worden teruggebracht tot maximaal 14 kinderen;

b. de boven de praktijkruimte van [eiseres] gelegen verdieping uitsluitend als slaapruimte te gebruiken;

c. deze verdieping te voorzien van zachte vloerbedekking dan wel van een geluidsisolerende vloer.

Tevens vordert [eiseres] onder d. dat het [gedaagde] wordt verboden het rolstoeltoilet als opslag, garderoberuimte of voor andere doeleinden te gebruiken en onder e. dat het [gedaagde] wordt verboden de hal als opslagruimte en garderobe te gebruiken. Tenslotte vordert [eiseres] onder e. dat [gedaagde] het onbeperkt in- en uitlopen van de ouders van de kinderen doet beëindigen, een en ander onder verbeurte van een dwangsom.

3.2 [eiseres] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] de omstandigheden waartoe partijen destijds tot een gezamenlijk gebruik van het pand zijn gekomen heeft gewijzigd waardoor een onrechtmatige situatie ten aanzien van [eiseres] is ontstaan.

Ter ondersteuning hiervan heeft [eiseres] - onder verwijzing naar het verslag van de bespreking van 16 maart 1996 - gesteld dat partijen destijds zijn overeengekomen dat er niet meer dan voor 14 kinderen ruimte was in het kinderdagverblijf en dat de bovenverdieping louter gebruikt zou worden als slaapruimte.

Voorts heeft [gedaagde] volgens [eiseres] de omstandigheden gewijzigd door de enigszins isolerende zachte vloerbedekking te verwijderen en door niet meer met haar in overleg te treden.

Voorts heeft [eiseres] gesteld dat de wijze waarop [gedaagde] van het pand gebruik maakt bij [eiseres] ernstige overlast veroorzaakt.

3.3 Het verweer van [gedaagde] komt - voor zoveel nodig - hieronder aan de orde.

3.4 Anders dan [gedaagde] als verweer tegen de vordering van [eiseres] heeft gesteld, kan [eiseres], gelet op de grondslag hiervan, in haar vordering worden ontvangen.

3.5 Voorts is het spoedeisend belang van de vordering, hoewel betwist, voldoende aannemelijk geworden voornamelijk omdat tussen partijen niet in geschil is dat [eiseres] overlast ondervindt van het kinderdagverblijf.

3.6 In het besprekingsverslag valt, mede gelet de gemotiveerde betwisting daarvan door [gedaagde], niet te lezen de uitleg die [eiseres] daaraan heeft gegeven. Zo valt uit dit verslag niet op te maken dat niet meer dan 14 kinderen tot het kinderdagverblijf zullen worden toegelaten. In het verslag wordt immers melding gemaakt van een centrale speelruimte van tenminste 14 kinderen. Tevens valt uit de in het verslag opgenomen normen voor kinderdagverblijven van de gemeente Baarn louter op te maken dat bij partijen de verwachting heeft bestaan dat de gemeente-verordening van [adres] hiervan niet veel zou afwijken. Dat deze verwachting vervolgens niet is uitgekomen volgt uit het besluit van burgemeester en wethouders van Bunschoten van 19 augustus 1998 waarbij aan [gedaagde] een vergunning is verstrekt voor het oprichten en houden van een kindercentrum, bestemd voor 46 kinderen in de leeftijd van 0 tot 4 jaar.

Voorts valt uit het besprekingsverslag niet te herleiden dat de bovenverdieping naast spreek/kantoorruimte louter als slaapruimte gebruikt zou worden. Zo is in het verslag slechts vermeld dat erover valt te denken dat een reeds eerder in het verslag genoemde slaapruimte boven wordt gesitueerd.

3.7 Voorshands is derhalve onvoldoende komen vast te staan dat [gedaagde] handelt in strijd met de afspraken die partijen destijds hebben gemaakt.

3.8 Ten aanzien van het verwijderen van de zachte vloerbedekking op de bovenverdieping is tussen partijen niet in geschil dat [gedaagde] hiertoe op aanwijzing van de GGD is overgegaan.

Gelet hierop kan deze gewijzigde omstandigheid [gedaagde] niet worden toegerekend.

3.9 Daarnaast valt gelet op hetgeen partijen over en weer hebben gesteld niet uit te maken wie is te verwijten dat overleg tussen beiden niet meer mogelijk is geweest.

3.10 Evenwel is, gelet op het verhandelde ter zitting en de in het geding gebrachte stukken, in het bijzonder het rapport van de GGD, voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] de bovenverdieping niet alleen als slaapruimte voor de kinderen gebruikt en dat [eiseres] van dit gebruik, een dusdanige hinder ondervindt bij het uitoefenen van haar praktijk dat deze als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Hoewel bij [gedaagde] daartoe de bereidheid bestaat is, gelet op het verhandelde ter zitting, gebleken dat deze hinder niet op eenvoudige wijze kan worden beëindigd.

3.11 Gelet hierop is er voldoende grond voor toewijzing van de vordering onder b.

3.12 De vordering onder c. zal worden afgewezen gezien het hiervoor - onder 3.8 - overwogene en het feit dat [gedaagde] onweersproken heeft gesteld dat het door de aanleg van de harde vloerbedekking niet mogelijk is geweest de zachte vloerbedekking te laten liggen.

3.13 Voorts is, mede gelet op de ter zitting getoonde foto's, voorshands voldoende komen vast te staan dat de door [gedaagde] in het rolstoeltoilet geplaatste kapstok voor de jasjes van de kinderen een goede bereikbaarheid en bruikbaarheid van dit toilet in de weg staat. Gelet hierop is er voldoende grond om tot toewijzing van het verbod tot het gebruik van het rolstoeltoilet als garderobe over te gaan. Overigens zal de vordering onder d. worden afgewezen. Hierbij wordt van betekenis geacht dat ter zitting onweersproken is gesteld dat het rolstoeltoilet reeds sedert enige tijd niet meer als opslagruimte wordt gebruikt en dat [eiseres] ter zitting heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen het huidige gebruik van een gedeelte van het rolstoeltoilet voor de verschoning van de luiers van de baby's.

3.14 Ten aanzien van het gestelde van [eiseres] omtrent het in- en uitlopen van de ouders van de kinderen wordt opgemerkt dat de bestaande situatie waarbij partijen de hal gezamenlijk gebruiken dit nu eenmaal met zich meebrengt. Niet aannemelijk is gemaakt dat hierbij een wijziging van de omstandigheden zoals deze vanaf 1996 bestaat, heeft plaats gevonden en dat dit bij [eiseres] ernstige en ontoelaatbare overlast veroorzaakt. Dit geldt evenzeer voor het huidige gebruik van de hal voor het ophangen van de jasjes van de kinderen.

Gelet hierop zal het laatste onderdeel van de vordering worden afgewezen.

3.15 Termen zijn aanwezig de gevorderde dwangsom te matigen tot een bedrag van f. 500,- per dag.

3.16 Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de kosten van dit geding tussen hen worden gecompenseerd op de hierna te bepalen wijze.

4. De beslissing

De president:

4.1 veroordeelt [gedaagde] de boven de praktijkruimte van [eiseres] gelegen verdieping uitsluitend als slaapruimte te gebruiken;

4.2 bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van

f. 500,- per dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke mocht blijven aan het bepaalde onder 4.1 te voldoen;

4.3 bepaalt dat de hiervoor genoemde dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving van die dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van die overtreding;

4.4 verklaart de onderdelen 4.1 tot en met 4.3 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.5 wijst af het meer of anders gevorderde;

4.6 compenseert de kosten van dit geding tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schepen, fungerend president, en is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2000.