Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2000:AA9040

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
120292 FA RK 00-4595
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Utrecht

BESCHIKKING

van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

[de vader],

wonende te Utrecht,

procureur: mr. F.E.J. Menkveld,

- t e g e n -

[de moeder],

wonende te Utrecht,

niet verschenen.

1. Verloop van de procedure

De vader heeft op 19 september 2000 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend dat strekt tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en de hierna te noemen minderjarige.

De minderjarige is opgeroepen om door de rechter gehoord te worden.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 31 oktober 2000.

Nadien is de minderjarige nogmaals opgeroepen om door de rechter gehoord te worden.

2. Vaststaande feiten

- Het huwelijk van partijen is door echtscheiding ontbonden.

- Uit hun huwelijk is geboren:

[het kind] , op [...] te [...].

- Bij beschikking van deze rechtbank van 27 november 1986 is de moeder benoemd tot voogdes over [het kind].

- Bij beschikking van deze rechtbank van 11 augustus 1992 is een verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling afgewezen.

3. Beoordeling van het verzochte

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen en heeft ook niet op andere wijze verweer gevoerd.

Ook [het kind] zelf heeft niet gereageerd op twee uitnodigingen van de rechtbank om door de rechter gehoord te worden. Wel heeft zij vóór het indienen van het verzoekschrift telefonisch aan de raadsman van de vader medegedeeld dat zij geen enkel contact met haar vader wenste.

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel de moeder geen verweer gevoerd heeft, de kinderrechter geen beslissing kan geven zonder daarbij ook ambtshalve de belangen van het kind te betrekken.

De procureur van de vader heeft ter zitting melding gemaakt van het vorenstaande telefoontje van [het kind]. Deze verklaring is weliswaar niet door de minderjarige aan de rechter zelf afgelegd maar moet, gelet op haar herkomst, als zeer betrouwbaar worden beschouwd.

Voorts is gebleken dat tussen de vader en [het kind] sinds de echtscheiding van partijen, ongeveer 14 jaar geleden, geen contact heeft bestaan, terwijl de rechtbank op 11 augustus 1992 terzake een verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling, na inwinnen van advies door de Raad voor de Kinderbescherming, afwijzend heeft beschikt.

De rechtbank overweegt dat omgang met de vader op zichzelf mogelijk niet in strijd is met zwaarwegende belangen van [het kind] en dat niet valt uit te sluiten dat het ook in [het kind]'s belang zou kunnen zijn als er op vrijwillige basis enig contact tussen haar en de vader tot stand zou komen. Echter, het thans afdwingen van een omgangsregeling met haar vader, terwijl [het kind] - die bijna 16 is - uitdrukkelijk aan de raadsman van vader kenbaar heeft gemaakt dat zij géén contact wil, dient in casu wel degelijk in strijd met zwaarwegende belangen van [het kind] te worden geacht.

De vader heeft tevens verzocht om oplegging van een informatieplicht.

De rechtbank stelt voorop dat - ingevolge art. 1:377b, eerste lid BW - de moeder gehouden is de vader op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot [het kind]. Ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel evenwel heeft de rechtbank de bevoegdheid om ambtshalve te bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft indien het belang van het kind zulks vereist.

De rechtbank is van oordeel dat [het kind]'s belang thans mutatis mutandis vereist dat niet tegen haar wil informatie over haar verschaft wordt aan haar vader.

4. Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. H. Gorter, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van N.I. Ganzevoort, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 december 2000.