Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2000:AA8821

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-09-2000
Datum publicatie
04-12-2001
Zaaknummer
SBR 00/1280 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Gebruik als videotheek is geen detailhandel als gedefinieerd in de zin van het geldende bestemmingsplan, maar moet worden aangemerkt als dienstverlening.

Rechtsoordeel verweerder dat vestiging videotheek past binnen geldend bestemmingsplan. Hoofdactiviteit van de videotheek bestaat uit verhuur van videobanden en andere beeld- en geluidsdragers. Gelet op de definitie van detailhandel in de begripsbepalingen in art. 1.f van het bestemmingsplan, waarin de nadruk ligt op „verkoop", kan de onderhavige videotheek niet worden aangemerkt als detailhandel in de zin van het bestemmingsplan. De videotheek dient te worden gekwalificeerd als dienstverlening, waaronder volgens art. 1.g planvoorschriften verstaan moet worden „het bedrijfsmatig verlenen van diensten".

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein, verweerder.

mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillesen (president)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

sector bestuursrecht

nr. SBR 00/1280 VV

Uitspraak van de president van de rechtbank te Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoeker 1] wonende te [woonplaats 1], en , [verzoeker 2] wonende te [woonplaats 2],

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein,

verweerder.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij brief van 12 april 2000 is namens verweerder bevestigd aan [aanvrager], ten name van [vennoot 1] en/of [vennoot 2], dat het volgens het bestemmingsplan mogelijk is een videotheek te vestigen in de commerciële unit in "[….]" aan de [adres] te [woonplaats 2].

1.2 Verzoekers hebben ieder afzondelijk bij brieven van 10 mei 2000, aangevuld bij brief van 26 mei 2000, respectievelijk 24 mei 2000, verweerder gemeld vernomen te hebben van de voorgenomen vestiging van een videotheek op het adres [adres] te [woonplaats 2] en hun bezwaren daartegen geuit. Zij hebben verweerder in genoemde brieven verzocht stappen te ondernemen ter voorkoming van deze vestiging, die naar hun mening in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

1.3 Verweerder heeft hierop gereageerd bij brief van 15 juni 2000. In deze brief deelt verweerder mee dat hij de genoemde brieven als bezwaar in handen heeft gesteld van de commissie behandeling bezwaar- en beroepschriften van de gemeente IJsselstein.

1.4 Bij brief van 4 juli 2000 is namens verzoekers bij de president van de rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend. In deze brief is namens verzoekers gesteld dat zij het antwoord van verweerder van 15 juni 2000, beschouwen als een fictieve weigering om over te gaan tot handhaving van het bestemmingsplan. De gemachtigde heeft zijn verzoek daarom gebaseerd op artikel 6:2 van de Awb. Dit artikel stelt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit gelijk met een besluit.

1.5 Het verzoek is op 25 augustus ter zitting behandeld, waar verzoekers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. F.P. Klaver, advocaat te Alkmaar. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door W.A. Pijnappel, ambtenaar van de gemeente IJsselstein. Namens [aanvrager] is [vennoot 1] (hierna: [vennoot 1]) ter zitting verschenen.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voorzover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Omdat zoals onder 2.1 is overwogen de bevoegdheid van de president om een voorlopige voorziening te treffen afhankelijk is van enerzijds het bestaan van een besluit of van het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit en anderzijds het daartegen instellen van bezwaar of beroep, dient allereerst vastgesteld te worden of hier sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen verzoekers bezwaar hebben gemaakt. In dit verband is van belang dat namens verweerder bij brief van 12 april 2000 aan [vennoot 1] bevestigd is dat het volgens het bestemmingsplan mogelijk is een videotheek te vestigen in de commerciële unit op de [adres] te [woonplaats 2].

Namens verweerder is gesteld dat hier geen sprake is van een besluit, nu deze brief louter een informatieve mededeling betreft en geen rechtshandeling inhoudt; voor het betreffende gebouw is namelijk al in 1998 een bouwvergunning afgegeven voor woningen, winkels en een kinderdagverblijf en de vestiging van een videotheek past daarin naar de mening van verweerder. Geoordeeld wordt echter dat aan deze bevestiging van verweerder het oordeel ten grondslag ligt dat het gebruik als videotheek beschouwd dient te worden als dienstverlening en daarom verenigbaar is met de op het pand [adres] liggende bestemming. Voor dit oordeel is dezerzijds van belang geacht dat deze brief een reactie is op een verzoek van [vennoot 1], dat hij deed voordat hij het pand kocht en dus voordat hij met zijn activiteiten daar ging starten.

Voorshands wordt er dezerzijds van uitgegaan dat de brief van 12 april 2000 een rechtsoordeel inhoudt omtrent de toepasselijkheid van publiekrechtelijke voorschriften, waarvan de toepassing tot de bevoegdheid van verweerder behoort. Het besluit, dat het karakter heeft van een publiekrechtelijke rechtshandeling, is dan ook op rechtsgevolg gericht en daarom een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

2.4 Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt tegen dit besluit en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, zijn er geen beletselen om het verzoek om voorlopige voorziening ontvankelijk te achten, voorzover daarbij wordt verzocht om een voorziening te treffen ten aanzien van de toepasselijkheid van de planologische regels.

Namens verweerder is nog naar voren gebracht dat verzoekers - als concurrenten van [vennoot 1] - niet aangemerkt kunnen worden als belanghebbenden. Dat standpunt is onjuist. Het feit dat verzoekers eveneens in [woonplaats 2] gevestigd zijn, op zichzelf een stad van beperkte omvang, en hun bedrijf hebben in dezelfde activiteit als [vennoot 1], brengt met zich mee dat verzoekers in deze zaak als belanghebbenden aangemerkt dienen te worden.

2.5 Blijkens het verzoekschrift en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, heeft de gemachtigde het verzoek om een voorlopige voorziening ook ingediend omdat hij het bericht van verweerder, dat de brieven van verzoekers zijn voorgelegd aan de commissie behandeling bezwaar- en beroepschriften, heeft beschouwd als een impliciete weigering om handhavend op te treden tegen de vestiging van de videotheek.

Op dit punt is evenwel niet voldaan aan de in artikel 8:81 van de Awb vereiste connexiteit nu tegen het niet tijdig nemen van een belissing omtrent handhaving bij verweerder geen bezwaarschrift is ingediend. Hierbij is in aanmerking genomen dat de brieven van verzoekers die door verweerder als bezwaarschrift in behandeling zijn genomen, op het punt van de handhaving als een eerste verzoek daartoe moeten worden aangemerkt. Derhalve is de president gevraagd om een voorziening hieromtrent, zonder dat verweerder door middel van een bezwaarschrift is gewezen op de omstandigheid dat verzoekers van mening waren dat niet tijdig is besloten. Daar komt nog bij dat ten tijde van de indiening van het verzoek de videotheek nog niet was gestart.

2.6 Geconcludeerd wordt dan ook dat het verzoek om een voorlopige voorziening, voorzover gericht tegen het uitblijven van een besluit van verweerder om handhavend op te treden, niet-ontvankelijk moet worden geacht. Gelet op het voorgaande wordt het verzoek om een voorlopige voorziening inhoudelijk dan ook alleen in behandeling genomen voorzover het betrekking heeft op het rechtsoordeel van verweerder dat de vestiging van een videotheek past binnen het ter plaatste geldende bestemmingsplan.

2.7 Ingevolge het bestemmingsplan Zenderpark rust op het perceel [adres] de bestemming 'Wonen I'.

Artikel 6, eerste lid, van dit bestemmingsplan bepaalt dat onder andere de voor 'Wonen I' aangewezen gronden slechts bebouwd mogen worden overeenkomstig een door burgemeester en wethouders vast te stellen uitwerking. Het zesde lid van dit artikel bepaalt dat in afwijking van het gestelde in het eerste lid, de daargenoemde gronden bebouwd mogen worden voordat de voorgeschreven uitwerking rechtskracht heeft verkregen, indien de op te richten bebouwing overeenstemt met, dan wel op verantwoorde wijze kan worden ingepast in een vastgestelde uitwerking of een daarvoor gemaakt ontwerp, en Gedeputeerde Staten vooraf hebben verklaard, dat zij tegen het verlenen van de vereiste bouwvergunning geen bezwaar hebben.

In artikel 8 van het plan is bepaald dat de op de plankaart voor 'Wonen I' aangewezen gronden bestemd zijn voor een woonwijk en de daarbij behorende voorzieningen op wijkniveau. Ingevolge het tweede lid van dit artikel zijn op deze gronden - voor zover hier van belang - wijkwinkels en dienstverleningsvestigingen toelaatbaar.

2.8 Voor het complex gebouwen waarvan het pand [adres] deel uit maakt, is bij besluit van 15 juni 1998 met gebruikmaking van de vrijstellingsbevoegdheid zoals neergelegd in onder 2.7 genoemd artikel 6, zesde lid, bouwvergunning afgegeven. Verweerder heeft verklaard dat voor dit gebied op dit moment nog geen uitwerkingsplan is vastgesteld; de bouwvergunning is afgegeven nadat het bouwplan ter visie is gelegd en door Gedeputeerde Staten op 17 februari 1998 een verklaring van geen bezwaar was verstrekt.

Namens verweerder is ter zitting verklaard dat tegen deze bouwvergunning geen bezwaar is gemaakt, zodat dat besluit inmiddels onherroepelijk is. Vorenstaande impliceert dat in deze procedure uitgegaan dient te worden van de rechtsgeldigheid van deze bouwvergunning, zowel voor wat betreft de inhoud ervan als voor de wijze van totstandkoming. Op grond van deze bouwvergunning is een complex gebouwd bestaande uit 77 appartementen, winkels en een kinderdagverblijf. [aanvrager] heeft één van de winkelruimten in dit complex gekocht en ingericht en heeft daarin per 17 juli 2000 zijn videotheek geopend.

2.9 Verzoekers menen dat het gebruik van de winkel ten behoeve van een videotheek in strijd is met de bepalingen in het bestemmingsplan. Zij hebben daartoe aangevoerd dat een videotheek beschouwd dient te worden als detailhandel, gelet op de verkoop die in het algemeen plaats vindt naast de verhuur van videobanden en de algemene opvattingen daarover binnen de branche.

2.10 Geschilpunt in deze zaak betreft derhalve de vraag of een videotheek aangemerkt moet worden als dienstverlening, dan wel als detailhandel.

Vaststaat dat de hoofdactiviteit in de videotheek aan de [adres] bestaat uit de verhuur van videobanden en andere beeld- en geluidsdragers. Niet in geschil is verder dat - voorzover er sprake is van nevenverkoop - dit niet meer dan maximaal 15 tot 20% van de totale bedrijfsomzet uitmaakt.

2.11 De definitie van detailhandel in de begripsbepalingen in artikel 1, onder f, van het bestemmingsplan, luidt: "het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending, anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit." Gelet op deze omschrijving waarin de nadruk ligt op 'verkoop' kan de videotheek, met de hiervoor omschreven activiteiten, naar voorlopig oordeel niet

aangemerkt worden als detailhandel in de zin van het hier geldende bestemmingsplan.

Of - zoals namens verzoekers is aangevoerd - videotheken in het kader van andere regelgeving wel worden aangeduid of gelijkgesteld met detailhandel doet hier niet ter zake, aangezien voor de uitleg van het bestemmingsplan de begripsomschrijvingen in het plan zelf bepalend zijn.

Geconcludeerd wordt dan ook dat verweerder de videotheek op goede gronden niet heeft aangemerkt als detailhandel. De kwalificering van de videotheek als dienstverlening, waaronder volgens artikel 1, onder g, verstaan moet worden "het bedrijfsmatig verlenen van diensten", is dan ook terecht.

2.12 Daarmee wordt toegekomen aan de vraag of dienstverlening in de vorm van een videotheek, is toegestaan in het pand [adres].

Blijkens de algemene gebruiksbepaling in artikel 13 van het bestemmingsplan is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de bestemming of in strijd met een gebruik waarvoor ingevolge de bepalingen van dit plan vrijstelling is verleend. Met betrekking tot de bestemming 'Wonen I' zijn in artikel 8 van het plan de voorzieningen genoemd die in verband met die bestemming toelaatbaar zijn. Daarbij zijn zowel winkels als dienstverleningsvestigingen genoemd.

Ten aanzien van het gebouw waarin de videotheek is gevestigd - dat zoals gezegd is gebouwd als winkel - is geen specifieke vrijstelling verleend voor een bepaald gebruik. Dat betekent dat de bestemming zoals die voor de [adres] in het bestemmingsplan is omschreven, bepalend is voor het toegestane gebruik. Gelet op hetgeen in artikel 8, eerste lid in combinatie met het tweede lid, is vastgelegd over de binnen deze bestemming toegestane voorzieningen wordt geconcludeerd dat dienstverlening hier is toegestaan. Dat destijds voor het bouwen van dit pand vergunning is verleend ten behoeve van een winkel, doet hier niet aan af, nu zoals gezegd gebruik voor dienstverlening hier is toegestaan.

Dezerzijds wordt dan ook voorshands geoordeeld dat het standpunt van verweerder zoals neergelegd in de brief van 12 april 2000 een juiste interpretatie van het bestemmingsplan inhoudt.

2.13 Gelet op het vorenoverwogene zijn geen termen aanwezig om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen en wordt evenmin aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekers.

3. BESLISSING

De president:

3.1 verklaart het verzoek om voorziening, voorzover gericht tegen het uitblijven van een besluit van verweerder om handhavend op te treden, niet-ontvankelijk;

3.2 wijst het verzoek om voorziening voor het overige af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek - Gillessen, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2000.

De griffier: De president:

mr. V.M.M. van Amstel mr. P.B.M.J. van der Beek - Gillessen

Afschrift verzonden aan partijen op: