Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2000:AA8562

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
Kort-gedingnr.122615/KG ZA 00-1116
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

V O N N I S van de president van de

arrondissementsrechtbank te Utrecht

in het kort geding van:

[eiser], wonende te [woonplaats]

e i s e r,

procureur: mr. W.A.J. Hoorneman,

- t e g e n -

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

g e d a a g d e,

procureur: mr. J.P.H. van Driel van

Wageningen.

Het verloop van het geding

1.1. Eiser, hierna ook '[eiser]' te noemen, heeft gedaagde, hierna ook '[gedaagde]' te noemen, in kort geding doen dagvaarden. Op de dienende dag, 17 november 2000, heeft [eiser] van eis geconcludeerd overeenkomstig het exploot van dagvaarding, waarvan een fotokopie aan dit vonnis is gehecht.

1.2. [eiser] heeft zijn vordering toegelicht, mede aan de hand van producties en een pleitnota. Bij die gelegenheid heeft hij zijn vordering gewijzigd als hierna vermeld.

1.3. [gedaagde] heeft daarop verweer gevoerd, mede aan de hand van producties en een pleitnota.

1.4. Tenslotte hebben partijen vonnis gevraagd.

De vaststaande feiten

2.1. [eiser] is wetenschappelijk directeur van het "Central Veterinary Research Laboratory" te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten. [gedaagde] is universitair docent aan de Faculteit Diergeneeskunde aan de Universiteit van Utrecht en is onder meer belast met de specialisatie "ziekten bij vogels".

2.2. Van 9 tot 11 augustus 1998 heeft in Midrand, Zuid-Afrika, de derde "International Raptor Biomedical Conference" plaatsgevonden, waarbij onder anderen [eiser] en [gedaagde] sprekers waren. [gedaagde] was lid van de commissie die was belast met de organisatie (scientific committee).

2.3. Besloten is een congresbundel samen te stellen waarin de tot wetenschappelijke artikelen bewerkte voordrachten van de sprekers zouden worden opgenomen. Uit de op het congres aanwezige sprekers is een redactie samengesteld waarvan [gedaagde] tot hoofdredacteur (editor in chief) is benoemd.

2.4. Bij brief van 25 juni 1998 wordt de deelnemers aan het congres door het organiserend comité medegedeeld dat voor het wetenschappelijk gehalte van de bundel zorggedragen wordt door de hoofdredacteur, dat de hoofdredacteur alle bijdragen laat beoordelen door tenminste twee wetenschappelijke referenten en dat alleen de bijdragen die van een voldoende wetenschappelijk gehalte zouden worden geoordeeld werden gepubliceerd. "Decisions regarding illustrations and scientific contents are the full responsibility of the editors.".

2.5. Alle schrijvers hebben ten behoeve van de Amerikaanse uitgever een "permissions agreement" ondertekend, waarvan artikel 2 luidt: "The Licensors work shall not be altered, adapted or modified in any matter without the prior written permission of Licensor.".

2.6. [eiser] heeft hoofdstuk 5 van het boek voor zijn rekening genomen: "Clostridium Enterotoxaemia in Falconiformes in the United Arab Emirates", dat handelt over ziekten bij valken.

2.7. [eiser] heeft een aantal door [gedaagde] gedane inhoudelijke wijzigingsvoorstellen aanvaard, waarna de tekst van het artikel in die zin is gewijzigd. Bij e-mail van 15 januari 2000 schrijft [gedaagde] aan [eiser]: "I will use your latest version with only technical adjustments.".

2.8. Op 8 maart 2000 is aan [eiser] de versie van zijn bijdrage gezonden zoals die in het boek zou worden afgedrukt. Na diens tekst is een noot van de redactie ("editor's note") opgenomen, waarin de redactie te kennen geeft dat zij van mening is dat er voor de vérstrekkende conclusies van [eiser] onvoldoende bewijs is en meer onderzoek nodig is.

2.9. Na protest van [eiser] tegen de editor's note geeft [gedaagde] bij e-mail van 24 maart 2000 [eiser] de volgende drie keuzemogelijkheden: ofwel aanpassing van de tekst waarbij de opmerkingen van de redactie worden verwerkt, ofwel plaatsing van het ongewijzigde artikel met toevoeging van de noot, ofwel intrekking van het artikel zodat het boek een hoofdstuk minder zal bevatten.

2.10. De congresbundel is inmiddels gedrukt, met opneming van het artikel van [eiser] waaraan de noot van de redactie is toegevoegd. Ten tijde van de mondelinge behandeling van dit kort geding lagen de exemplaren klaar ter verzending.

Het geschil en de beoordeling

3.1. [eiser] vordert, kort gezegd, [gedaagde] te gebieden (de laatste versie van) zijn artikel zonder editor's note, nadat het printexemplaar van het artikel aan hem is voorgelegd en nadat hij daaraan schriftelijk zijn goedkeuring heeft gegeven, te doen publiceren in de congresbundel, op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 10.000,00 per dag dan wel overtreding.

Voorts vordert [eiser] [gedaagde] te bevelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de uitgever schriftelijk mede te delen dat de publicatie van het boek moet worden opgeschort op de wijze als vermeld in de dagvaarding, totdat tussen partijen overeenstemming is bereikt over de wijze van publicatie, op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 5.000,00 per dag.

3.2. [eiser] voert ter ondersteuning van zijn vordering aan dat [gedaagde] door de editor's note aan het artikel toe te voegen in strijd handelt met de hem toekomende auteurs- en persoonlijkheidsrechten en jegens hem onrechtmatig handelt. Bovendien schiet [gedaagde], aldus [eiser], toerekenbaar tekort in de nakoming van de tussen de schrijvers en de (hoofd)redactie gemaakte afspraken, nu bij e-mail van 15 januari 2000 is toegezegd dat alleen nog zo nodig "technical adjustments" zouden worden toegepast en nu het toevoegen van de editor's note onmogelijk kan worden beschouwd als louter een technische aanpassing. Door de handelwijze van [gedaagde] worden, zo voert [eiser] aan, zijn goede wetenschappelijke naam en reputatie aangetast en lijdt hij aanzienlijke schade.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Op dat verweer en op hetgeen partijen ter ondersteuning van hun standpunten nog hebben aangevoerd zal in het hiernavolgende worden ingegaan.

3.4. [gedaagde] voert in de eerste plaats ten verwere aan dat hij steeds heeft gehandeld in het kader van zijn arbeidsovereenkomst met de Universiteit Utrecht, zodat [eiser] de universiteit en niet hem had dienen te dagvaarden en [eiser] in zijn vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3.5. Dit verweer faalt. Indien er in het onderhavige geval al sprake van zou zijn dat de universiteit zeggenschap heeft over de activiteiten die [gedaagde] als hoofdredacteur verricht - partijen hebben ter zitting onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om daarover thans te kunnen oordelen - dan nog laat de omstandigheid dat de universiteit in dat geval op grond van het bepaalde in artikel 6:170 BW aangesproken zou kunnen worden voor onrechtmatige daden (waarin begrepen inbreuken op een auteursrecht) die haar werknemer bij de verrichting van die activiteiten pleegt, onverlet dat ook [gedaagde] zelf uit hoofde van artikel 6:162 BW daarvoor aansprakelijk kan worden gesteld. Onjuist is dat de vestiging van risicoaansprakelijkheid in artikel 6:170 BW de mogelijkheid om de feitelijk handelende persoon aan te spreken zou uitsluiten. Bovendien is aannemelijk dat, zoals [eiser] heeft gesteld, het in de eerste plaats feitelijk in de macht van [gedaagde], en niet in die van diens werkgever, ligt om publicatie van de congresbundel in de huidige vorm tegen te gaan. [eiser] is derhalve ontvankelijk in zijn vordering.

3.6. Voorts moet worden beoordeeld of de weigering van [gedaagde] om het artikel van [eiser] in de huidige vorm zonder toevoeging van een noot van de redactie in de congresbundel te publiceren moet worden beschouwd als een inbreuk op de [eiser] toekomende auteursrechten op het werk of anderszins onrechtmatig is.

3.7. Naar het voorlopig oordeel van de president is dat niet het geval. Daartoe wordt in de eerste plaats overwogen dat het artikel in zijn geheel en op zichzelf ongewijzigd in het boek is afgedrukt zoals het door [eiser] - uiteindelijk - is aangeleverd en met publicatie waarvan deze heeft ingestemd. Van een ongeoorloofde openbaarmaking of verveelvoudiging in de zin van de Auteurswet is derhalve op zichzelf geen sprake.

3.8. Ook kan de toevoeging van de noot in het onderhavige geval niet worden beschouwd als een misvorming, verminking of andere aantasting van het werk die nadeel zou kunnen brengen aan de eer of de naam van de maker. De noot is, zoals blijkt uit het ter zitting als productie 17 overgelegde drukexemplaar, geheel aan het eind van het artikel en duidelijk daarvan gescheiden, op een aparte pagina geplaatst, ingeleid door (vetgedrukt): "Editor's note". Het moet de lezer dus, zelfs op het eerste gezicht, duidelijk zijn dat het daar niet meer gaat om het artikel zelf maar om een commentaar op het artikel. In die zin is de toezegging dat het stuk zou worden geplaatst slechts voorzien van technische aanpassingen ("technical adjustments") gestand gedaan.

3.9. Weliswaar wordt in de editor's note verkondigd dat de redactie de conclusies van [eiser] niet kan onderschrijven, maar dit wordt op zichzelf niet onrechtmatig geacht. Zeker in wetenschappelijke kringen moet een auteur, zoals [gedaagde] ten verwere heeft aangevoerd, het zich in beginsel laten welgevallen dat zijn mening niet wordt gedeeld en dat kritiek op stellingen openbaar wordt gemaakt. In dit verband wordt overwogen dat in de noot uitvoerig wordt gemotiveerd waarom de redactie van mening is de conclusies van de bijdrage van [eiser] niet te kunnen onderschrijven omdat zij bepaalde stellingen niet bewezen acht - "although (...) the autors might be correct regarding their claims" - en legt zij uit op welke punten in haar visie het onderzoek van [eiser] tekortschiet. In zoverre is aannemelijk dat het oordeel van de redactie op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en kan niet worden gezegd dat daardoor de eer en goede naam van [eiser] als wetenschapper worden aangetast.

3.10. Bovendien heeft [gedaagde] [eiser] bij e-mail van 24 maart 2000 de mogelijkheid geboden om het stuk niet te doen plaatsen, voor het geval [eiser] er niet mee kon leven dat in de noot aanmerkingen zouden worden geplaatst. Ook heeft [gedaagde] onbetwist gesteld dat [eiser] tevens de mogelijkheid is geboden een eigen noot te doen plaatsen als commentaar op de editor's note. [eiser] heeft van deze mogelijkheden echter geen gebruik gemaakt.

3.11. Tenslotte wordt in dit verband overwogen dat [eiser], zoals blijkt uit de brief van 25 juni 1998 aan de deelnemers van de conferentie, geacht kan worden ermee te hebben ingestemd dat alle ingezonden artikelen zouden worden onderworpen aan de wetenschappelijke toets van de redactie en dat de redactie zich steeds verantwoordelijk zou blijven achten voor de inhoud van de bijdragen. Zo had [eiser] op verzoek het artikel al aangepast na gebleken bezwaren van de redactie over de inhoud.

3.12. Op grond van het voorgaande wordt geoordeeld dat [gedaagde] geen inbreuk op maakt op de [eiser] toekomende auteursrechten of anderszins jegens deze onrechtmatig handelt door het boek, op de wijze zoals dat is gedrukt, te doen uitgeven. Beslist zal daarom worden als volgt.

3.13. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] in de kosten van het geding worden veroordeeld.

De beslissing

De president:

4.1. weigert de gevraagde voorziening;

4.2. veroordeelt eiser in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagde gevallen, waarin begrepen ƒ 1.550,00 voor salaris van de procureur en ƒ 400,00 griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.M.E. van der Burg-van Geest, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2000.