Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2000:AA8495

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
107890/HA ZA 99-2062
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2000, 5573 met annotatie van P. Abas
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

de stichting Stichting Mitros,

gevestigd te Utrecht,

e i s e r e s ,

procureur:

mr. R. de Jong,

- t e g e n -

1. [gedaagde 1], als ouder danwel wettelijk vertegenwoordiger van [kind 1],

wonende te Utrecht,

niet verschenen,

2. [gedaagde 2],

als ouder danwel wettelijk vertegenwoordiger van [kind 2],

wonende te Utrecht,

procureur mr. J.J.W. Remme,

3. [gedaagde 3],

als ouder danwel wettelijk vertegenwoordiger van de destijds minderjarige [kind 3],

wonende te Utrecht,

procureur mr. L. de Leon,

4. [kind 3],

wonende te Utrecht,

procureur mr. L. de Leon,

5. [gedaagde 5], als ouder danwel wettelijk vertegenwoordiger van de destijds minderjarige [kind 4],

wonende te Utrecht,

procureur mr. T.P. Grünbauer,

6. [kind 4],

wonende te Utrecht,

procureur mr. T.P. Grünbauer

7. [gedaagde 7],

wonende te Utrecht,

procureur mr. L. de Leon,

8. [gedaagde 8],

wonende te Utrecht,

procureur mr. T.P. Grünbauer,

9. [gedaagde 9],

wonende te Utrecht,

procureur mr. A.D.J. van Ruyven,

g e d a a g d e n.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

[…]

2. De feiten

1.1. Op 14 juli 1996 en op tijdstippen gelegen in de periode van 1 augustus tot en met 2 augustus 1996 heeft een aantal kinderen en volwassenen vernielingen gepleegd in de woning van Mitros (voorheen geheten het Woningbedrijf Utrecht), gelegen aan de Zilvergeldstraat […]te Utrecht. Doel van de vernielingen was het onbewoonbaar maken van de woning, zodat er geen zigeunerfamilie in kon trekken.

2.2. De betrokken kinderen waren […].

2.3. […]

2.4. De vernielingen van de woning aan de Zilvergeldstraat op 14 juli 1996 hielden onder meer in het vernielen van ruiten, toiletpot, wasbakken, spiegel en het kapottrappen van de voordeur. In de periode van 1 tot en met 2 augustus 1996 is de voordeur ingetrapt en zijn een of meer buiten- en binnenmuren kapotgeslagen, is het plafond van een of meer ruimtes kapotgeslagen, de vloer van een of meer ruimtes kapotgeslagen, het keukenblok kapotgeslagen, een trap in brand gestoken, een groot aantal dakpannen verwijderd en/of kapotgegooid en de aanhorige schuur/

schuurdeur/een of meer muren daarvan/het dak van de schuur kapotgeslagen/ingeslagen.

2.5. Genoemde kinderen en voorts [gedaagde 8] en [gedaagde 9]zijn terzake van het vernielen van de woning strafrechtelijk veroordeeld wegens het medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen/vernielen. [gedaagde 8] en [gedaagde 9]zijn alleen veroordeeld voor de vernielingen gepleegd in de periode van 1 tot en met 2 augustus 1996.

3. de vordering en het verweer

De vordering van Mitros, zoals gewijzigd bij conclusie van repliek, strekt ertoe dat de rechtbank, voorzoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. gedaagden sub 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 zowel in persoon als hoofdelijk, zal veroordelen tot betaling van de door Mitros geleden schade ad f 80.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 augustus 1996 tot de dag van algehele voldoening en gedaagden sub 8 en 9 zowel in persoon als hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de door Mitros in de periode van 1 en 2 augustus 1996 geleden schade ad f 69.906,59, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 augustus 1996 tot de dag van algehele voldoening, des dat de één één van beide genoemde bedragen betaalt, de ander zal zijn bevrijd;

b. gedaagden sub 1 tot en met 9 zowel persoonlijk als hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van f 15.090,-- terzake van kosten, des dat de een betaalt de ander zal zijn bevrijd;

c. althans een zodanige beslissing zal nemen als de rechtbank in goede justitie meent te behoren;

d. met veroordeling van gedaagden zowel in persoon als hoofdelijk in de kosten van deze procedure, des dat de een betaalt de ander zal zijn bevrijd.

Daartegen is door gedaagden sub 2, 5, 6, 8 en 9 verweer gevoerd met conclusie de vordering van Mitros af te wijzen, met veroordeling van Mitros in de kosten van dit geding.

4. De beoordeling

In de zaak tussen Mitros en [gedaagde 2]

4.1. en 4.2 […]

Aansprakelijkheid van [gedaagde 2]

4.3. Door [gedaagde 2] is voorts aangevoerd dat zij niet voor de volledige schade kan worden aangesproken, maar uitsluitend voor de door haar zoon [kind 2] zelf toegebrachte beschadigingen/vernielingen. Om het oorzakelijk verband vast te kunnen stellen tussen de onrechtmatige daad van [kind 2] en de schade is volgens [gedaagde 2] overlegging van alle stukken uit de strafzaak van belang. Mitros was daartoe evenwel niet bereid.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Voorop moet worden gesteld dat waar [gedaagde 2] er over klaagt dat zij niet de stukken van de strafzaak van [kind 2]van Mitros heeft gekregen dan wel dat Mitros niet alle stukken van de strafzaak in het geding heeft gebracht, dit voor rekening van [gedaagde 2] dient te blijven. Het moge zo zijn dat [gedaagde 2], zoals zij stelt, er niet is geslaagd om die stukken bij de voormalige raadsman van [kind 2]te verkrijgen, dat neemt niet weg dat de stukken bij de rechtbank respectievelijk het parket opgevraagd hadden kunnen worden. Reeds hierom kan van Mitros niet worden verlangd dat zij het volledige strafdossier in het geding brengt. Een en ander leidt ertoe dat de rechtbank bij de beoordeling van de vordering uit zal gaan van de door Mitros in het geding gebrachte gegevens omtrent de strafzaak tegen [kind 2].

4.4. Mitros baseert haar vordering op artikel 6:166 BW in combinatie met artikel 6:169 lid 1 BW. Dit betekent dat, nu [kind 2] ten tijde van de vernielingen nog niet de leeftijd van veertien jaar had bereikt, onderzocht moet worden of [kind 2] alleen kan worden verweten zich niet te hebben onttrokken aan het groepsoptreden, aangezien het enkele zich niet onttrekken niet is een als een doen te beschouwen gedraging in de zin van artikel 6:169 lid 1 BW. Tussen partijen staat vast -en zulks blijkt ook uit de door Mitros overgelegde aantekening mondeling vonnis en de dagvaarding in de strafzaak tegen [kind 2]- dat [kind 2] de vernielingen van de woning aan de Zilvergeldstraat op 14 juli 1996 en 1/2 augustus 1996 mede heeft veroorzaakt. Sprake was derhalve van actief handelen van [kind 2]. Eveneens kan gelet op hetgeen partijen over en weer -Mitros onder overlegging van producties- hebben aangevoerd, als vaststaand worden aangenomen dat de vernielingen zijn gepleegd in groepsverband en dat [kind 2] deel uitmaakte van de betrokken groep. De stelling van [gedaagde 2] dat van groepsaansprakelijkheid slechts sprake kan zijn indien alle leden van de groepen worden aangesproken, vindt geen steun in het recht. Dat aan de overige vereisten van artikel 6:166 jo. 6:169 lid 1 BW is voldaan, heeft [gedaagde 2] niet (gemotiveerd) betwist, zodat zij in beginsel (hoofdelijk) aansprakelijk kan worden gehouden voor de door Mitros gestelde schade.

4.5. Wat de schade aan de woning betreft heeft [gedaagde 2] erkend dat deze schade een bedrag van f 80.000,-- beloopt. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, door Mitros gesteld op 10% van de hoofdsom, zijn op zichzelf voor toewijzing vatbaar, nu deze kosten op grond van de stellingen van Mitros geacht kunnen worden in redelijkheid te zijn gemaakt. De rechtbank zal de vordering op dit punt echter tot een verminderd bedrag van f 4.460,-- toewijzen. Dit bedrag is berekend overeenkomstig het incassotarief van de Nederlandse Orde van Advocaten, waarop krachtens het bepaalde in artikel 57 lid 6 Rv. een vermindering is toegepast ter zake van het aandeel dat, in de opbouw van dat tarief, in redelijkheid geacht kan worden een vergoeding voor de gerechtelijke kosten in te houden.

De in de strafzaak terzake van de voeging benadeelde partij gemaakte advocaatkosten ad f 2.800,-- komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu Mitros (Woningbedrijf Utrecht) had kunnen voorzien dat zij gezien het feit dat [kind 2] ten tijde van de vernielingen nog niet de leeftijd van veertien jaar had bereikt en gelet op het bepaalde in artikel 6:164 BW, in haar schadevergoedingsvordering niet-ontvankelijk zou worden verklaard.

De door Mitros gevorderde vergoeding van interne administratiekosten, door haar begroot op 3% van de hoofdsom (= f 2.400,--), kan wel worden toegewezen, omdat deze kosten de rechtbank niet bovenmatig voorkomen.

In de zaak tussen Mitros en [gedaagde 5]

4.6. Mitros baseert haar vordering jegens [gedaagde 5] op artikel 6:166 BW in combinatie met artikel 6:169 lid 2 BW. [gedaagde 5] heeft ten verwere aangevoerd dat haar niet kan worden verweten dat zij de gedragingen van haar zoon [kind 4], ten tijde van de vernielingen vijftien jaar oud, niet heeft belet. Zij heeft erop gewezen dat de vernielingen hebben plaatsgevonden in een vakantieperiode overdag en vroeg in de avond, en dat [kind 4] op eigen houtje en buiten medeweten van zijn moeder bezig is geweest. Het gezin [gedaagde 5] genoot met vier kinderen toen een uitkering op bijstandsniveau. De opvoedingssituatie van [kind 4] was niet als goed te kwalificeren. [gedaagde 5] was onvoldoende in staat om [kind 4] de nodige grenzen aan te leren. Om die reden trok, zoals [gedaagde 5] stelt, al vroeg zijn eigen plan en onttrok hij zich aan de regels van [gedaagde 5].

4.7. Nu Mitros deze door [gedaagde 5] gestelde feiten en omstandigheden bij gebrek aan wetenschap heeft betwist, [gedaagde 5] haar stellingen (nog) niet nader met bewijsstukken heeft onderbouwd en gelet op het bepaalde in artikel 6:169 lid 2 BW de aangesproken ouder het disculpatiebewijs zal dienen te leveren, wordt [gedaagde 5] in de gelegenheid gesteld feiten en omstandigheden te be-wijzen, op grond waarvan kan worden aangenomen dat [gedaagde 5] niet kan worden verweten dat zij de vernielingen door [kind 4] niet heeft belet.

4.8. Bespreking van de overige weren van [gedaagde 5] zal worden aangehouden.

In de zaken tussen Mitros en [gedaagde 6] en tussen Mitros en [gedaagde 8]

4.9. [gedaagde 6] en [gedaagde 8] hebben blijkens hun stellingen geen verweer gevoerd tegen de door Mitros aan haar vordering ten grondslag gelegde groepsaansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW, zodat in beginsel van aansprakelijkheid van [gedaagde 6] en [gedaagde 8] kan worden uitgegaan. [gedaagde 6] en [gedaagde 8] hebben evenwel, onder verwijzing naar artikel 6:101 BW, aangevoerd dat Mitros zelf schuld heeft aan het ontstaan van de schade. Mitros heeft, naar [gedaagde 6] en [gedaagde 8] stellen, ten onrechte niet met de buurtbewoners overlegd over de komst van de nieuwe bewoners in de woning aan de Zilvergeldstraat. Mitros had kunnen voorzien dat de plaatsing fout zou gaan en heeft de vernielingen om die reden (deels) aan zichzelf te wijten. Bovendien zouden de vernielingen in augustus 1996 (de tweede periode) zich waarschijnlijk niet hebben voorgedaan, indien Mitros na de vernielingen in juli 1996 schadebeperkende maatregelen had genomen, zoals extra toezicht op de woning en/of overleg met de buurt om zodoende de acceptatie van de nieuwe bewoners te vergroten. Tenslotte dient Mitros, gelet op haar schadebeperkingsplicht, te zoeken naar de goedkoopste schadeherstellers. Uit de door Mitros terzake overgelegde stukken blijkt volgens [gedaagde 6] en [gedaagde 8] niet dat Mitros dat heeft gedaan.

4.10. De rechtbank is van oordeel dat van eigen schuld aan de zijde van Mitros geen sprake is. De rechtbank is met Mitros van oordeel dat de daders, waaronder derhalve ook [gedaagde 6] en [gedaagde 8], zich onder alle omstandigheden hadden moeten weerhouden van het vernielen van de woning. In dit verband overweegt de rechtbank nog ten overvloede dat [gedaagde 6] en [gedaagde 8] ook geen feiten en omstandigheden hebben gesteld op grond waarvan aannemelijk is dat Mitros de extreme reactie -immers bestaande uit de nagenoeg gehele vernieling van de woning- op de komst van de nieuwe buurtbewoners kon voorzien. [gedaagde 6] en [gedaagde 8] hebben voorts niet betwist dat Mitros na de eerste vernielingen in juli 1996 schadebeperkende maatregelen heeft getroffen, bestaande uit het met schotten dichttimmeren van de woning, maar dat direct nadat het woningbedrijf was weggegaan de woning weer werd opgebroken. De rechtbank is, anders dan [gedaagde 6] en [gedaagde 8], van oordeel dat Mitros aldus in voldoende mate aan haar schadebeperkingsplicht heeft voldaan. Dat de getroffen maatregelen niet afdoende zijn gebleken doet daaraan niet af.

4.11. Op de uiteenzetting door Mitros bij conclusie van repliek over haar schadeberekening is door [gedaagde 6] en [gedaagde 8] niet nader gereageerd, zodat de rechtbank het ervoor houdt dat [gedaagde 6] en [gedaagde 8] hun verweer in zoverre hebben laten varen. Dit leidt tot de conclusie dat de door Mitros van [gedaagde 6] respectievelijk [gedaagde 8] gevorderde hoofdsommen kunnen worden toegewezen. Tegen de overige schadeposten (kosten voeging benadeelde partij in de strafzaak, buitengerechtelijke incassokosten en adminstratiekosten) hebben [gedaagde 6] en [gedaagde 8] geen verweer gevoerd. Deze posten zijn derhalve toewijsbaar, met dien verstande dat de rechtbank aanleiding ziet de buitengerechtelijke incassokosten te matigen als hiervoor onder 4.5. overwogen. Voor [gedaagde 8] geldt daarbij nog dat, gelet op de lagere hoofdsom, de incassokosten verder gematigd zullen worden en wel tot een bedrag van f 3.955,33. Ook de gevorderde interne administratiekosten ad 3% van de hoofdsom dienen in dit licht te worden herberekend en komen daarmee op

f 2.097,20.

In de zaak tussen Mitros en [gedaagde 9]

4.12. [gedaagde 9] heeft zich tegen de -op groepsaansprakelijkheid ex artikel 6:166 BW- gebaseerde vordering van Mitros verweerd met de stelling dat hij alleen kan worden aangesproken van dat deel van de schade dat door hem is veroorzaakt. [gedaagde 9] stelt slechts een drietal balken, die voorheen een deel van het kozijn van de desbetreffende woning vormden, te hebben vernield. Daarnaast heeft hij een ruit vernield. De woning was op 1/2 augustus 1996 reeds grotendeels gesloopt en [gedaagde 9] was, naar hij stelt, bij die vernielingen niet betrokken. [gedaagde 9] heeft voorts aangevoerd aan dat hij evenmin voor de na zijn aanwezigheid in de woning gepleegde vernielingen aansprakelijk kan worden gehouden, nu hij ook daarbij niet betrokken was.

4.13. De rechtbank stelt voorop dat Mitros haar vordering jegens [gedaagde 9] heeft beperkt tot de vernielingen gepleegd in de periode 1/2 augustus 1996. Uit de door Mitros overgelegde verklaring die [gedaagde 9] bij de politie heeft afgelegd (productie 13 bij conclusie van repliek) blijkt voldoende duidelijk dat toen sprake was van vernielingen in groepsverband en dat [gedaagde 9] daarbij betrokken was. In beginsel is juist de stelling van [gedaagde 9] dat hij uitsluitend aangesproken kan worden voor schade die gedurende de tijd van zijn deelneming door het desbetreffende groepsoptreden is toegebracht, en dus in beginsel niet voor schade veroorzaakt voor het moment waarop hij ging deelnemen, respectievelijk na het moment van beëindiging van zijn deelneming. Wat de vernielingen in de periode voor de deelneming van [gedaagde 9] betreft, is de rechtbank evenwel van oordeel dat [gedaagde 9] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de woning toen reeds grotendeels was gesloopt. Uit zijn eerder genoemde verklaring bij de politie

blijkt dat laatste in ieder geval niet en [gedaagde 9] heeft zijn stelling overigens niet nader met feiten en omstandigheden onderbouwd. Waar het gaat om de vernielingen in de periode waarin [gedaagde 9] stelt niet meer aan het groepsoptreden te hebben deelgenomen, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de verklaring van [gedaagde 9] bij de politie blijkt dat hij zowel op 1 als op 2 augustus 1996 de woning heeft beschadigd. Op 1 augustus was sprake van een groepsoptreden waarbij [gedaagde 9] betrokken was. Dat dat ook het geval was op 2 augustus blijkt echter niet zonder meer uit zijn verklaring. Nadat de woning op 1 augustus 1996 was afgedicht met platen, heeft [gedaagde 9] immers volgens zijn verklaring de volgende dag met een pikhouweel een gat in hout geslagen waarmee de woning was afgedicht. Daarbij stond een aantal mensen te kijken. Vervolgens heeft hij de pikhouweel teruggegeven aan [gedaagde 4]. Gelet op een en ander is de rechtbank van oordeel dat voorzover aangenomen zou moeten worden dat [gedaagde 9] op een zeker moment is teruggetreden en dat daarna nog (grootschalige) vernielingen hebben plaatsgevonden, zijn gedragingen -de rechtbank doelt hier in het bijzonder op het slaan met de pikhouweel- in ieder geval hebben bijgedragen aan het ontstaan van een ontwikkeling die tot die latere vernielingen heeft geleid. Om die reden kan [gedaagde 9] ook voor de uit die latere vernielingen voortvloeiende schade aansprakelijk worden gehouden.

4.14. [gedaagde 9] heeft voorts de hoogte van de door Mitros gevorderde schade bestreden. Anders dan [gedaagde 9] meent heeft Mitros, gelet op haar producties 10 en 11 -bij respectievelijk conclusie van eis en repliek- haar schade voldoende onderbouwd. Voor voordeelstoerekening op grond van artikel 6:100 BW zoals door [gedaagde 9] bepleit (aftrek "nieuw voor oud") is reeds gelet op de aard van de aansprakelijkheid (opzettelijke vernielingen waarvoor een strafrechtelijke veroordeling is gevolgd) geen plaats. Tenslotte komen ook de gevorderde buitengerechtelijke kosten en de administratiekosten voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen in de rechtsoverwegingen 4.5. en 4.11. is overwogen. Gelet op de hoofdsom is een lager bedrag aan buitengerechtelijke kosten -f 3.955,33- en een lager bedrag aan adminstratiekosten -f 2.097,20- toewijsbaar. Waar het gaat om de kosten die zijn gemaakt om in de strafzaak schadevergoeding te vorderen -in welke vordering Mitros (Woningbedrijf

Utrecht) niet-ontvankelijk is verklaard vanwege omdat deze niet van voldoende eenvoudige aard was- kan niet worden gezegd dat deze uitkomst in die mate voorzienbaar was dat Mitros

(Woningbedrijf Utrecht) de vordering tegen beter weten heeft ingesteld. De desbetreffende kosten zijn derhalve wel vergoedbaar.

4.15. [gedaagde 9] heeft tenslotte gesteld dat Mitros ten onrechte niet uit de doeken heeft gedaan of zij BTW kan verrekenen. De rechtbank zal deze kwestie in het midden laten, nu daarvoor -in alle zaken- in het dictum een voorziening zal worden getroffen.

In de zaak tussen Mitros en [gedaagde 1]

4.16. Tegen de niet verschenen [gedaagde 1] is verstek verleend. De rechtbank zal, ondanks het bepaalde in artikel 134 lid 4 Rv. bij de beoordeling uitgaan van de bij conclusie repliek gewijzigde vordering van Mitros, nu het hier geen inhoudelijke maar

slechts een redactionele wijziging betreft.

4.17. De vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor zodat deze kan worden toegewezen, met dien verstande dat de de buitengerechtelijke incassokosten dienen te worden gematigd tot een bedrag van f 4.460,--. Verwezen wordt daartoe naar hetgeen in rechtsoverweging 4.5. is overwogen. De in de strafzaak terzake van de voeging benadeelde partij gemaakte advocaatkosten ad f 2.800,-- komen niet voor vergoeding in aanmerking nu Mitros (Woningbedrijf Utrecht) had kunnen voorzien dat zij gezien het feit dat [kind 1] ten tijde van de vernielingen nog niet de leeftijd van veertien jaar had bereikt en gelet op het bepaalde in artikel 6:164 BW, in haar schadevergoedingsvordering niet-ontvankelijk zou worden verklaard. Ook op dit punt wordt verwezen naar rechtsoverweging 4.5.

In de zaken tussen Mitros en [gedaagde 3], tussen Mitros en [gedaagde 4] en tussen Mitros en [gedaagde 7]

4.18. Ter rolle van 15 maart 2000 is tegen bovengenoemde gedaagden akte van niet dienen verleend. De vordering van Mitros is, als onweersproken en op de wet gegrond, toewijsbaar, met dien verstande dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden gematigd als in rechtsoverweging 4.5. overwogen, en dat, wat betreft de zaken tussen Mitros en [gedaagde 3] en [gedaagde 4] de in de strafzaak terzake van de voeging benadeelde partij gemaakte advocaatkosten ad f 2.800,-- niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu uit het door Mitros overgelegde strafvonnis van [gedaagde 4] niet blijkt dat Mitros (Woningbedrijf Utrecht) een schadevergoedingsvordering heeft ingediend.

In alle zaken, met uitzondering van de zaak tussen Mitros en [gedaagde 5]

4.19. Gedaagden sub 1 t/m 4 en 6 t/m 9 zullen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. Veroordeelt de gedaagden sub 1, 2, 3, 4, 6 en 7 zowel in persoon als hoofdelijk tot betaling aan Mitros van een bedrag van f 80.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 augustus 1996 tot de dag van algehele voldoening, en gedaagden sub 8 en 9 zowel in persoon als hoofdelijk tot betaling van een bedrag van f 69.906,59, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 augustus 1996 tot de dag van algehele voldoening, des dat de één één van beide genoemde bedragen betaalt, de ander zal zijn bevrijd;

5.2. Veroordeelt terzake van kosten zowel in persoon als hoofdelijk de gedaagden sub 1, 2, 3, 4 tot betaling aan Mitros van een bedrag van f 6.860,--, gedaagde sub 6 en 7 tot betaling aan Mitros van een bedrag van f 9.660,--, gedaagde sub 8 en 9 tot betaling aan Mitros van een bedrag van f 8.852,53, voornoemde bedragen vermeerderd met de BTW voorzover zij bestaan uit buitengerechtelijke incassokosten en de in de strafzaak gemaakte advocaatkosten, en voorzover die BTW voor Mitros geen verrekenpost vormt, des dat de één betaalt de ander zal zijn bevrijd;

5.3. Veroordeelt de gedaagden sub 1, 2, 3, 4, 6, 7, 8, en 9 zowel in persoon als hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van Mitros gevallen, tot op deze uitspraak begroot op

f 2.634,27, aan verschotten en op f 2.200,-- aan salaris, des dat de één betaalt de ander zal zijn bevrijd;

5.4. Verklaart de hiervoor onder 5.1. tot en met 5.3. genoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.5. Laat gedaagde sub 5 toe tot het leveren van het bewijs als bedoeld in rechtsoverweging 4.7.;

5.6. Bepaalt dat, als gedaagde sub 5 het bewijs door middel van getuigen wil leveren, de getuigenverhoren zullen worden gehouden voor het lid van deze rechtbank mr. E.A. Messer op […], in het gebouw van deze rechtbank, Vrouwe Justitiaplein nr. 1 te Utrecht;

5.7. Bepaalt dat de partij die op dit tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de secretaresse […] van mr. E.A. Messer om een nadere dagbepaling dient te vragen, zulks onder opgave van verhinderdata van beide partijen;

5.8. Houdt iedere verdere beslissing in de zaak tussen Mitros en gedaagde sub 5 aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 1 november 2000.