Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2000:AA8452

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
Kort-gedingnr. 121398/KG ZA 00-1000
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2001, 5637
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

VONNIS van de president van de

arrondissementsrechtbank te Utrecht

in het kort geding van:

[eiseres in conventie],

wonende te Amersfoort,

handelende onder de naam

CLARA RUIZENDAAL INSTITUUT,

e i s e r e s in conventie,

g e d a a g d e in (voorwaardelijke) reconventie,

procureur: mr. A.A.S. Smulders,

- t e g e n -

1. [gedaagde sub 1],

wonende te Amersfoort,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te Eemnes,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te Amersfoort,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te Amersfoort,

5. [gedaagde sub 5],

wonende te Amersfoort,

g e d a a g d en in conventie,

e i s e r s in (voorwaardelijke) reconventie,

procureur: mr. F.J.A. Bus,

advocaat : mr. M.G. van der Vliet-Blokziel te Almere,

alsmede

6. [gedaagde sub 6]

wonende te Amsterdam,

g e d a a g d e in conventie,

VERSCHENEN IN PERSOON.

1. Het verloop van de gedingen

Eiseres in conventie, hierna te noemen: [eiseres in conventie], heeft gedaagden in conventie in kort geding doen dagvaarden. De gedaagden in conventie zullen hierna allen gezamenlijk worden aangeduid als: gedaagden, en afzonderlijk als respectievelijk [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4], [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6], terwijl de gedaagden sub 1 tot en met sub 5 ook gezamenlijk als de vijf gedaagden worden aangeduid.

Nadat de behandeling van de zaak was bepaald op 19 oktober 2000 en tegen die datum was gedagvaard, is op verzoek van partijen de behandeling aangehouden en deze is vervolgens nader bepaald op 6 november 2000, tegen welke datum opnieuw is gedagvaard.

Ter terechtzitting van laatstgenoemde datum heeft [eiseres in conventie] van eis geconcludeerd overeenkomstig de inhoud van de gelijkluidende exploten van dagvaarding, waarvan er één in fotokopie aan dit vonnis is gehecht.

[eiseres in conventie] heeft vervolgens bij monde van haar procureur haar vordering doen toelichten mede aan de hand van een overgelegde pleitnota en van op voorhand toegezonden producties. Bij die gelegenheid heeft zij aanvankelijk bezwaar gemaakt tegen de door de vijf gedaagden toegezonden producties, doch dit bezwaar heeft zij later ingetrokken. Voorts heeft zij te kennen gegeven haar eis te willen vermeerderen, doch de vijf gedaagden hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Op dit bezwaar zal worden beslist zoals hierna onder 3.1 zal worden vermeld.

De vijf gedaagden hebben hierop bij monde van hun advocaat in de eerste plaats verweer doen voeren tegen de vordering van [eiseres in conventie] mede aan de hand van een overgelegde pleitnotitie en van op voorhand toegezonden producties. Vervolgens hebben zij, voor het geval zoals hierna onder 3.5 nader omschreven, een eis in reconventie ingesteld die hierna onder 3.23 kort wordt weergegeven.

[gedaagde sub 6] heeft in persoon verweer gevoerd tegen de vordering van [eiseres in conventie].

[eiseres in conventie] heeft daarop verweer doen voeren tegen de reconventionele vordering van de vijf gedaagden.

Na voortgezet debat, waarbij ook enige inlichtingen zijn verschaft door [eiseres in conventie] in persoon en door [gedaagde sub 2] in persoon, hebben partijen zowel in het geding in conventie als in het geding in (voorwaardelijke) reconventie vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

In de beide gedingen

2.1. [eiseres in conventie] voert een praktijk voor alternatieve geneeswijzen onder de naam Clara Ruizendaal Instituut, hierna ook aan te duiden als de praktijk ofwel de onderneming.

2.2. Gedaagden zijn voor bepaalde tijd of voor onbepaalde tijd bij [eiseres in conventie] in dienst getreden onder meer als assistent-therapeut.

2.3. In de arbeidsovereenkomst van ieder van gedaagden zijn onder meer de volgende, steeds gelijkluidende bedingen opgenomen:

"9. Geheimhouding

Art. 9.1

De werknemer verplicht zich om zowel tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst bij werkgeefster als na beëindiging hiervan zich te onthouden van het doen van enige mededelingen aan derden, in welke vorm dan ook, hetzij direct hetzij indirect aangaande enige bijzonderheid over het bedrijf van werkgeefster of die van aan haar gelieerde maatschappijen ...

11. Concurrentiebeding

Art. 11.1

Het is de werknemer gedurende een periode van 3 jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet toegestaan in Nederland, al dan niet tegen betaling, voor eigen rekening of voor rekening van derden, werkzaam te zijn op een terrein, gelijk aan of anderszins concurrerend met dat van de werkgeefster of op welke wijze dan ook betrokken te zijn bij werkzaamheden op zodanig terrein, tenzij werkgeefster voorafgaande schriftelijk toestemming aan de werknemer heeft verleend.

12. Boetebepaling

Art. 12.1

Bij handelen of nalaten door werknemer in strijd met zijn verplichtingen krachtens de artikelen 9, 10 en 11 van deze overeenkomst verbeurt de werknemer aan werkgeefster een direct opeisbare boete van ( 25.000,00, te vermeerden met ( 1.000,00 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, zulks voorzover werkgeefster geen beroep doet op haar recht op de werkelijke door haar geleden schade op de werknemer te verhalen."

2.4. Het dienstverband van [gedaagde sub 5] is inmiddels geëindigd op 30 september 2000, dat van [gedaagde sub 3] op 31 oktober 2000 en dat van [gedaagde sub 2] op 21 november 2000.

2.5. De onderneming van [eiseres in conventie] is in financiële moeilijkheden geraakt.

2.6. [eiseres in conventie] heeft ten behoeve van de onderneming de volgende bedragen geleend van enkelen van gedaagden:

- f. 35.000,-- van [gedaagde sub 1] op 1 augustus 1999. Deze lening is vastgelegd in een overeenkomst, die is ondertekend op 18 januari 2000.

- f. 267.442,-- van [gedaagde sub 2] en haar echtgenoot. Deze lening is vastgelegd in een akte van geldlening, verleden voor mr. W.A. van der Sluis-Bont, notaris te Eemnes, op 16 maart 2000.

- f. 50.000,-- en f. 10.000,-- van [gedaagde sub 5] op 1 december 1999 respectievelijk 29 februari 2000. Deze lening is vastgelegd in een overeenkomst, die op 1 maart 2000 is ondertekend.

- f. 30.000,-- van [gedaagde sub 4] op 29 januari 1999. Deze lening is vastgelegd in een brief van 30 januari 1999 van [eiseres in conventie] aan [gedaagde sub 4].

- f. 40.000,-- van [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] gezamenlijk op 21 maart 2000. Deze lening is vastgelegd in een brief van 21 maart 2000 van [eiseres in conventie] aan [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5].

In de genoemde overeenkomsten en brieven staat onder meer vermeld dat de leningen zullen worden aangewend "om diverse schulden te voldoen" dan wel "ter aflossing van een aantal crediteuren van het Clara Ruizendaal Instituut".

2.7. In de laatste week van augustus 2000, week 35, zijn de problemen in de praktijk geëscaleerd.

2.8. Op 4 september 2000, de eerste werkdag van week 36, hebben [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 6] zich ziek gemeld. [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] hebben zich na terugkeer van hun vakantie op 18 september 2000 eveneens ziek gemeld.

2.9. In oktober 2000 hebben de vijf gedaagden tezamen met de echtgenoot van [gedaagde sub 2] deze rechtbank verzocht [eiseres in conventie] en haar onderneming in staat van faillissement te verklaren.

3. De geschillen en hun beoordeling

In conventie

3.1. De vijf gedaagden hebben bezwaar gemaakt tegen de door [eiseres in conventie] gewenste vermeerdering van haar eis. Zij hebben echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij door die vermeerdering zozeer in hun verdediging zijn bemoeilijkt dat die vermeerdering aan [eiseres in conventie] moet worden ontzegd. Het bezwaar van de vijf gedaagden wordt daarom afgewezen. De vermeerderde eis wordt hierna onder 3.2 vermeld.

3.2. Voor de volledige inhoud en de grondslagen van de vordering wordt verwezen naar de aangehechte dagvaarding. Kort weergegeven houdt de vordering ten aanzien van ieder van de gedaagden in dat zij:

(i) de overtreding van het concurrentiebeding en/of het geheimhoudingsbeding zullen staken; dan wel

(ii) het onrechtmatig handelen jegens [eiseres in conventie] dan wel een handelen in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt jegens haar zullen staken; dan wel

(iii)de gedragingen zullen staken die in strijd zijn met wat een goed werknemer behoort te doen en na te laten.

Voorts wordt gevorderd dat gedaagden met uitzondering van [gedaagde sub 2] ieder als voorschot op een vergoeding van de schade, die [eiseres in conventie] in week 35 stelt te hebben geleden, het bedrag zullen betalen dat onder punt 13 in het lichaam van de dagvaarding voor ieder van hen staat vermeld.

Verder vordert [eiseres in conventie] dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ieder een bedrag van f. 25.000,-- zullen betalen als boete voor de door haar gestelde (daadwerkelijke) overtreding van het concurrentiebeding.

Ten slotte heeft [eiseres in conventie] bij vermeerdering van eis gevorderd, ten eerste, dat zij op grond van schuldeisersverzuim bevrijd zal zijn van haar verplichtingen jegens gedaagden, te weten het betalen van de salarissen en het terugbetalen van de geleende bedragen, en voorts dat zij hetgeen zij aan gedaagden nog verschuldigd zou zijn, mag verrekenen met wat zij van hen nog te vorderen heeft.

3.3. De overige stellingen van [eiseres in conventie] en het verweer van de vijf gedaagden en van [gedaagde sub 6] komen in het volgende voor zoveel nodig aan de orde. Daarbij zal het verweer dat [gedaagde sub 6] in persoon heeft gevoerd en dat uitsluitend inhoudelijk van aard is, niet afzonderlijk worden behandeld, aangezien dit verweer op het zelfde neerkomt als het door de vijf gedaagden gevoerde inhoudelijke verweer.

3.4. Als meest vérstrekkend verweer voeren de vijf gedaagden aan dat [eiseres in conventie] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, omdat deze vordering, kort gezegd, niet in kort geding kan worden behandeld. Dit verweer wordt verworpen. In een kort geding gaat het om het treffen van een voorlopige voorziening, waarbij de wettelijke bewijsregels toepassing missen, zodat een zaak niet reeds van behandeling in kort geding is uitgesloten op de enkele grond dat voor de bewijsvoering getuigenverhoor nodig is. De kans van slagen van de vordering in een eventuele bodemprocedure is niet voor iedere voorziening in kort geding relevant en kan, waar nodig, niet dan na een inhoudelijke beoordeling worden ingeschat.

3.5. Nu de zaak inhoudelijk aan de orde komt, moet een onduidelijkheid in het verweer van de vijf gedaagden worden opgehelderd. De reconventionele vordering is in alle onderdelen ingesteld voor het geval dat de zaak (inhoudelijk) zal worden behandeld, doch deze vorderingen zijn vervat in het subsidiaire verweer, dat noodzakelijkerwijze eerst aan de orde komt indien het primaire verweer faalt. Nu het primaire verweer de conventie betreft en inhoudt, voor zover thans nog van belang, dat de vordering van [eiseres in conventie] zal worden afgewezen, zal de reconventionele vordering aldus worden begrepen dat deze wordt ingesteld ingeval de conventionele vordering van [eiseres in conventie] zal worden toegewezen. Dit strookt ook met de formulering van hetgeen in de reconventionele vordering ten aanzien van alle eisers onder punt 1 is gevorderd.

3.6. Inhoudelijk moet in deze zaak allereerst ten aanzien van alle gedaagden de vraag worden beantwoord of zij het overeengekomen concurrentiebeding hebben overtreden. Het staken daarvan wordt immers jegens alle gedaagden gevorderd, hoewel in de stellingen slechts ten aanzien van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van een daadwerkelijke overtreding van dit beding wordt uitgegaan.

3.7. Op dit punt moet worden geoordeeld dat voor toepassing van het concurrentiebeding geen plaats is, nu dit beding zijn werking eerst verkrijgt na het einde van het dienstverband en de beweerde overtredingen ervan in augustus dan wel september 2000 zouden hebben plaatsgevonden, toen geen van de dienstbetrekkingen van gedaagden nog was geëindigd. Het gevorderde staken van de overtreding van dit beding is aldus jegens geen van gedaagden voor toewijzing vatbaar.

3.8. Vervolgens moet worden onderzocht of gedaagden het ingeroepen geheimhoudingsbeding hebben overtreden.

3.9. Voor dit beding geldt dat het mede van toepassing is gedurende het dienstverband. Op dit punt moet worden geoordeeld dat [eiseres in conventie] haar stelling dat gedaagden het bedoelde beding hebben overtreden, tegenover de gemotiveerde betwisting van die stelling door gedaagden, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. In de overgelegde verklaringen van derden zijn daarvoor onvoldoende aanknopingspunten te vinden, terwijl ook overigens niet of onvoldoende van een dergelijke overtreding is gebleken. Nu aldus zonder nader onderzoek, waarvoor in dit kort geding geen plaats is, niet kan worden nagegaan, of gedaagden mededelingen in strijd met hun geheimhoudingsplicht hebben gedaan, is de vordering op dit punt niet voor toewijzing vatbaar.

3.10. Dan komt de vraag aan de orde of gedaagden jegens [eiseres in conventie] onrechtmatig hebben gehandeld. Daaronder zal, gelet op artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek, mede worden verstaan een handelen in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. [eiseres in conventie] heeft ter zitting desgevraagd nader gesteld dat het onrechtmatige handelen volgens haar bestaat uit het samenstel van handelen door gedaagden aldus dat zij tegen [eiseres in conventie] hebben samengespannen met het oogmerk om het bedrijf heimelijk dan wel openlijk van haar over te nemen dan wel om daaraan schade toe te brengen.

3.11. Op dit punt geldt allereerst dat [eiseres in conventie] niet, althans onvoldoende, heeft betwist dat gedaagden ook daadwerkelijk arbeidsongeschikt zijn, zodat de collectieve ziekmelding niet als zodanig reeds een onrechtmatig handelen jegens [eiseres in conventie] inhoudt. Voorts heeft zij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat gedaagden op een wijze die als onrechtmatig moet worden aangemerkt, bezig waren met een poging het bedrijf over te nemen. Uit de verklaringen van partijen aan beide zijden is gebleken dat tussen [eiseres in conventie] en gedaagden de mogelijkheid van een overname van het bedrijf door de werknemers reeds eerder aan de orde was geweest en dat in dat kader over en weer voorstellen zijn gedaan. Ten slotte kan het aanvragen van het faillissement, ook afgezien van het feit dat elke schuldeiser daartoe in beginsel gerechtigd is, niet als onrechtmatig jegens [eiseres in conventie] worden beschouwd, nu uit de stellingen van [eiseres in conventie] zelf is gebleken dat de financiële situatie reeds eerder precair is geweest en dat er (opnieuw) betalingsmoeilijkheden waren - er zijn immers betalingsregelingen getroffen -, terwijl gedaagden aanzienlijke vorderingen op [eiseres in conventie] hebben. Nu aldus een onrechtmatig handelen van gedaagden onvoldoende aannemelijk geacht moet worden, is voor toewijzing van het gevorderde staken daarvan geen plaats.

3.12. Ten aanzien van de vraag of gedaagden zich hebben gedragen in strijd met hetgeen een goed werknemer betaamt, heeft [eiseres in conventie] met name gesteld dat gedaagden in week 35 hun plicht hebben verzuimd door vele behandelingen af te zeggen en zich voornamelijk bezig te houden met vergaderen om hun onrechtmatige acties jegens haar te organiseren.

3.13. Op dit punt wordt geoordeeld dat ook indien gedaagden in die week behandelingen hebben afgezegd, dit op zich zelf nog niet meebrengt dat zij hun contractuele verplichtingen niet zijn nagekomen. Gedaagden hebben op dit punt onder meer aangevoerd dat zij reeds lange tijd onder moeilijke omstandigheden en onder grote druk hadden gewerkt, hetgeen door [eiseres in conventie] niet of onvoldoende is betwist. Voorts stellen zij dat door bepaalde voorvallen en berichten (opnieuw) grote onzekerheid bij hen was ontstaan over de financiële situatie van de onderneming. Niet is gesteld of gebleken dat die onzekerheid ongegrond was. Onder deze omstandigheden en mede gelet op het feit dat gedaagden in de daaropvolgende week ziek zijn geworden, is het niet onredelijk of onbegrijpelijk dat zij in week 35 hun werk niet meer geheel naar behoren konden verrichten. Voor zover [eiseres in conventie] bedoeld heeft te stellen dat de ziekmeldingen zelf in strijd waren met de arbeidsverplichtingen van gedaagden, heeft zij, zoals hiervoor onder 3.11 reeds overwogen, niet of onvoldoende betwist dat gedaagden daadwerkelijk ziek zijn.

3.14. Uit het voorgaande volgt dat jegens alle gedaagden de vordering betreffende het staken van de hiervoor in 3.2 onder (i), (ii) en (iii) omschreven wijzen van optreden moet worden afgewezen.

3.15. Ten aanzien van de gevorderde bedragen inzake de in week 35 gederfde omzet en inzake de boete voor overtreding van het concurrentiebeding geldt dat de vordering op dit punt strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan aanleiding, als het bestaan (en de omvang) van de vordering in hoge mate aannemelijk is, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling - bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat.

3.16. Geoordeeld wordt dat het bestaan van de vordering op het punt van de gederfde omzet vooralsnog in onvoldoende mate aannemelijk is. [eiseres in conventie] heeft weliswaar gesteld dat een bepaalde omzet per week betreffende consulten en supplementen gebruikelijk is, doch zij heeft verder niets gesteld of overgelegd waaruit dit zou kunnen blijken. Voorts staat nog geenszins vast dat, indien inderdaad van een verminderde omzet sprake zou zijn, gedaagden daarvoor aansprakelijk zijn. Daartoe is mede van belang dat volgens het hiervoor gegeven oordeel onvoldoende aannemelijk is dat gedaagden onrechtmatig jegens [eiseres in conventie] hebben gehandeld of hun contractuele verplichtingen niet zijn nagekomen. Het is aldus niet in de vereiste mate waarschijnlijk dat de bodemrechter, indien zijn oordeel zou worden gevraagd, enig bedrag betreffende de omzet in week 35 zal toewijzen. De vordering moet op dit punt derhalve worden afgewezen.

3.17. Ter zake van de gevorderde boetebedragen geldt dat hiervoor onder 3.7 is geoordeeld dat er van een overtreding van het concurrentiebeding geen sprake kan zijn, zodat daarvoor ook geen boetes kunnen zijn verbeurd. De vordering dient op dit punt derhalve eveneens te worden afgewezen.

3.18. Ten slotte moet onderzocht worden of [eiseres in conventie], zoals zij heeft gevorderd, op grond van schuldeisersverzuim bevrijd geacht kan worden van haar betalingsverplichtingen jegens gedaagden dan wel, indien dat niet het geval is, of zij hetgeen zij aan gedaagden nog schuldig is, mag verrekenen met hetgeen zij van hen nog te vorderen heeft.

3.19. Geoordeeld moet worden dat van het door [eiseres in conventie] ingeroepen schuldeisersverzuim geen sprake kan zijn. Op [eiseres in conventie] als werkgever rust de verplichting om te zorgen dat zij ook bij arbeidsongeschiktheid van haar werknemers aan haar betalingsverplichtingen jegens hen kan voldoen. Zoals hiervoor onder 3.11 reeds is overwogen, heeft [eiseres in conventie] niet of onvoldoende betwist dat gedaagden daadwerkelijk arbeidsongeschikt zijn. Het gaat dan niet aan om de betalingsverplichtingen jegens hen op te schorten of, meer nog, beëindigd te achten op de grond dat de zieke werknemers hun werk niet meer verrichten. Dat is niet anders nu in dit geval (vrijwel) alle werknemers ziek zijn geworden. Zoals hiervoor in de diverse onderdelen reeds is overwogen, zijn gedaagden naar voorlopig oordeel noch in hun contractuele verplichtingen jegens [eiseres in conventie] noch in hun mogelijke andere verplichtingen jegens haar te kort geschoten. De financiële gevolgen van hun ziekte moeten dan voor rekening van [eiseres in conventie] blijven.

3.20. Het beroep van [eiseres in conventie] op verrekening, dat dan aan de orde komt, behoeft geen bespreking meer, nu de vorderingen die [eiseres in conventie] op gedaagden stelt te hebben, volgens het hiervoor onder 3.16 en 3.17 gegeven oordeel onvoldoende aannemelijk zijn.

3.21. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering in alle onderdelen zal worden afgewezen.

3.22. [eiseres in conventie] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van dit geding worden veroordeeld.

In (voorwaardelijke) reconventie

3.23. Voor het geval dat de vordering van [eiseres in conventie] in conventie zal worden toegewezen, hebben de vijf gedaagden ieder bepaalde bedragen van [eiseres in conventie] gevorderd uit hoofde van hun arbeidscontract en van hun aan [eiseres in conventie] verstrekte leningen. Voorts vorderen zij verrekening van deze bedragen met hetgeen zij volgens het oordeel in conventie aan [eiseres in conventie] moeten betalen. Ten slotte eisen zij dat [eiseres in conventie] geen negatieve uitlatingen over hen zal doen en niet op andere wijze onrechtmatig jegens hen zal handelen.

3.24. Uit het oordeel in conventie volgt dat zich niet het geval voordoet waarvoor de reconventionele vordering is ingesteld. Deze vordering behoeft derhalve geen bespreking meer.

4. De beslissing

De president:

in conventie:

4.1. wijst de vordering af;

4.2. veroordeelt [eiseres in conventie] in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de vijf gedaagden begroot op

f. 1.550,-- (éénduizend vijfhonderdvijftig gulden) voor salaris van hun procureur en op f. 400,-- (vierhonderd gulden) voor verschotten, en aan de zijde van [gedaagde sub 6] op f. 400,-- (vierhonderd gulden) voor verschotten;

4.3. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.M.E. van der Burg-van Geest, fungerend president, en is in het openbaar uitgesproken op

21 november 2000.