Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2000:AA8192

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-05-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
SBR 98/1425
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Reg. nr: SBR 98/1425

UITSPRAAK van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen:

Bete B.V., handelende onder de naam [handelsnaam], gevestigd te Zoeterwoude, e i s e r e s,

en

het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), gevestigd te Amsterdam, v e r w e e r d e r.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE.

Bij primair besluit van 18 december 1997 heeft verweerder eiseres op grond van artikel 16b van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de premies ingevolge de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Ziekenfondswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ten bedrage van f 5.178,00 ter zake van werkzaamheden die [onderaannemer]. te [vestigingsplaats] (hierna te noemen: [onderaannemer]) in 1994 voor eiseres in onderaanneming heeft verricht.

Namens eiseres is op 28 januari 1998 bij verweerder bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij besluit op bezwaar van 10 juni 1998 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 18 december 1997 ongegrond verklaard.

Namens eiser is tegen dat besluit op 14 juli 1998 beroep bij deze rechtbank ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld op 21 augustus 1998.

Bij brief van 20 november 1998 heeft verweerder de op het geding betrekking hebbende stukken, alsmede een verweerschrift ingezonden.

Op 15 en 16 september 1999 heeft verweerder de rechtbank nog een aantal stukken doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van 17 september 1999, alwaar eiseres is verschenen bij gemachtigde mr G.R. van der Plas, advocaat te Katwijk. Ter zitting heeft de gemachtigde nog nadere stukken overgelegd.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr F.A.Verhaart, juridisch medewerkster bij uitvoeringsinstelling GAK Nederland B.V.

De rechtbank heeft naar aanleiding van de nader ingekomen stukken de behandeling van het beroep ter zitting met toepassing van artikel 8:64 van de Awb geschorst.

Verweerder heeft bij schrijven van 4 oktober en 25 november 1999 nadere stukken aan de rechtbank ingezonden. Bij schrijven van 29 november 1999 heeft eiseres haar reactie op deze stukken aan de rechtbank doen toekomen waarop verweerder bij brief van 2 december 1999 nogmaals heeft gereageerd.

Het geding is vervolgens nader behandeld ter zitting van 7 april 2000.

Eiseres is op die zitting verschenen bij mr G.R. van der Plas, voornoemd en verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door P.R.H. Min, werkzaam op de afdeling Administratiefrechtelijke Afdoening, sector premieberoepszaken van de uitvoeringsinstelling GAK Nederland B.V.

2. OVERWEGINGEN.

De rechtbank beoordeelt het in dit geding aan de orde zijnde geschil aan de hand van de wetgeving en de daarop rustende bepalingen, zoals deze luidden ten tijde hier in geding.

Eiseres heeft blijkens de gedingstukken in het jaar 1994 in haar vleesverwerkend bedrijf werkzaamheden uitbesteed aan [onderaannemer], gevestigd te [vestigingsplaats]. Deze werkzaamheden bestonden uit het inpakken van vlees in kratten. [onderaannemer] heeft met betrekking tot haar werknemers die de voornoemde werkzaamheden hebben verricht niet aan haar verplichtingen tot het doen van loonopgaven voldaan.

Op 9 augustus 1996 heeft verweerder [onderaannemer] een premiebesluit gezonden met betrekking tot de voor haar in Nederland werkzame personen over de jaren 1994 en 1995. Niet is gebleken dat tegen dit besluit bezwaar, dan wel beroep is aangetekend. [onderaannemer] is in gebreke gebleven met het voldoen van deze door haar verschuldigde premies.

Naar aanleiding van het ‘rapport verhaalsonderzoek derde’ van 20 januari 1997 heeft verweerder eiseres hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor een bedrag van f 5.178,00 ter zake van premies die door [onderaannemer] verschuldigd zijn over het loon inzake de eerder genoemde werkzaamheden.

In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat [onderaannemer] niet aan haar verplichting tot het doen van loonopgave heeft voldaan en dat niet aannemelijk is dat de niet-betaling door [onderaannemer] van (voorschot)premies noch aan [onderaannemer] noch aan eiseres te wijten is aangezien eiseres niet heeft nagegaan of [onderaannemer] was aangesloten bij de uitvoeringsinstelling, geen bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel ter inzage is gevraagd en bij [onderaannemer] nooit inzicht is gevraagd in de schuldpositie ten opzichte van de uitvoeringsinstelling door middel van een verklaring inzake haar betalingsgedrag.

Eiseres stelt zich in beroep op het standpunt dat, mede gezien het aantal bedrijven dat gebruik heeft gemaakt van de diensten van [onderaannemer] elke verwijtbaarheid ontbreekt. Eiseres kende de regelgeving niet en is te goeder trouw geweest. Daarnaast heeft verweerder, bijvoorbeeld door het verstrekken van informatie, eiseres niet voor de malafide praktijken van [onderaannemer] gewaarschuwd.

Eiseres beroept zich voorts op de Overeenkomst van 20 september 1979 tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Poolse Volksrepubliek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen. Aangenomen dient te worden, aldus eiseres, dat ook premieheffing onder dit verdrag kan worden gebracht.

Eiseres is voorts van mening dat er geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen [onderaannemer] enerzijds en de Polen anderzijds. Met name was er geen sprake van het persoonlijk verrichten van arbeid.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge het eerste lid van artikel 16b van de CSV is de aannemer hoofdelijk aansprakelijk voor de premie en de voorschotpremie die de onderaannemer (…) verschuldigd is in verband met het verrichten van werkzaamheden door zijn werknemers ter zake van dat werk.

In het zesde lid van dit artikel is bepaald dat de aansprakelijkheid op grond van het eerste lid geldt niet met betrekking tot de premie of de voorschotpremie verschuldigd door een onderaannemer, indien aannemelijk is dat de niet-betaling door de onderaannemer noch aan hem noch aan een aannemer is te wijten.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de werkzaamheden die verband houden met de onderhavige aansprakelijkstelling, zijn verricht in Nederland door werknemers van een in Nederland gevestigde werkgever.

Uit verweerders schrijven van 16 september 1999 is gebleken dat [onderaannemer] in haar correspondentie met Nederlandse ondernemers gebruik maakte van een adres in Nederland en van een Nederlandse bankrekening. Uit onderzoek van de Belastingdienst is voorts gebleken dat de contacten met opdrachtgevers/inleners vooral werden onderhouden door Mw. [vennoot] die heeft verklaard vennoot van de onderneming te zijn en in die hoedanigheid in Nederland te verblijven. Zij heeft overeenkomsten van aanneming tussen inlenende bedrijven als rechtsgeldig vertegenwoordigster van [onderaannemer] ondertekend te [administratieplaats]. Te [administratieplaats] was ook het administratieadres van [onderaannemer] gevestigd. Gelet op het vorenstaande kan worden gezegd dat [onderaannemer] in Nederland was gevestigd of een nevenvestiging had.

Derhalve waren voor de werknemers in Nederland premies ingevolge de sociale-werknemersverzekeringswetten verschuldigd.

Eiseres heeft een beroep gedaan op de Overeenkomst van 20 september 1979 tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Poolse Volksrepubliek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen.

Artikel 2 van Hoofdstuk 1 van deze Overeenkomst voor zover hier van belang luidt als volgt.

Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is.

1. Deze overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van een van de Staten of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan.

2. Als belastingen naar het inkomen en het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of vanm het vermogen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belasting naar het bedrag van de door de ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdeing.

3. De bestaande belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn met name:

a) in Nederland:

de inkomstenbelasting

de loonbelasting

de vennootschapsbelasting

de dividendbelasting

de vermogensbelasting

b) in Polen

(…)

4. De overeenkomst is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van de Overeenkomst naast of in plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de Staten delen elkaar de wezenlijke wijzigingen die in hun onderscheiden belastingwetgevingen zijn aangebracht, mede.

Weliswaar is de bovenstaande in het derde lid opgenomen opsomming niet limitatief te achten, doch in gevolge het bepaalde in dit artikel mede gelet op de considerans van de Overeenkomst is de rechtbank van oordeel dat deze Overeenkomst niet van toepassing kan worden geacht op de premieheffing ingevolge de sociale verzekeringswetgeving. Evenmin kan dienaangaande worden gesproken van een gelijksoortige belasting als bedoeld in het vierde lid van artikel 2 van de Overeenkomst.

Het gegeven dat de Overeenkomst toepassing vindt ten aanzien van de heffing van belasting brengt voorts geen ongelijkheid van behandeling met zich mee nu verweerder een eigen - los van de fiscus staande - bevoegdheid in zake premieheffing heeft.

Eiseres heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen [onderaannemer] enerzijds en de Poolse werknemers van [onderaannemer] anderzijds. Met name was er geen sprake van het persoonlijk verrichten van arbeid.

Hieromtrent merkt de rechtbank eerstens op dat in dit geding niet de aan [onderaannemer] opgelegde premienota van 9 augustus 1996 aan de orde is, waarbij is beslist omtrent de door eiseres bedoelde verzekeringsplicht, doch verweerders besluit op bezwaar van 10 juni 1998.

Door of namens [onderaannemer] is de toegezonden premienota niet betwist. Dit premiebesluit is derhalve, vanwege het niet instellen van bezwaar en eventueel beroep daartegen, rechtens onaantastbaar geworden.

De rechtbank ziet in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van het thans bestreden besluit van 10 juni 1998, dat is gebaseerd op het voornoemde premiebesluit, onvoldoende aanleiding om niet van de juistheid van de door verweerder aangenomen verzekeringsplicht uit te gaan, nu van evidente onjuistheid daarvan niet is gebleken en eiseres geen (nieuwe) gegevens ter zake heeft aangedragen, die de rechtbank noodzaken van voormeld oordeel af te wijken. Hierbij merkt de rechtbank op dat blijkens het rapport ‘verhaalsonderzoek derden’ eiseres geen administratie heeft bijgehouden waaruit valt af te leiden welke arbeidskrachten door [onderaannemer] zijn ingeschakeld. Niet is gebleken dat de werkzaamheden niet in elk geval feitelijk persoonlijk zijn verricht als bedoeld in de artikelen 5 van de sociale zekerheidswetgeving juncto artikel 5 van de algemene maatregel van bestuur van 24 december 1986, Stb. 1986, 655.

Het is aan eiseres, gezien het gegeven dat tegen het premiebesluit geen bezwaar (en beroep) is ingesteld om, nu zij stelt dat dit besluit onjuist zou zijn, zulks voor de rechtbank aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hierin niet geslaagd.

Uit artikel 16b van de CSV blijkt verder dat de aannemer hoofdelijk aansprakelijk is voor de premie en de voorschotpremie die de onderaannemer verschuldigd is in verband met het verrichten van werkzaamheden door zijn werknemers ter zake van dat werk. De wetgever heeft derhalve het risico van de niet-betaling van premies door de onderaannemer in beginsel bij de hoofdaannemer (in casu eiseres) en niet bij verweerder gelegd. Een aannemer, die met onderaannemers werkt, loopt zodoende het risico dat hij aansprakelijk wordt gesteld volgens de wet.

Deze aansprakelijkheid geldt niet indien aannemelijk is dat de niet-betaling door de onderaannemer noch aan hem noch aan de hoofdaannemer is te wijten.

In het onderhavige geval is daarvan gelet op het gegeven dat [onderaannemer] zijn werknemers niet bij verweerder heeft gemeld en geen administratie heeft bijgehouden, niet gebleken.

Dat eiseres voorts niet op de hoogte was van de toepasselijke wetgeving zoals in beroep gesteld is een omstandigheid die voor haar rekening dient te blijven.

De rechtbank kan eiseres in deze evenmin volgen in haar stelling dat verweerder gehouden was eiseres omtrent [onderaannemer] spontaan te informeren. Nog afgezien van de vraag of verweerder op de hoogte was van het feit dat [onderaannemer] werkzaamheden voor eiseres verrichtte en van de verstrekkende gevolgen voor een onderaannemer die een door eiseres gewenste spontane inlichtingenplicht kan hebben, is de rechtbank van oordeel dat reeds uit de omstandigheid dat de hoofdaannemer het risico draagt voor de keuze van zijn onderaannemer en het feit dat de hoofdaannemer zijn risico kan beperken onder meer door het middel van het regelmatig opvragen van verklaringen inzake het betalingsgedrag en aldus informatie kan vergaren omtrent de onderaannemer, volgt dat verweerder niet gehouden is tot het spontaan verstrekken van inlichtingen omtrent onregelmatigheden in het betalingsgedrag van de onderaannemer.

De door eiseres aangevoerde bezwaren kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het in dit geding bestreden besluit.

Aangezien ook overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit onrechtmatig is genomen komt het beroep voor ongegrond verklaring in aanmerking.

Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Er dient als volgt te worden beslist.

3. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr T. Dompeling, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2000

de griffier: het lid van de

enkelvoudige kamer:

J. Lo-A-Njoe mr T. Dompeling

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.