Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2000:AA8162

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
SBR 99/2355
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Reg. nr.: SBR 99/2355

UITSPRAAK van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

e i s e r,

en

het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv),

gevestigd te Amsterdam,

v e r w e e r d e r.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE.

Bij besluit van 25 juni 1999 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hem gelet op zijn recht op inkomsten in verband met de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot 1 september 1999 geen uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) kan worden toegekend.

Bij besluit van 3 september 1999 heeft verweerder eiser medegedeeld dat de datum 1 september 1999, zoals vermeld in het besluit van 25 juni 1999, niet juist is en dat dit 5 oktober 1999 moet zijn.

Bij besluit van 28 oktober 1999 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 25 juni 1999 niet-ontvankelijk en het bezwaar tegen het besluit van 3 september 1999 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dat besluit bij brief van 2 december 1999 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft op 27 december 1999 de op het geding betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Op 17 januari 2000 heeft eiser de gronden van zijn beroep aangevuld.

Verweerder heeft op 19 april 2000 een nadere toelichting naar aanleiding van het bestreden besluit gegeven.

Het geding is behandeld ter zitting van 3 juli 2000, waar eiser in persoon is verschenen en verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. D.Th.G. Thuys, juridisch medewerker bij de afdeling Bezwaar en Beroep van het districtskantoor Hilversum van GAK Nederland B.V.

2. OVERWEGINGEN.

In dit geding heeft de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden het bezwaar van eiser tegen het besluit van 25 juni 1999 niet-ontvankelijk en het bezwaar van eiser tegen het besluit van 3 september 1999 ongegrond heeft verklaard.

Bij haar beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden, zoals die blijken uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

Feiten

Eiser, geboren op [datum] 1938, was vanaf 1 juni 1986 werkzaam [bedrijf] B.V. te [vestigingsplaats], laatstelijk in de functie van [functie]. Bij beschikking van 20 mei 1999 heeft de kantonrechter op verzoek van [bedrijf] B.V. de arbeidsovereenkomst met eiser met ingang van 1 juni 1999 ontbonden. Daarbij heeft de kantonrechter eiser een vergoeding van f 300.000,-- bruto toegekend.

Naar aanleiding van een aanvraag van eiser van 28 mei 1999 om een WW-uitkering per 1 juni 1999 heeft verweerder eiser bij besluit van 25 juni 1999 medegedeeld dat hem tot 1 september 1999 geen uitkering kan worden toegekend, omdat hij recht heeft op inkomsten in verband met de beëindiging van zijn dienstbetrekking. Deze inkomsten zijn gelijkgesteld met het recht op onverminderde doorbetaling van eisers loon, tot aan het bedrag aan loon dat hij zou hebben ontvangen indien zijn dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de voor de werkgever geldende termijn zou zijn beëindigd. Verweerder raadt eiser aan om, indien hij op 1 september 1999 nog werkloos is, een week voor aanvang van deze datum opnieuw een WW-uitkering aan te vragen.

Naar aanleiding van een aanvraag van eiser van 18 augustus 1999 om een WW-uitkering per 1 september 1999 heeft verweerder eiser bij besluit van 3 september 1999 meegedeeld dat in de brief van 25 juni 1999 abusievelijk een datum werd genoemd van 1 september 1999, maar dat dit 5 oktober 1999 had moeten zijn. Het overig gestelde in de brief blijft onverminderd van kracht.

Eiser heeft tegen het besluit van 3 september 1999 tijdig bezwaar aangetekend. Op 13 oktober 1999 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Bij die gelegenheid heeft eiser tevens bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 juni 1999.

Bij het bestreden besluit van 28 oktober 1999 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 25 juni 1999 niet-ontvankelijk en het bezwaar tegen het besluit van 3 september 1999 ongegrond verklaard.

Standpunten van partijen

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet-ontvankelijk is in zijn bezwaar tegen het besluit van 25 juni 1999, omdat dit bezwaar niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van 6 weken is ingesteld, terwijl eiser hiertoe wel in de gelegenheid is geweest.

Ten aanzien van eisers bezwaar tegen het besluit van 3 september 1999 heeft verweerder overwogen dat de voor eisers werkgever geldende opzegtermijn op grond van de artikelen 7:670 tot en met 7:672 (oud) van het Burgerlijk Wetboek (BW) 24 weken bedraagt en op grond van artikel 7:672 van het BW, zoals dit geldt na de inwerkingtreding van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid (Wet van 14 mei 1998, Stb. 1998, 300, in werking getreden op 1 januari 1999, hierna: de Flexwet), drie maanden. Ingevolge artikel XXI van de Flexwet dient bij de bepaling van de fictieve opzegtermijn te worden uitgegaan van de langste opzegtermijn, in casu derhalve de termijn van 24 weken. Ingevolge artikel 16, derde lid, van de WW begint de fictieve opzegtermijn te lopen een dag na de datum van de ontbindingsbeschikking. Nu de beschikking is uitgesproken op 20 mei 1999, loopt de periode van de fictieve opzegtermijn van 21 mei 1999 tot en met 4 november 1999. Op grond van artikel 16, derde lid, van de WW juncto artikel 7:672, vierde lid, van het BW mag van de opzegtermijn één maand worden afgetrokken. Hierdoor loopt de fictieve opzegtermijn tot en met 4 oktober 1999. De eerste werkloosheidsdag is volgens verweerder derhalve 5 oktober 1999.

In zijn brief van 19 april 2000 stelt verweerder dat, gelet op de in artikel 7:672, eerste lid, van het BW opgenomen aanzegtermijn, de eerste werkloosheidsdag feitelijk bepaald had moeten worden op 1 november 1999. Aangezien eiser echter door het indienen van bezwaar of beroep niet in een nadeliger positie gebracht kan worden, handhaaft verweerder de op 5 oktober 1999 vastgestelde ingangsdatum van de WW-uitkering.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de WW-uitkering per 1 augustus 1999 dan wel 1 september 1999 had moeten worden verleend en dat toepassing van artikel XXI van de Flexwet onevenredig nadelig is. Artikel 16, derde lid, van de WW verwijst uitsluitend naar artikel 7:672 van het BW en niet naar artikel XXI van de Flexwet.

Eiser is van mening dat het besluit van 3 september 1999 in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Ook heeft verweerder in het besluit ten onrechte de bezwaarclausule niet vermeld.

Eiser maakt voorts bezwaar tegen het feit dat verweerder zijn bezwaar tegen het besluit van 25 juni 1999 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser stelt dat hij destijds tegen het gestelde in het besluit van 25 juni 1999 geen bezwaar kon maken, aangezien in het besluit als ingangsdatum van zijn WW-uitkering 2 september 1999 werd genoemd, hetgeen overeenkomt met zijn contractuele opzegtermijn van drie maanden. Deze datum werd eerst per 8 september 1999 (de dag waarop eiser het besluit van 3 september 1999 ontving) herroepen.

Toepasselijk recht

In dit geding zijn de bepalingen van de WW en het BW van toepassing zoals deze luiden na de inwerkingtreding van de Flexwet per 1 januari 1999.

Artikel 16, eerste lid, van de WW luidt:

Werkloos is de werknemer die:

a. ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren; en

b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

Bij de invoering van de Flexwet is onder meer artikel 16, derde lid, van de WW gewijzigd. Kort voor de inwerkingtreding is de redactie van dit artikellid nog gewijzigd bij Reparatiewet (Wet van 24 december 1998, Stb. 1998, 741). Sedertdien luidt artikel 16, derde lid, van de WW - voorzover hier van belang - als volgt:

Met het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon, bedoeld in het eerste lid, worden gelijkgesteld de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, tot aan het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de rechtens geldende termijn zou zijn geëindigd. (...) Onder de rechtens geldende termijn, bedoeld in de eerste zin, wordt verstaan de termijn die de werkgever of de werknemer op grond van artikel 672 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek ieder voor zich bij opzegging in acht behoort te nemen. (...). Het in de eerste zin bedoelde bedrag wordt:

a. (...)

b. indien de dienstbetrekking is geëindigd door ontbinding, toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op de datum van de beschikking tot ontbinding;

c. (...)

Indien de dienstbetrekking is geëindigd door ontbinding op verzoek van de werkgever, is artikel 672 lid 4 van Boek 7 van het BW van overeenkomstige toepassing.

Bij de Flexwet is eveneens artikel 7:672 van het BW gewijzigd. Vóór 1 januari 1999 bepaalde dit artikel dat de termijn van opzegging voor de werkgever ten minste zoveel weken bedraagt als de arbeidsovereenkomst na de meerderjarigheid van de werknemer gehele jaren heeft geduurd, met dien verstande dat de opzegtermijn voor de werkgever ten hoogste 13 weken bedraagt. Deze termijn werd verlengd met een week voor elk vol jaar, gedurende hetwelk de werknemer na het bereiken van de leeftijd van 45 jaren bij de werkgever in dienst was geweest, doch ten hoogste met 13 weken.

Artikel 7:672 van het BW luidt - voorzover hier van belang - sedert 1 januari 1999 als volgt:

1. Opzegging geschiedt tegen het einde van de maand, tenzij bij schriftelijke overeenkomst of door het gebruik een andere dag daarvoor is aangewezen.

2. De door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging bedraagt bij een arbeidsovereenkomst die op de dag van opzegging:

a. korter dan vijf jaar heeft geduurd: één maand;

b. vijf jaar of langer, maar korter dan tien jaar heeft geduurd: twee maanden;

c. tien jaar of langer, maar korter dan vijftien jaar heeft geduurd: drie maanden;

d. vijftien jaar of langer heeft geduurd: vier maanden.

3. (...)

4. Indien de toestemming bedoeld in artikel 6 van het Buitengewoon Besluit

Arbeidsverhoudingen 1945 is verleend, wordt de door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging verkort met één maand, met dien verstande dat de resterende termijn van opzegging ten minste één maand bedraagt.

In artikel XXI van de Flexwet (overgangsrecht bij artikel 7:672 van het BW) is het volgende bepaald:

Voor de werknemer die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet 45 jaar of ouder was en voor wie op dat tijdstip een langere termijn voor opzegging gold dan volgens deze wet, blijft de oude termijn gelden zo lang hij bij dezelfde werkgever in dienst blijft.

Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden het bezwaar van eiser tegen het besluit van 25 juni 1999 niet-ontvankelijk heeft verklaard, overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van de artikelen 6:7 tot en met 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de bezwaartermijn van 6 weken is ontvangen. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 3:41 van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Nu het besluit van 25 juni 1999 op dezelfde datum is verzonden, is de bezwaartermijn aangevangen op 26 juni 1999 en geëindigd op 6 augustus 1999. Eiser heeft pas op 13 oktober 1999, derhalve niet tijdig, tegen het besluit bezwaar ingesteld.

De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan dit verzuim verschoonbaar dient te worden geacht. Eiser kon zich immers destijds vinden in het besluit van verweerder dat hij tot 1 september 1999 geen recht had op WW-uitkering.

Het feit dat eiser in de hoorzitting te kennen heeft gegeven dat hij het niet meer met het besluit van 25 juni 1999 eens is en thans primair stelt dat hij per 1 augustus 1999 recht heeft op uitkering, dient voor risico van eiser te komen. De omstandigheid dat verweerder op 3 september 1999 een nieuw besluit heeft genomen, dient hiervan los te worden gezien. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht doet het besluit van 3 september 1999, waarbij verweerder weigert om eiser vóór 5 oktober 1999 een WW-uitkering toe te kennen, niet af aan het besluit van 25 juni 1999 waarbij geweigerd wordt vóór 1 september 1999 een WW-uitkering te verstrekken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 25 juni 1999 terecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep hiertegen is derhalve ongegrond.

Met betrekking tot het besluit van 3 september 1999 overweegt de rechtbank dat het feit dat daaraan een bezwaarclausule ontbreekt een omissie van verweerder is die echter niet tot nadeel van eiser heeft gestrekt nu hij desondanks tijdig bezwaar tegen dat besluit heeft ingesteld. Aan deze omissie zal de rechtbank derhalve geen gevolgen verbinden.

Ten aanzien van dat besluit zijn partijen met name verdeeld over de vraag of onder de rechtens geldende termijn zoals vermeld in artikel 16, derde lid, van de WW verstaan dient te worden de termijn van artikel 7:672 van het BW, zoals dat artikel luidt met ingang van 1 januari 1999, dan wel de termijn van dit artikel gelezen in samenhang met artikel XXI van de Flexwet. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

In artikel 16, derde lid, van de WW wordt voor de bepaling van de fictieve opzeg-termijn verwezen naar artikel 7:672 van het BW. In genoemd artikellid wordt niet expliciet verwezen naar artikel XXI van de Flexwet, maar dit artikel wordt ook niet uitdrukkelijk uitgezonderd. De rechtbank overweegt dat in het algemeen, wanneer in een wettekst naar een bepaald wetsartikel wordt verwezen, de verwijzing tevens betrekking heeft op het voor dat artikel geldende overgangsrecht. De vraag rijst echter of de wetgever bij de onderhavige wijziging van de WW daadwerkelijk heeft beoogd om het overgangsrecht, dat ziet op de wijziging van het BW, voor het bepalen van de fictieve opzegtermijn voor oudere werknemers van toepassing te laten zijn. De rechtbank wijst er in dit verband op dat uit stukken van de parlementaire behandeling blijkt dat de Minister van Sociale Zaken bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is gevraagd of het nieuwe artikel 16, derde lid, van de WW niet met zich brengt dat de oudere werknemer door het behoud van langdurige opzegtermijnen gedupeerd wordt. De Minister heeft hier slechts op geantwoord dat dit een interes-sante casuspositie zou zijn, maar dat de voorgestelde wijziging bepaalt dat bij opzegging door of ontbinding op verzoek van de werknemer de werknemerstermijn geldt in plaats van de langduriger werkgeverstermijn (TK 1998-1999, 26 257, nr. 12, blz. 18). Uit deze passage in de parlementaire behandeling blijkt niet dat de wetgever een bewuste keuze heeft gemaakt om bij het bepalen van de fictieve opzegtermijn voor oudere werknemers in het kader van de WW toepassing te geven aan artikel XXI van de Flexwet, dat ziet op het BW. Indien de wetgever dit wel had beoogd, zou het voor de hand hebben gelegen dat de keuze voor de toepassing van artikel XXI van de Flexwet in het kader van artikel 16, derde lid, van de WW expliciet was gemotiveerd, met name nu uit de parlementaire behandeling naar voren komt dat de onderliggende gedachte voor het invoeren van het overgangsrecht in het BW juist de bescherming van de oudere werknemer is geweest. De toepassing van het overgangsrecht werkt echter in het nadeel van de oudere werknemer bij het bepalen van de fictieve opzegtermijn in het kader van de WW.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat niet is gebleken dat de wetgever heeft beoogd om bij de bepaling van de fictieve opzeg-termijn in het kader van de WW toepassing te geven aan artikel XXI van de Flexwet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit bij het bepalen van de fictieve opzegtermijn ten onrechte mede dit artikel heeft toegepast, zodat het besluit wegens strijd met artikel 16, derde lid, van de WW niet in stand kan blijven. Verweerder zal derhalve een nieuw besluit moeten nemen, waarbij de fictieve opzegtermijn dient te worden berekend op basis van de opzegtermijn op grond van artikel 7:672 van het BW zoals dit artikel ingaande 1 januari 1999 luidt.

Dit betekent dat in dit geval de door de werkgever in acht nemen opzegtermijn drie maanden bedraagt, welke termijn op grond van artikel 16, derde lid, van de WW juncto artikel 7:672, vierde lid, van het BW met een maand wordt verkort. De duur van de fictieve opzegtermijn is aldus twee maanden, terwijl op grond van artikel 16, derde lid, onder b, van de WW deze termijn aanvangt op de dag na de datum van de beschikking van de kantonrechter.

De rechtbank merkt in dit verband ten overvloede op dat, gelet op de bewoordingen van het derde lid van artikel 16 van de WW, bij de berekening van de fictieve opzegtermijn geen rekening dient te worden gehouden met de bij een behoorlijke opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever in aanmerking te nemen aanzegtermijn. Genoemd artikellid ziet immers slechts op de rechtens in acht te nemen termijn van opzegging, welke is neergelegd in het tweede lid van artikel 7:672 van het BW. Het bepaalde in het eerste lid van artikel 7:672 dient daarom bij de berekening van de fictieve opzegtermijn buiten beschouwing te blijven.

Nu het bestreden besluit wegens strijd met artikel 16, derde lid, van de WW niet in stand kan blijven, behoeven de overige door eiser aangevoerde gronden geen bespreking.

Gelet op het vorenoverwogene is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op f 16,25 als reiskosten van eiser naar de zitting.

3. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep gegrond, voorzover gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 3 september 1999,

vernietigt het bestreden besluit in zoverre,

verklaart het beroep voor het overige ongegrond,

bepaalt dat het Lisv het door eiser betaalde griffierecht ad f 60,-- aan hem vergoedt,

veroordeelt verweerder in de kosten van eiser in dit geding ten bedrage van

f 16,25, te betalen door het Lisv.

Aldus vastgesteld door mr. M.C.M. van Laar, als voorzitter, en mrs. J. Ebbens en

T. Dompeling als leden, en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2000.

De griffier: De voorzitter van de

meervoudige kamer:

M. Sparling M.C.M. van Laar

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.