Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2000:AA8063

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
117610 / JE RK 00771
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Terugplaatsing, bezoekregeling, contra-expertise en

vervanging gezinsvoogdij-instelling.

Arrondissementsrechtbank Utrecht

BESCHIKKING

van de kinderrechter op het verzoek van […] de grootmoeder, wonende te […]

(gemachtigde P.C. Aben) en [de vader] en [de moeder],

wonende te […], met betrekking tot de minderjarige:

[…], geboren te[…], op 2 februari 1995,

hierna te noemen: [het kind]

kind van

[de vader]

en

[de moeder],

beiden voornoemd, nader te noemen: de ouders

Verloop van de procedure

De grootmoeder heeft op 14 juli 2000 een verzoekschrift met

bijlagen ingediend, strekkende enerzijds tot terugplaatsing

van [het kind] bij de grootmoeder en anderzijds tot wijziging van de

bezoekregeling van de grootmoeder aan [het kind]. Bij brief van 8

augustus 2000 hebben de ouders de verzoeken van de grootmoeder

ondersteund en tot de hunne gemaakt.

Deze verzoeken zijn behandeld ter terechtzitting met gesloten

deuren van 10 augustus 2000. In afwachting van nadere informa-

tie te verstrekken door de gezinsvoogdij-instelling is de

behandeling van de verzoeken aangehouden tot de zitting van 31

augustus 2000.

Op 24 augustus 2000 heeft de gezinsvoogdij-instelling overge-

legd het hulpverleningsplan d.d. 22 augustus 2000, een onder-

bouwing van de keuze voor de huidige opvoedsituatie in een

perspectief biedend pleeggezin d.d. 18 augustus 2000 en de

eind-rapportage van de piop-plaatsing d.d. 13 december 1999

Op 25 augustus 2000 heeft de grootmoeder een aanvullend ver-

zoekschrift met bijlagen ingediend inhoudende een verzoek het

doen van een contra-expertise en het verkrijgen van een

second opinion, welk verzoek op 29 augustus 2000 is aangevuld

met een verzoek tot vervanging van de gezinsvoogdij-instel-

ling. Op 25 augustus 2000 en ter terechtzitting van 31 augus-

tus 2000 hebben de ouders ook deze verzoeken van de grootmoe-

der ondersteund en tot de hunne gemaakt.

Op 28 augustus 2000 heeft de grootmoeder in aanvulling op haar

verzoek van 25 augustus 2000 haar verzoek met nadere stand-

punten onderbouwd.

De verzoeken zijn vervolgens behandeld ter terechtzitting met

gesloten deuren van 31 augustus 2000, waarbij de uitspraak is

bepaald op heden.

Beoordeling van het verzochte

Bij beschikking van de kinderrechter te Utrecht van 12 novem-

ber 1999 is de ondertoezichtstelling van [het kind] met ingang van

28 november 1999 met één jaar verlengd.

Bij beschikking van de kinderrechter te Utrecht van 12 novem-

ber 1999 is de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van

[het kind] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 28

november 1999 verlengd voor de tijd van twaalf maanden.

[het kind] is van maart 1997 tot 10 augustus 1999 geplaatst geweest

in het door de voorziening voor pleegzorg te Utrecht de Rading

(verder te noemen De Rading) goedgekeurde (netwerk-pleeg)gezin

van de grootmoeder- en toen zich in dat gezin een ernstige

crisis voordeed daar uit geplaatst naar het gezin van een

familielid van de grootmoeder, van waaruit zij op 13 september

1999 is geplaatst in een zgn. piop-pleeggezin te […].

Vanuit het piop-pleeggezin is [het kind] op 15 februari 2000 ge-

plaatst in een perspectief biedend pleeggezin te […].

Op 31 mei 2000 heeft de grootmoeder de gezinsvoogdij-instel-

ling verzocht [het kind] weer bij haar te plaatsen. Bij brief van 23 juni 2000

heeft de gezinsvoogdij-instelling dit verzoek afgewezen.

Op 19 juli 2000 heeft de grootmoeder de gezinsvoogdij-instel-

ling verzocht de bezoekregeling die bestond uit een bezoek van

de grootmoeder aan [het kind] eens in de 6 weken op het kantoor van

de gezinsvoogdij-instelling, te wijzigen in eens per 4 weken

bij het pleeggezin waar [het kind] verblijft thuis.

Bij brief van 24 juli 2000 heeft de gezinsvoogdij-instelling

dit verzoek vooralsnog afgewezen.

De ontvankelijkheid van de grootmoeder in haar verzoeken.

Vooropgesteld dient te worden dat tussen [het kind] en de grootmoe-

der sinds 10 augustus 1999 geen gezinsleven meer bestaat.

Tegen de verbreking van dat gezinsleven en de plaatsing van

[het kind], aanvankelijk bij een familielid en later in een piop-

gezin en een perspectief biedend pleeggezin heeft de grootmoe-

der zich aanvankelijk niet verzet, maar zij wenst thans her-

stel van het gezinsleven tussen haar en [het kind]. Zij beroept zich

daartoe op de omstandigheid dat zij ca. twee en een half jaar

lang met instemming en zonder enige aanmerking van De Rading

en de gezinsvoogdij-instelling de dagelijkse verzorging en

opvoeding van [het kind] heeft uitgevoerd, dat de crisissituatie die

zich in augustus '99 heeft voorgedaan definitief overwonnen is

en haar persoonlijke omstandigheden zodanig zijn gewijzigd,

dat zij zich weer volledig in staat acht de verzorging en

opvoeding van [het kind] op zich te nemen. Gelet op het gezinsleven

dat de grootmoeder gedurende bijna

twee en een half jaar met [het kind] heeft gehad, is de grootmoeder,

ondanks het ontbreken van een grondslag daartoe in de desbe-

treffende bepalingen in het Burgerlijk Wetboek, maar op grond

van art. 8 EVRM ontvankelijk in haar verzoek tot terugplaat-

sing van [het kind] bij haar en daarmede herstel van het gezinsleven

dat zij met [het kind] had.

Datzelfde geldt niet ten aanzien van het (subsidiaire) verzoek

van de grootmoeder m.b.t. een (andere) bezoekregeling tussen

haar en [het kind]. Voor een dergelijk verzoek van de grootmoeder,

of van de met het gezag belaste ouders bieden de in de onder-

havige procedure voor de kinderrechter toepasselijke OTS bepa-

lingen in de artt. 1:254 t/m 1:265 BW geen wettelijke grond-

slag. Voor zover enige andere bepaling in het BW daartoe wel

een grondslag biedt, is een dergelijk verzoek uitsluitend

ontvankelijk, indien ingediend door een procureur, hetgeen

hier niet het geval is.

Voorts kan op grond van art. 810a lid 2 Rv een verzoek tot

benoeming van een deskundige slechts worden ingediend door een

ouder; in dit verzoek is de grootmoeder derhalve niet-ontvan-

kelijk. Ook in haar verzoek tot vervanging van de gezinsvoogdij-in-

stelling is de grootmoeder niet ontvankelijk, nu een daartoe

strekkend verzoek volgens art. 1:254 lid 4 BW slechts kan

worden gedaan door de gezinsvoogdij-instelling zelf, de met

het gezag belaste ouder of de minderjarige van 12 jaar of

ouder en in een bijzonder geval de Raad voor de Kinderbescher-

ming.

--------------------------------------------------------------------------------

Op grond van het bepaalde in art. 1:263 lid 2 jo. lid 4 BW

zijn de ouders in hun verzoek tot terugplaatsing van [het kind] bij

de grootmoeder niet ontvankelijk, nu zij geen daartoe strek-

kend verzoek aan de gezinsvoogdij-instelling hebben gericht en

derhalve geen beslissing terzake van de gezinsvoogdij-instel-

ling hebben verkregen, waarover de kinderrechter vervolgens

zou dienen te beslissen.

In al deze verzoeken zullen de grootmoeder, onderscheidenlijk

de ouders dan ook niet ontvankelijk worden verklaard.

Gelet op het hierboven overwogene is derhalve thans nog aan de

orde:

a) het verzoek van de grootmoeder tot beëindiging van de

huidige uithuisplaatsing en tot terugplaatsing van [het kind]

bij de grootmoeder,

b) het verzoek van de ouders tot benoeming van een deskun-

dige t.b.v. een contra-expertise,

c) het verzoek van de ouders tot vervanging van de gezins-

voogdij-instelling.

Het verzoek tot beëindiging van de uithuisplaatsing en tot

terugplaatsing van [het kind] bij de grootmoeder.

a) Standpunt van de grootmoeder.

De grootmoeder legt aan haar verzoek tot terugplaatsing van

[het kind] bij haar ten grondslag de omstandigheid dat zij van maart

1997 tot 10 augustus 1999 als goedgekeurd netwerk- pleeggezin

voor [het kind] heeft gezorgd en dat "De Rading" aan de gezinsvoog-

dij-instelling over de periode tot augustus 1999 uitsluitend

positieve berichten rapporteerde over de ontwikkeling van [het kind]

in het gezin van de grootmoeder.

De acute problemen die zich in augustus 1999 tussen de groot-

moeder en haar echtgenoot hebben voorgedaan, waarbij deze haar

en ook de beide ouders heeft mishandeld, zijn inmiddels opge-

lost. Zij heeft tijdelijk elders verbleven. Zij is op 8 maart

2000 van haar echtgenoot gescheiden en deze heeft een contact

verbod opgelegd gekregen. De grootmoeder heeft voorts gesteld

dat het seksuele misbruik van [het kind] door haar (stief)grootvader

volstrekt onbewezen is en dat haar als grootmoeder in deze

niets te verwijten valt. De grootmoeder is zeer betrokken op

[het kind] en acht zich weer volledig in staat de verzorging en

opvoeding van [het kind] op zich te nemen. Ook de ouders hebben zich

op dat standpunt gesteld.

--------------------------------------------------------------------------------

b) Standpunt van de gezinsvoogdij-instelling.

De gezinsvoogdij-instelling heeft, nadat [het kind] tijdelijk bij

familie is ondergebracht en met name tijdens de opname van

[het kind] in het piop-gezin, ernstige signalen van mishandeling en

seksueel misbruik van [het kind] door de (stief)grootvader geconsta-

teerd, die zouden hebben plaats gevonden tijdens het verblijf

van [het kind] in het gezin van de grootmoeder en (stief)grootvader.

[het kind] heeft een ontwikkelingsachterstand en [het kind] heeft in de

pleeggezinnen niet mis te verstane uitspraken gedaan die

wijzen op mishandeling en misbruik van [het kind].

Aangezien de grootmoeder tegenover De Rading heeft verzwegen

dat zij door haar echtgenoot is mishandeld gedurende de perio-

de dat [het kind] in haar gezin verbleef, heeft De Rading de erken-

ning van de grootmoeder als pleeggezin ingetrokken en De

Rading is eerst bereid de grootmoeder eventueel opnieuw als

pleeggezin te screenen na verloop van 2 jaar.

De gezinsvoogdij-instelling vindt terugplaatsing van [het kind] in

het gezin van de grootmoeder niet alleen niet in het belang

van [het kind], maar zelfs schadelijk voor haar ontwikkeling, gelet

op de traumatische ervaringen die [het kind] daar heeft moeten ondervinden

en waartegen de grootmoeder haar kennelijk niet

heeft weten te beschermen. Daardoor is de grootmoeder geen

veilige vertrouwenspersoon meer voor [het kind].

De door de gezinsvoogdij-instelling geraadpleegde kinderpsy-

chiater heeft aangegeven dat het bij het type problematiek als

bij [het kind] aanwezig, noodzakelijk is dat gewerkt wordt aan de

relatie tussen de opvoeder en [het kind], waarbij [het kind] ervaart dat

zij te doen heeft met een betrouwbare volwassene en een veili-

ge woonplek. Wat [het kind] aangeeft over het seksuele misbruik

dient serieus te worden genomen.

Gelet op hetgeen [het kind] in het gezin van de grootmoeder heeft

moeten meemaken en de beleving van [het kind] blijkens haar uitla-

tingen in samenhang met het aanvankelijk verzwijgen van de

mishandelingen, versterkt door de latere ontkenning en aan-

vechting door de grootmoeder van het waarheidsgehalte van de

uitingen van [het kind], is de grootmoeder geen betrouwbare volwas-

sene (meer) voor [het kind] en vormt de woonplek bij de grootmoeder

niet de veilige woonplek, die nodig is voor verwerking van de

opgelopen trauma's. Mede op grond van het piop-advies en het

consult van de kinderpsychiater heeft de gezinsvoogdij-instel-

ling besloten [het kind] te plaatsen in een perspectief biedend

pleeggezin en niet over te gaan tot terugplaatsing van [het kind]bij de grootmoeder.

c) Beoordeling door de kinderrechter.

De kinderrechter kan zich met het door de gezinsvoogdij-in-

stelling gestelde ten aanzien van wat het belang van [het kind]

meebrengt, verenigen en hij zal dan ook de beslissing van de

gezinsvoogdij-instelling van 23 juni 2000, waarbij het verzoek

van de grootmoeder om de uithuisplaatsing van [het kind] in het

perspectief biedende pleeggezin te beëindigen en [het kind] terug te

plaatsen in haar gezin is afgewezen, bekrachtigen, en de

desbetreffende verzoeken van de grootmoeder derhalve afwijzen.

Het verzoek van de ouders tot benoeming van een deskundige.

Gelet op de uitvoerige door de gezinsvoogdij-instelling aan

haar in deze ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing gevoer-

de beleid ten grondslag gelegde documentatie, bestaande uit

het (actuele) hulpverleningsplan, de onderbouwing van de

plaatsingsbeslissing door de interne gedragsdeskundige van de

gezinsvoogdij-instelling en het uitgebreide verslag van de

piop-plaatsing, acht de kinderrechter zich voor een beslissing

over de verschillende verzoeken met betrekking tot de opvoed-

situatie van [het kind] toereikend voorgelicht. Daarnaast verzet ook

het belang van [het kind] zich tegen een nieuwe uitgebreide observa-

tie of onderzoek door een externe deskundige, nu [het kind] reeds is

verhoord door de politie, en diepgaand geobserveerd is in het

piop-pleeggezin en nog steeds op haar uitlatingen en belevin-

gen nauwlettend wordt gevolgd. De kinderrechter zal derhalve

het verzoek van de ouders tot benoeming van een deskundige

afwijzen.

Het verzoek van de ouders tot vervanging van de gezinsvoogdij-

instelling. Aan dit verzoek hebben de ouders ten grondslag gelegd dat de

vertrouwensrelatie tussen hen en de gezinsvoogdij-instelling

onherstelbaar is beschadigd.

De gezinsvoogdij-instelling wijst er in dit verband op dat

alle wijzigingen van de verblijfplaats van [het kind] met medeweten

en instemming van de ouders zijn uitgevoerd en dat de ouders

het ten aanzien van [het kind] door de gezinsvoogdij-instelling

gevoerde beleid - na uitleg - steeds hebben onderschreven, en

dat de ouders dit in een gesprek met de gezinsvoogdes op 12

mei 2000 nog hebben bevestigd.

De gezinsvoogdij-instelling verzet zich tegen vervanging door

een andere gezinsvoogdij-instelling.

De kinderrechter acht de verhouding tussen de gezinsvoogdij-instelling

en de ouders niet dermate verstoord dat de gezins-

voogdij-instelling mede gelet op de omstandigheid dat de

dagelijkse verzorging en opvoeding van [het kind] niet bij de ouders

berust, in het belang van [het kind] door een andere gezinsvoogdij-

instelling vervangen zou dienen te worden. Voorzover al van

een ernstig verstoorde verhouding tussen ouders en gezinsvoog-

dij-instelling sprake mocht zijn, hebben de ouders nog niet de

binnen de gezinsvoogdij-instelling bestaande mogelijkheden om

te komen tot herstel of verbetering van de onderlinge verhou-

ding benut, zodat ook daarom hun verzoek tot vervanging van de

gezinsvoogdij-instelling door een andere gezinsvoogdij-instel-

ling zal worden afgewezen.

Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissingen.

Beslissing

De kinderrechter verklaart de grootmoeder niet ontvankelijk in

1) haar verzoek tot het vaststellen van een (uitgebreidere)

bezoekregeling tussen haar en [het kind],

2) haar verzoek tot benoeming van een deskundige,

3) haar verzoek tot vervanging van de gezinsvoogdij-instel-

ling door een andere.

De kinderrechter verklaart de ouders niet ontvankelijk in hun

verzoek tot beëindiging van de uithuisplaatsing van [het kind] en

tot terugplaatsing bij de grootmoeder.

De kinderrechter wijst af de verzoeken van de grootmoeder tot

beëindiging van de uithuisplaatsing van [het kind] in het pleeggezin

waar zij thans is opgenomen en tot terugplaatsing van [het kind] bij

haar.

De kinderrechter wijst af de verzoeken van de ouders tot

benoeming van een deskundige en tot vervanging van de gezins-

voogdij-instelling door een andere.

Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken

ter terechtzitting van 14 september 2000 door mr. J.M. Sij-

brandij, kinderrechter, in bijzijn van I. Oignet-Coenen als griffier.