Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2000:AA8045

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
109152/HA ZA 99-2249
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

VONNIS

van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

de naamloze vennootschap

AVERO ZORGVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zaandam,

e i s e r e s ,

procureur:

mr. E.J. Wervelman,

- t e g e n -

GEMEENTE UTRECHT,

g e d a a g d e ,

procureur:

mr. M. Nuyten.

Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

- conclusie van eis met producties overeenkomstig de dagvaarding van 16 december 1999;

- conclusie van antwoord met producties;

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek met productie;

- akte uitlating productie.

Partijen hebben de stukken overgelegd voor het wijzen van vonnis.

De feiten

2.1. De eiseres, verder te noemen: Avero is de zorgverzekeraar van [verzekerde] [...]

2.2. In de nacht van 15 op 16 november 1995 omstreeks 01.30 uur fietste [verzekerde] over het fietspad aan het Smakkelaarsveld/Leidsche Veer te Utrecht. Aan de rechterkant van het fietspad bevond zich in verband met werkzaamheden aan bekabeling een gat.

2.3. [verzekerde] is in het gat terechtgekomen en heeft lichamelijk letsel opgelopen.

2.4. Avero heeft terzake van het ongeval een bedrag van

f 16.922,25 aan ziektekosten betaald. Dientengevolge is zij in de rechten van [verzekerde] jegens de gemeente Utrecht gesubrogeerd.

3.

De vordering en het verweer

3.1. De vordering van Avero strekt ertoe bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente Utrecht te veroordelen tot betaling van f 18.559,91, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente over de hoofdsom van f 16.922,25 vanaf 16 november 1995, althans vanaf de dag van uitkering van de diverse bedragen, althans vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele vergoeding, met veroordeling van de gemeente Utrecht in de kosten van dit geding.

3.2. Avero legt aan haar vordering ten grondslag dat zij als zorgverzekeraar f 16.922,25 heeft moeten vergoeden naar aanleiding van het ongeval dat haar verzekerde [verzekerde] op 16 november 1995 is overkomen en dat zij daarnaast voor een bedrag van f 1.637,66 aan buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt, terwijl de gemeente Utrecht aansprakelijk is voor deze schade, nu de gemeente haar verplichting om er voor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen of zaken niet in gevaar brengt, niet is nagekomen.

Voorts stelt Avero dat de gemeente niet ontvankelijk is in haar verweer omdat mr Hengeveld, de door de gemeente aangezochte advocaat, niet bevoegd is de gemeente Utrecht in rechte te vertegenwoordigen.

3. De gemeente Utrecht voert verweer en betwist dat zij haar

zorgplicht danwel haar waarschuwingsplicht heeft verzaakt. Zij erkent de hoogte van de door Avero verstrekte uitkeringen en de hoogte van de geclaimde buitengerechtelijke kosten.

Volgens de gemeente voldoet het procesbesluit van het College van Burgemeester en Wethouders aan de in de wet gestelde vereisten.

4.

De beoordeling

ontvankelijkheid/bevoegdheid

4.1. Avero betwist dat mr Hengeveld bevoegd is verweer te voeren namens de gemeente op grond van het feit dat het besluit van het college van Burgemeester en Wethouders, hierna te noemen: B en W, om tot procederen over te gaan niet is overgelegd in deze procedure. Voorts had de gemeenteraad volgens Avero het besluit van B en W moeten bekrachtigen.

4.1. De gemeente heeft een besluit van de gemeenteraad van 23 februari 1983 overgelegd, waaruit blijkt dat de raad zijn bevoegdheden tot het voeren van rechtsgedingen in verzekeringskwesties heeft overgedragen aan B en W.

De gemeente heeft voorts een brief van de burgemeester aan

mr W.J. Hengeveld van 29 december 1999 in het geding gebracht waarin vermeld staat dat B en W met een verwijzing naar het besluit van 23 februari 1983 hebben besloten om in deze zaak te procederen en mr Hengeveld te machtigen om terzake het nodige te ondernemen.

4.2. De rechtbank is van oordeel dat op basis van deze stukken voldoende aannemelijk is dat de gemeenteraad zijn bevoegdheid om te procederen heeft gedelegeerd aan B en W. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt voorts voldoende duidelijk uit de brief van de burgemeester van 29 december 1999 dat B en W hebben besloten om in deze zaak tot procederen over te gaan, zodat mr Hengeveld bevoegd is om namens de gemeente verweer te voeren.

Dat het procesbesluit niet bekrachtigd is door de gemeenteraad, doet hier niets aan af, nu de gemeenteraad immers zijn bevoegdheid tot het nemen van een besluit om te procederen heeft

gedelegeerd aan B en W, terwijl de raad daartoe gerechtigd was.

aansprakelijkheid

4.3. Tussen partijen staat vast dat het gat in het wegdek zich bevond aan de (vanuit de rijrichting van [verzekerde] gezien) rechterkant van het fietspad en dat het gat veroorzaakt werd door de werkzaamheden die [het aannemersbedrijf] verrichtte aan het fietspad.

Voorts staat niet ter discussie dat het gat in het wegdek de oorzaak was van het ongeval dat [verzekerde] is overkomen.

4.4. Avero is zich er van bewust dat zij zich niet kan beroepen op de aansprakelijkheid van de gemeente als wegbeheerder ex art. 6:174 B.W.

Naast de bijzondere bepaling van art. 6:174 B.W. blijft echter de algemene bepaling van art. 6:162 B.W. van toepassing, indien toerekenbaar onrechtmatig handelen of nalaten kan worden aangetoond.

Avero stelt in dit verband dat van de gemeente mag worden gevergd dat zij er in redelijkheid alles aan doet om gevaren en risico's op de weg tot een minimum te beperken. In de visie van Avero had de gemeente het gat moeten dichten of waarschuwingsbebording en/of waarschuwingsverlichting moeten plaatsen. Ook had de gemeente beter in de gaten moeten laten houden of de hekjes nog op hun plaats stonden. Het nalaten hiervan acht zij onrechtmatig jegens [verzekerde].

4.5. De gemeente Utrecht bestrijdt de visie van Avero en wijst er op dat [het aannemersbedrijf] aan beide zijden van het gat hekjes geplaatst had, dat om het gat een markeringslint was gespannen en dat de plek voldoende verlicht was. De gemeente meent dat hiermee voldoende maatregelen waren genomen om fietsers te waarschuwen voor het gat aan de zijkant van het fietspad en dat van haar als wegbeheerder niet gevergd kan worden dat zij verdergaande maatregelen neemt.

4.6. De kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag hoever de zorgverplichting/waarschuwingsverplichting van de gemeente reikt en of er sprake is van verwijtbaar handelen/nalaten van de kant van de gemeente. Nu de aansprakelijkheid gebaseerd wordt op art. 6:162 B.W. is van een risico-aansprakelijkheid geen sprake.

4.7. De rechtbank hanteert als uitgangspunt dat van weggebruikers de nodige oplettendheid mag worden verwacht.

Zij moeten er rekening mee houden dat het wegdek niet steeds in perfecte staat verkeert.

Verder gaat de rechtbank er van uit dat aan de waarschuwingsplicht van een wegbeheerder ten opzichte van automobilisten hogere eisen gesteld dienen te worden dan aan het waarschuwen van fietsers en voetgangers omdat deze, gezien hun veel lagere snelheid, meer tijd en gelegenheid hebben om de verkeerssituatie zelf te overzien.

4.8. Nu door Avero niet is betwist dat dat de werkzaamheden die [het aannemersbedrijf] aan het fietspad verrichtte nog niet waren afgerond, deelt de rechtbank het primaire standpunt van Avero dat de gemeente het gat had moeten dichten niet. In redelijkheid kan immers niet gevergd worden dat het gat

's avonds werd dichtgemaakt, terwijl dan 's ochtends een nieuw gat gegraven zou moeten worden.

4.9. Avero betwist niet dat [het aannemersbedrijf] twee hekjes en een markeringslint om het gat in het wegdek geplaatst had. Aan de hand van de getuigenverklaringen stelt zij dat de hekken niet - meer - goed op hun plaats stonden toen het ongeval plaatsvond. Dat volgens [getuige 1] om 18.30 uur op 15 november 1995 slechts een hek geplaatst was en dat [getuige 2] , die op die datum omstreeks 16.00 uur de wegopbreking had gezien, zich in augustus 1996 niet meer kan herinneren of een hek geplaatst was, kan naar het oordeel van de rechtbank dit standpunt onvoldoende onderbouwen, nu de getuigen niet omstreeks het tijdstip van het ongeval de situatie van de wegopbreking kunnen beschrijven. Aangezien uit de door de ouders van [verzekerde] omstreeks 12.00 uur op 16 november 1995 gemaakte foto's blijkt dat op dat tijdstip twee hekjes en een markeringslint bij de wegopbreking aanwezig waren, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat deze zich ook ten tijde van het ongeval in de nabijheid van het gat in het fietspad bevonden.

4.10. Of de hekjes door vandalisme of anderzijds tussentijds zijn verplaatst, doet verder niet ter zake aangezien de rechtbank van oordeel is dat de zorgverplichting van de gemeente niet zover reikt dat zij continu in de gaten moet houden of de aangebrachte waarschuwingsbebording niet is gestolen of verplaatst. Ook wanneer het, zoals Avero stelt, een drukbezochte locatie betreft, kan de gemeente in het kader van haar op art. 6:162 B.W. gebaseerde zorgverplichting in redelijkheid niet verweten worden dat zij niet continu politietoezicht laat houden op de verkeersmaatregelen die zijn genomen.

4.11. Avero stelt voorts dat de gemeente verdergaande waarschuwingsmaatregelen had moeten nemen, zoals het plaatsen van waarschuwingsborden of -verlichting.

Zij wijst er op dat wegbeheerders verkeerstekens en bebakening zo moeten plaatsen dat ook verkeer dat - enigszins - harder rijdt dan is toegestaan en minder oplettend is dan vereist, voldoende wordt gewaarschuwd en vervolgens gelegenheid heeft zich aan de omstandigheden aan te passen.

4.12. De gemeente brengt hier met een verwijzing naar de overgelegde foto's tegen in dat het fietspad goed verlicht was, dat het een breed fietspad betrof en dat ook een minder oplettende fietser voldoende werd gewaarschuwd door de hekjes en het markeringslint. De waarschuwingsverplichting van de gemeente kan volgens haar niet zo ver gaan dat ook iemand die onder invloed van alcohol verkeert en daardoor in het geheel niet meer op de weg let, zoals [verzekerde], voldoende gewaarschuwd wordt.

4.13. Uit de overgelegde foto's blijkt dat zich naast het gat een lantaarnpaal bevindt en dat het fietspad direct naast

de weg ligt, zodat naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk is dat de plek van het ongeval voldoende verlicht was. Op de foto's is verder te zien dat weliswaar vrijwel de gehele rijstrook waarop [verzekerde] reed, versperd werd door het gat, maar dat op het brede fietspad voldoende ruimte was om via de voor het tegemoetkomende verkeer bestemde rijstrook het gat probleemloos te passeren.

In die situatie kan, mede gelet op de omvang van de wegopbreking en het feit dat deze uitsluitend een gedeelte van een fietspad in beslag nam, van de gemeente in redelijkheid niet gevergd worden dat verdergaande veiligheidsmaatregelen, in de vorm van waarschuwingsborden of anderszins, getroffen werden om ongevallen te voorkomen. De rechtbank acht het, gelet op de foto's, voldoende aannemelijk dat het ook voor minder oplettende fietsers zichtbaar was dat er sprake was van versperring op het fietspad en dat uitgeweken moest worden naar de andere rijstrook.

4.14. Uit de verklaring van de kaakchirurg die [verzekerde] na het ongeval behandelde, blijkt dat er ten tijde van het ongeval sprake was van een fors alcoholgebruik door [verzekerde] en dat [verzekerde] die diabetes patiƫnt was, daarnaast had verzuimd om tijdig zijn dosis Insulatard in te nemen. Het is een feit van algemene bekendheid dat na alcoholgebruik de reactiesnelheid aanzienlijk vermindert en dat het gevaar van te laat of inadequaat reageren toeneemt. Nu er door het plaatsen van hekjes maatregelen zijn genomen om te waarschuwen voor het gat in het fietspad en deze maatregelen naar het oordeel van de rechtbank afdoende zijn om ook een minder oplettende fietser te waarschuwen, dient het feit dat deze waarschuwingsmaatregelen kennelijk onvoldoende waren voor [verzekerde] voor zijn rekening te blijven, aangezien hij door zijn alcoholgebruik het risico heeft genomen dat hij niet de normale, van hem in redelijkheid te verwachten, voorzichtigheid in het verkeer in acht zou nemen.

4.15. Nu de rechtbank op basis van het bovenstaande van oordeel is dat de gemeente niet tekort is geschoten in haar zorgverplichting/waarschuwingsverpichting, is de gemeente niet aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval dat [verzekerde] is overkomen. De rechtbank zal de vordering van [verzekerde] dan ook afwijzen.

4.16. Avero zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5.

De beslissing

De rechtbank:

5.1.

Wijst de vordering af;

5.2.

Veroordeelt Avero in de proceskosten aan de zijde van de gemeente Utrecht gevallen, tot op deze uitspraak begroot op f. 475,-- aan verschotten en op f. 1.460,-- aan salaris. Verklaart dit vonnis voor wat betreft deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Z.J. Oosting en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 27 september 2000.