Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2000:AA7651

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
KG-nr. 119636/KG ZA 00-861
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Utrecht in het kort geding van:

de besloten vennootschap

C.B. DRIVING RANGE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

gedaagde in reconventie,

procureur:

mr. F.E.J. Menkveld,

advocaat:

mr. R.E. Jonen te Amsterdam,

-tegen-

[gedaagde in conventie],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat:

mr. R.A.C.G. Martens te Amsterdam.

1. Het verloop van het geding

1.1

Eiseres in conventie, hierna te noemen: Driving Range, heeft de gedaagde in conventie, verder te noemen: [gedaagde in conventie], in kort geding doen dagvaarden. Nadat de behandeling vóór de dienende dag, 19 september 2000, op verzoek van de advocaat van [gedaagde in conventie] was aangehouden tot de zitting van 4 oktober 2000, heeft Driving Range op laatstgenoemde datum van eis geconcludeerd overeenkomstig de inhoud van het exploot van dagvaarding, waarvan een fotokopie aan dit vonnis is gehecht.

1.2

Driving Range heeft haar vordering bij monde van haar advocaat doen toelichten, mede aan de hand van overgelegde pleitnotities en producties.

1.3

[gedaagde in conventie] heeft bij monde van zijn advocaat in de eerste plaats verweer doen voeren tegen de vordering van Driving Range, mede aan de hand van overgelegde pleitnotities en producties. Vervolgens heeft hij bij akte een vordering in reconventie ingesteld, die luidt zoals weergegeven onder 3.4, en deze vordering bij monde van zijn advocaat doen toelichten.

1.4

Driving Range heeft vervolgens bij monde van haar advocaat verweer doen voeren tegen de vordering in reconventie.

1.5

Na voortgezet debat, waarbij ook enige inlichtingen zijn ver-

strekt door [....], directeur van Driving Range, en [gedaagde in conventie] in persoon, hebben partijen vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

In conventie en in reconventie

2.1

De [rechtsvoorgangster van Driving Range] [....] exploiteerde tot 1 april 2000 de driving range op het terrein van Golfclub "De Hoge Dijk" aan de [adres].

De driving range omvat mede oefengreens, oefenbunkers, een golfshop, een kantoor en kleedkamers.

2.2

[de rechtsvoorgangster van Driving Range] had met een aantal golfleraren, verder te noemen: teaching pro's, mondelinge overeenkomsten gesloten waarbij, kort gezegd, de teaching pro's tegen een maandelijkse door hen te betalen vergoeding van f. 283,66, exclusief BTW, gebruik mochten maken van de driving range voor het geven van golflessen en golfclinics aan particulieren en bedrijven.

2.3

[gedaagde in conventie] is één van de onder 2.2 genoemde teaching pro's. Hij geeft per week 12 uren golfles. Daarnaast is hij werkzaam als golfprofessional.

2.4

Driving Range is op 1 april 2000 in de plaats getreden van [de rechtsvoorgangster van Driving Range] als huurster en exploitante van de driving range. Zij heeft vanaf die datum de door [de rechtsvoorgangster van Driving Range] met de teaching pro's gesloten overeenkomsten voortgezet.

2.5

Driving Range heeft de teaching pro's reeds in maart 2000

schriftelijk meegedeeld dat zij de faciliteiten van de driving range kwalitatief zou verbeteren en dat zij in verband met de daarmee gepaard gaande kosten de vergoeding voor het gebruik van de driving range per 1 juli 2000 zou verhogen tot een bedrag van f. 625,-- per maand, exclusief BTW.

2.6

Op 11 april 2000 heeft Driving Range een bijeenkomst georganiseerd met de teaching pro's waarin onder meer de verhoging van de door de teaching pro's te betalen vergoeding aan de orde is gekomen. Daarbij is het tot een ernstige woordenwisseling gekomen tussen de directeur van Driving Range en [gedaagde in conventie].

2.7

Bij brief van 26 april 2000 heeft Driving Range, voor zover hier van belang, aan [gedaagde in conventie] bericht:

"(...) Tot op heden hebben wij nog geen betaling van je mogen ontvangen, terwijl je ook nog eens in de vergadering van 11 april j.l. kenbaar maakte niet akkoord te gaan met het nieuwe huurbedrag ad. fl. 8812.50 per jaar (incl.171/2% BTW =

fl. 1312.50). Je deelde ons tegelijkertijd mede daarom te zullen vertrekken. De toegezegde schriftelijke bevestiging heeft ons echter niet bereikt.(...)"

2.8

[gedaagde in conventie] heeft bij brief van 5 mei 2000 onder meer aan Driving Range het volgende meegedeeld:

"(...) Gaarne reageer ik op uw brief over de te betalen pacht, die volgens uw plannen in de toekomst zelfs zal verdubbelen.

(...)

In uw brief kwam u nog even terug op "mijn" eventueel vertrek als professional van "De Hoge Dijk". Hier heb ik inderdaad heel even aan gedacht. Ik kwam al snel tot de conclusie dat u zelf tot een betere oplossing was gekomen.

(...)

Met ingang van heden kunt u dus uw maandelijkse pacht van mij ontvangen om zo tot een sluitende overeenkomst te komen. (...)"

2.9

Bij schrijven van 19 mei 2000 heeft de door Driving Range ingeschakelde gemachtigde aan [gedaagde in conventie] bericht, voor zover hier van belang:

"(...) Op 11 april jl. heeft u ten overstaan van cliënt en uw collega pro's te kennen gegeven niet akkoord te gaan met de aangekondigde verhoging van de huurtermijnen en voorts aangegeven te zullen vertrekken. Bij brief d.d. 26 april jl. heeft cliënt bij gebreke van de door u toegezegde schriftelijke bevestiging van uw vertrek, uw mondelinge opzegging expliciet vastgelegd. (...)

Cliënt wenst bij deze nogmaals te bevestigen dat u de bestaande betrekkingen met zowel [de rechtsvoorgangster van Driving Range] als met C.B. Driving Range B.V. heeft verbroken hetgeen door cliënt is aanvaard. Voor zover na het voorgaande nog nodig wenst

cliënt de huurovereenkomst bij deze op te zeggen met inachtneming van een redelijke opzeggingstermijn per 1 juli 2000. Een en ander houdt in dat cliënt u per 1 juli aanstaande niet meer zal toestaan de driving range faciliteiten voor de uitoefening van uw beroep als teaching golfprofessional te gebruiken.

(...)"

2.10

Bij schrijven van 22 mei 2000 heeft [gedaagde in conventie], voor zover hier van belang, aan Driving Range te kennen gegeven dat hij ter vergadering van 11 april 2000 niet heeft gezegd dat hij schriftelijk zou opzeggen doch dat hij de volgende woorden heeft gebruikt: "Als ik als playing professional, die nog maar 15 uur per week les geeft, dubbele pacht moet gaan betalen kan ik net zo goed stoppen met werken."

2.11

Driving Range heeft bij brief van haar gemachtigde van 30 mei 2000 aan [gedaagde in conventie] bericht vast te houden aan de opzeggingsdatum van 1 juli 2000.

2.12

Bij schrijven van 30 juni 2000 heeft de advocaat van [gedaagde in conventie] aan de gemachtigde van Driving Range bericht, voor zover hier van belang:

"(...) Resteert uw voorwaardelijke opzegging. Uw brief dateert van 19 mei 2000. U veronderstelt een redelijke opzegtermijn in acht te nemen. Ik ben van oordeel dat zulks niet het geval is. De relatie tussen partijen bestaat immers al vanaf 1 april 1992. Gelet op de periode van acht jaar zou een redelijke

(voorwaardelijke) opzegtermijn corresponderen met drie, op z'n minst twee maanden.

Cliënt protesteert tegen de (voorwaardelijke) opzegging en voor de goede orde vermeld ik hier nadrukkelijk dat cliënt ook op en na 1 juli a.s. van de Driving-Range-faciliteiten voor de uitoefening van zijn beroep als Teaching Pro gebruik zal (blijven) maken. Cliënt zal de door uw cliënte overgenomen "bestaande afspraken" met [de rechtsvoorgangster van Driving Range] respecteren.

3. De geschillen van partijen

In conventie

3.1

Driving Range vordert, zakelijk weergegeven, [gedaagde in conventie] te verbieden om zich, terstond na de betekening van het desbetreffende vonnis, gedurende een jaar te bevinden op de driving range - en op de tot de driving range behorende oefengreens, oefenbunkers, in de golfshop, hetkantoor en de kleedkamers - op het terrein van Golfclub "De Hoge Dijk" aan de [adres], met bepaling dat [gedaagde in conventie] voor iedere keer dat hij in strijd met het verbod handelt een dwangsom aan haar betaalt van f. 1.000,--.

3.2

Driving Range stelt dat [gedaagde in conventie] op 11 april 2000 mondeling de overeenkomst van partijen heeft opgezegd en dat zij deze opzegging expliciet heeft aanvaard. Weliswaar heeft [gedaagde in conventie] bij brief van 5 mei 2000 de opzegging van de overeenkomst willen intrekken, doch bij brief van 19 mei 2000 heeft zij, aldus Driving Range, daartegen geprotesteerd en heeft zij tevens van haar kant, voor zover vereist, de overeenkomst aan [gedaagde in conventie] opgezegd tegen 1 juli 2000.

Driving Range stelt voorts dat [gedaagde in conventie] weigert gevolg te geven aan de opzegging van de overeenkomst. [gedaagde in conventie] houdt zich immers in hoedanigheid van golfleraar ostentatief op op de driving range en blijft, ondanks herhaalde aanzeggingen door haar dat zijn aanwezigheid inmiddels niet langer gewenst is, gebruik maken van de faciliteiten van de driving range. Ten slotte voert Driving Range aan dat zij de aanwezigheid van [gedaagde in conventie] op de driving range thans als schadelijk voor haar bedrijfsvoering ervaart, aangezien zij reeds een vervanger heeft aangetrokken voor [gedaagde in conventie], terwijl [gedaagde in conventie] zich ten overstaan van haar

cliëntèle negatief tegenover haar directeur uit en daardoor de sfeer op de driving range negatief beinvloedt.

3.3

[gedaagde in conventie] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering van Driving Range. Hij heeft betoogd dat hij de overeenkomst van partijen geenszins heeft opgezegd. Volgens hem heeft hij op de vergadering van 11 april 2000 enkel kwaad gereageerd op de door Driving Range aangekondigde verhoging van de vergoeding door te zeggen dat hij er bij een dusdanig "hoge huur" net zo goed mee kon ophouden.

Voorts voert hij aan dat de (huur)overeenkomst tussen partijen nog steeds bestaat, aangezien Driving Range de overeenkomst, gelet op de duur daarvan, het door hem opgebouwde klantenbestand en de verworven goodwill, in strijd met de redelijkheid en billijkheid op een te korte termijn heeft opgezegd. Daardoor heeft hij, aldus [gedaagde in conventie], recht op het gebruik van de afslagplaats en op alle verdere faciliteiten van de golfvereniging "De Hoge Dijk". Overigens betwist hij dat hij scheldend op de golfvereniging rondloopt.

Indien de president zou oordelen dat Driving Range de huurovereenkomst wel rechtsgeldig zou hebben opgezegd, zijn de vorderingen, aldus [gedaagde in conventie], in strijd met de Huurwet, aangezien [gedaagde in conventie] de ontruiming nooit heeft aangezegd.

In reconventie

3.4

[gedaagde in conventie] vordert, zakelijk weergegeven:

Primair:

1. Driving Range te gebieden, terstond na de betekening van het desbetreffende vonnis, haar verplichtingen - waaronder het verstrekken van toegang tot de driving range, oefengreens,

oefenbunkers, golfshop en kleedkamers en alle andere faciliteiten, gelijk aan alle andere medewerkers - uit hoofde van de tussen partijen geldende (huur-)overeenkomst na te komen tot het moment dat de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig mocht zijn geëindigd respectievelijk beëindigd;

Subsidiair:

2. te bepalen dat Driving Range hem tot een nadere redelijke datum in de gelegenheid zal stellen om zijn werkzaamheden op de driving range als golfprofessional te verrichten, derhalve Driving Range te veroordelen haar verplichtingen uit de overeenkomst na te komen tot aan de datum van de door de president gestelde "ontruiming";

3. te bepalen dat Driving Range voor iedere keer dat zij in strijd met het hiervoor bepaalde zal handelen, aan hem een

dwangsom zal verbeuren van f. 500,-- per dag of voor elk gedeelte van een dag dat Driving Range in strijd met het hiervoor bepaalde handelt.

3.5

[gedaagde in conventie] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd hetgeen hij als verweer heeft aangevoerd tegen de vordering van Driving Range. Hij heeft daaraan toegevoegd dat, hoewel de huurovereenkomst tussen partijen voortduurt, Driving Range hem sinds 1 juli 2000 ten onrechte weerhoudt om zijn werkzaamheden te verrichten doordat hij in strijd met hetgeen gebruikelijk is geen golfclinics en "lesklanten" via Driving Range (meer) toegewezen krijgt. Daardoor is zijn klantenbestand teruggelopen van 250 naar 50 en lijdt hij schade.

3.6

Driving Range heeft de vordering van [gedaagde in conventie] gemotiveerd bestreden. Op haar verweer zal, voor zover niet reeds onder 3.2 weergegeven,hierna worden ingegaan indien dat nodig is.

4. De beoordeling van de geschillen

In reconventie

4.1

Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of [gedaagde in conventie] op 11 april 2000 de overeenkomst aan Driving Range heeft opgezegd. [gedaagde in conventie] stelt dat dat niet het geval is, terwijl Driving Range van mening is dat daarvan wel sprake is en dat zij met die opzegging akkoord is gegaan. Voorshands is op grond van de door Driving Range overgelegde stukken en hetgeen partijen dienaangaande ter zitting naar voren hebben gebracht niet althans onvoldoende duidelijk geworden dat [gedaagde in conventie] de overeenkomst onvoorwaardelijk heeft opgezegd en dat Driving Range daarmee akkoord is gegaan. Daartoe zou een nader onderzoek naar de feiten en omstandigheden noodzakelijk zijn, hetgeen in kort geding niet mogelijk is. In dit geding kan er derhalve niet van worden uitgegaan dat [gedaagde in conventie] de overeenkomst heeft opgezegd.

4.2

Partijen verschillen voorts van mening over de vraag of Driving Range bij brief van 19 mei 2000 de overeenkomst van partijen rechtsgeldig heeft opgezegd. Alvorens deze vraag te kunnen beantwoorden, dient te worden beoordeeld welke kwalificatie aan de rechtsbetrekking tussen partijen dient te worden gegeven. Volgens Driving Range is de rechtsbetrekking hetzij een huurovereenkomst in de zin van de artikelen 7A:1584 e.v. BW waarop in ieder geval niet de Huurwet van toepassing is, aangezien de driving range een ongebouwde onroerende zaak is, hetzij een onbenoemde (gebruiks)overeenkomst. Volgens [gedaagde in conventie] is tussen partijen sprake van een huurovereenkomst in de zin van de artikelen 7A:1584 e.v. BW waarop wel de Huurwet van toepassing is. Dit omdat, aldus [gedaagde in conventie], de afslagplaats een geliberaliseerde bedrijfsruimte is.

Overwogen wordt dat eerst sprake is van een huurovereenkomst indien de zaak waarover de huurder de beschikking heeft behoorlijk gedentificeerd is. Niet voldoende is dat hem nu eens deze en dan weer die zaak ter beschikking wordt gesteld.

Tussen partijen staat vast dat de afslagplaats wordt gevormd door een box, bestaande uit een vloer met 2 zijwanden en een dakje. Voorts is van belang dat er een aantal van deze boxen op de driving range aanwezig zijn (volgens Driving Range 4 en volgens [gedaagde in conventie] 5) en dat de 8 teaching pro's deze boxen vrijelijk kunnen gebruiken. Driving Range heeft ter adstruering van haar standpunt onweersproken gesteld dat iedere teaching pro per keer bekijkt welke box vrij is, terwijl het bovendien niet de gewoonte is dat zich in de box enig persoonlijk eigendom van een teaching pro bevindt. Tegen deze achtergrond is naar het oordeel van de president in het onderhavige geval niet aan het hierboven genoemde criterium van een "identificeerbare zaak" voldaan. Dat betekent dat de overeenkomst tussen partijen niet als een huurovereenkomst kan worden aangemerkt. Dat Driving Range op de aan [gedaagde in conventie] gestuurde facturen melding maakt van "huur van een box of afslagplaats" staat aan dat oordeel niet in de weg noch het feit dat [gedaagde in conventie] onweersproken heeft gesteld dat hij tot 1 april 2000 zijn spullen in een afsluitbare locker in de golfshop heeft gehad. Het voorgaande impliceert dat uitgegaan dient te worden van een onbenoemde overeenkomst.

4.3

Driving Range heeft onweersproken gesteld dat de overeenkomst van partijen voor onbepaalde tijd is aangegaan, terwijl uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht verder kan worden afgeleid dat de overeenkomst geen opzegtermijn bevat. Evenmin is gesteld of gebleken dat partijen hebben beoogd dat de overeenkomst in het geheel niet opzegbaar zou zijn.

Dat betekent dat de onderhavige overeenkomst, ook nu geen opzegtermijn is overeengekomen, kan worden opgezegd, mits daarbij een redelijke opzegtermijn in acht wordt genomen en voor het overige niet onnodig schade aan [gedaagde in conventie] wordt toegebracht. Uit de brief die zijn advocaat op 30 juni 2000 aan Driving Range heeft gezonden blijkt dat [gedaagde in conventie] zelf de mening was toegedaan dat, gelet op de periode van acht jaren dat hij reeds als teaching pro op golfbaan "De Hoge Dijk" werkzaam was, een opzegtermijn van drie, op z'n minst twee maanden, redelijk was. Die termijn is in ieder geval verstreken, zodat de overeenkomst als beëindigd moet worden beschouwd. Nu ook een afweging van de wederzijdse belangen de door Driving Range gestelde opzegtermijn niet in de weg staat waarbij in aanmerking wordt genomen dat Driving Range onweersproken heeft gesteld reeds een overeenkomst met een vervanger voor [gedaagde in conventie] te zijn aangegaan, is er geen grond voor een voortzetting van de overeenkomst en dient de primaire vordering te worden afgewezen.

4.4

Ook de subsidiaire vordering dient te worden afgewezen, nu sinds de opzegging van de overeenkomst reeds 4,5 maanden zijn verstreken en [gedaagde in conventie] ruimschoots de tijd heeft gehad om te onderzoeken of hij elders als teaching pro werkzaam kan zijn.

4.5

[gedaagde in conventie] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

In conventie

4.6

De vordering, zoals deze door Driving Range is geformuleerd, houdt in een algeheel verbod aan [gedaagde in conventie] om de driving range te betreden. Nu Driving Range op zichzelf niet heeft weersproken dat het golfterrein een voor iedereen toegankelijk terrein is, moet voor het toewijzen van een dergelijk ingrijpende maatregel in ieder geval in hoge mate aannemelijk zijn dat er feiten en omstandigheden zijn die zo'n inbreuk op het in beginsel ook aan [gedaagde in conventie] toekomende recht om zich op de driving range te kunnen begeven kunnen rechtvaardigen.

4.7

Het enkele feit dat tussen partijen een discussie is ontstaan over de uitvoering van de overeenkomst met als gevolg dat de tussen hen bestaande overeenkomst is geëindigd en [gedaagde in conventie] niet meer als teaching pro op de driving range werkzaam kan zijn is daartoe onvoldoende. Hoewel Driving Range heeft gesteld dat [gedaagde in conventie] de sfeer op de driving range negatief benvloedt doordat hij in de golfshop in het bijzijn van cliëntèle de directeur van Driving Range uitscheldt, heeft hij deze stelling tegenover de betwisting door [gedaagde in conventie] op geen enkele wijze nader toegelicht of onderbouwd. Ook heeft Driving Range niet aannemelijk gemaakt dat [gedaagde in conventie] zijn uiterste best doet om de andere teaching pro's tegen haar directeur op te zetten. Het feit dat [gedaagde in conventie] zijn correspondentie aan [de directeur van Driving Range] in kopie aan de andere teaching pro's doet toekomen is daartoe niet toereikend. Onder deze omstandigheden kan de vordering niet worden toegewezen.

4.8

Driving Range zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De president:

In conventie

5.1

Wijst de vordering af;

5.2

Veroordeelt Driving Range in de kosten van dit geding, tot aan de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van [gedaagde in conventie] begroot op f. 1.000,-- voor salaris van de advocaat en op f. 400,-- voor verschotten. Verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij

voorraad;

In reconventie

5.3

Wijst de vordering af;

5.4

Veroordeelt [gedaagde in conventie] in de kosten van dit geding, tot aan de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van Driving Range begroot op f. 1.550,-- voor salaris van de procureur en op nihil voor verschotten. Verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij

voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.M.E. van der Burg-van Geest, fungerend president, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2000.