Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2000:AA6287

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
16/038269-99 en 16/039010-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Utrecht

Parketnummer : 16/038269-99 (en 16/039010-99)

Datum uitspraak : 23 juni 2000

Naam : [verdachte]

Tegenspraak Verkort vonnis

Raadsman: mr. T.J. Stapel

V O N N I S

van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 juni 2000.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is wijziging van het onder 2 ten laste gelegde feit ter terechtzitting toegestaan.

Van de dagvaarding en van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Door de raadsman is ter terechtzitting namens verdachte aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging voor zover betrekking hebbend op het onderzoek ten aanzien van de feiten 3, 4 en 5 (de zaak met betrekking tot het slachtoffer [...]), aangezien het Openbaar Ministerie verdachte bewust zou hebben misleid. De raadsman heeft daartoe gesteld dat verdachte is gevraagd lichaamseigen stoffen af te staan in het onderzoek ten aanzien van de feiten 1 en 2 (de zaken met betrekking tot de slachtoffers [S.H.] en [M.S.]), terwijl verdachte niet was gemeld dat hij tevens in het onderzoek met betrekking tot het slachtoffer [...] als verdachte werd aangemerkt en er inmiddels een gerechtelijk vooronderzoek in laatstgenoemde zaak tegen verdachte was geopend.

De rechtbank verwerpt dit verweer reeds hierom omdat op het moment dat verdachte toestemming gaf voor het afnemen van die lichaamseigen stoffen - in casu 30 september 1999 - er nog geen gerechtelijk vooronderzoek jegens verdachte was geopend in het onderzoek met betrekking tot het slachtoffer [...]. Dit laatste is eerst op 4 oktober 1999 gebeurd op basis van de in het daartoe inleidend proces-verbaal vermelde feiten en omstandigheden.

Dat van de opening van bedoeld gerechtelijk vooronderzoek niet direct mededeling is gedaan aan verdachte heeft de officier van justitie gemotiveerd door te zeggen dat er op dat moment in het belang van het onderzoek - er liep een telefoontap - geen mededelingen zijn gedaan.

Gelet op de ernst van de te onderzoeken zaak en het opsporingsbelang acht de rechtbank zulks niet onaannemelijk, en in ieder geval is het naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheid waaruit volgt dat gezegd kan worden dat verdachte hierdoor bewust is misleid.

De bewijsbeslissing

3.1. Verweer met betrekking tot onrechtmatig verkregen bewijs

Door de raadsman is aangevoerd dat in het onderzoek met betrekking tot het slachtoffer [...] het resultaat van het verrichte DNA-onderzoek met behulp van de van verdachte in het onderzoek met betrekking tot de slachtoffers [S.H.] en [M.S.] afgenomen lichaamseigen stoffen moet worden aangemerkt als onrechtmatig verkregen bewijs, aangezien verdachte voor het gebruik van die lichaamseigen stoffen nimmer toestemming heeft gegeven in het onderzoek met betrekking tot het slachtoffer [...].

De rechtbank verwerpt dit verweer op grond van de volgende feiten:

Direct na het aantreffen van het stoffelijk overschot van het slachtoffer [...] werd een partieel DNA-profiel veiliggesteld, dat niet afkomstig bleek van het slachtoffer.

Dit partiële DNA-profiel werd destijds vergeleken met de DNA-gegevens zoals deze bij het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk in een databank zijn opgeslagen. Deze vergelijking heeft toen niet tot enig resultaat geleid.

De officier van justitie heeft vervolgens opdracht gegeven het hierbovengenoemde DNA-profiel op regelmatige basis te vergelijken met de gegevens in de databank die in de toekomst in die databank zouden worden opgenomen.

Het DNA-profiel van verdachte, dat is kunnen worden vastgesteld naar aanleiding van de afname van lichaamseigen stoffen in het onderzoek met betrekking tot de slachtoffers [S.H.] en [M.S.] (welke stoffen met toestemming van verdachte van 30 september 1999 zijn afgenomen), is in opdracht van de rechter-commissaris en overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke regelingen ook opgenomen in voornoemde databank. Bovendien heeft de rechter-commissaris opdracht gegeven dit DNA-profiel te vergelijken met de in de databank aanwezige DNA-profielen. Vervolgens leverde dat op 14 oktober 1999 een zogenaamde match op met het partiële DNA-profiel zoals dat bij het slachtoffer [...] werd aangetroffen.

Deze gang van zaken is in overeenstemming met de wettelijke regelingen.

Het feit dat op 4 oktober 1999 het gerechtelijk vooronderzoek met betrekking tot het slachtoffer [...] jegens verdachte werd gestart doet hieraan niet af.

3.2. Vrijspraak

ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

Hoewel de rechtbank niet uitgesloten acht dat de vrijheidsberoving van het slachtoffer [...] heeft plaatsgevonden, is er voor de bewezenverklaring hiervan onvoldoende wettig bewijs.

De verdachte moet derhalve van het onder 3 tenlastegelegde worden vrijgesproken.

ten aanzien van het onder 4 kennelijk primair tenlastegelegde:

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat er bij verdachte sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg alvorens het slachtoffer [...] opzettelijk van het leven te beroven, zodat verdachte ten aanzien van de onder 4 kennelijk primair tenlastegelegde moord moet worden vrijgesproken.

ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde:

Hoewel het slachtoffer [...] met ontbloot onderlichaam is aangetroffen, is onvoldoende wettig bewijs aanwezig om tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde verkrachting te komen.

De verdachte moet derhalve van het onder 5 tenlastegelegde worden vrijgesproken.

3.3. De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 4 kennelijk subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage III van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Ten aanzien van het onder 4 kennelijk subsidiair tenlastegelegde heeft de rechtbank bovendien het volgende overwogen.

Op de dag van de verdwijning van [slachtoffer] is de auto van verdachte in de omgeving van de plaats, waar [slachtoffer] verdwenen moet zijn, gezien, éénmaal kort voor het tijdstip dat [slachtoffer] voor het laatst is gezien en éénmaal enkele uren daarna.

Voorts is de dag daarna haar fiets aangetroffen op een plaats langs een voor haar gebruikelijke route, onder bladeren verborgen in het bos.

Aan het rechterhandvat van de fiets is een geurspoor aangetroffen dat rechtstreeks op verdachte is terug te brengen.

Diezelfde nacht is de auto van verdachte gezien om en nabij de plaats waar [slachtoffer] zeer waarschijnlijk in het water is achtergelaten.

Bij onderzoek van het stoffelijk overschot dat later is aangetroffen, is op het lichaam celmateriaal gevonden waarvan na DNA-onderzoek is gebleken dat dit van verdachte afkomstig is.

Gezien de omstandigheden die in de processtukken worden geschetst, de manier waarop het slachtoffer in het water is aangetroffen, met name met ontbloot onderlichaam, en de verklaring van de patholoog-anatoom afgelegd ter terechtzitting, concludeert de rechtbank dat [slachtoffer] geen natuurlijke dood is gestorven.

Gelet op de overige omstandigheden rondom haar verdwijning concludeert de rechtbank voorts dat verdachte degene is geweest die haar om het leven heeft gebracht.

Het korte tijdsbestek tussen het ogenblik van verdwijnen van [slachtoffer] en het achterlaten van haar lichaam in het water, laat geen andere conclusie toe.

De vorenstaande conclusie van de rechtbank wordt nog bevestigd door het feit dat verdachte omtrent zijn verblijfplaats rondom het tijdstip van de verdwijning van [slachtoffer] leugenachtig heeft verklaard, kennelijk met het doel de waarheid te verbergen.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Met name heeft de rechtbank vanwege de leesbaarheid van de bewezenverklaring in het onder 1 tenlastegelegde feit in regel 8 en in het onder 2 tenlastegelegde feit in regel 7 een aantal verbeteringen aangebracht. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde:

Verkrachting, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Doodslag.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

- Verdachte heeft binnen één maand twee jonge vrouwen, van resp. 17 en 22 jaar, op berekenende wijze benaderd en onder valse voorwendselen in een auto gelokt.

Eenmaal in de auto heeft verdachte de beide vrouwen onder bedreiging met een mes respectievelijk priem verkracht. De situatie die verdachte voor deze vrouwen heeft doen ontstaan was dermate bedreigend dat zij beiden hebben verklaard uit lijfsbehoud te hebben toegeven aan de lustgevoelens van verdachte.

De doodsangst die zij hebben moeten ervaren is bevestigd door het feit dat zij later hebben vernomen dat een derde slachtoffer door dezelfde verdachte om het leven is gebracht.

- De slachtoffers zijn door de hen overkomen traumatische ervaring zeer ernstig aangetast in hun lichamelijke integriteit en beschadigd in hun vertrouwen in mensen. Hun beider leven is door de door verdachte gepleegde feiten ingrijpend veranderd. Slachtoffers van dergelijke feiten kunnen nog zeer lange tijd last hebben van gevoelens van onzekerheid en onveiligheid.

- Verdachte heeft voorts een meisje van 13 jaar, [slachtoffer], opzettelijk van het leven beroofd. Daarna heeft hij haar stoffelijk overschot verborgen, waardoor de ouders lange tijd in onzekerheid hebben verkeerd omtrent het lot van hun kind.

- Het leed dat verdachte aan het slachtoffer heeft aangedaan is niet in te schatten bij gebrek aan wetenschap over feiten en omstandigheden waaronder zich een en ander heeft afgespeeld. Wel staat vast dat verdachte door zijn handelen de directe familie- en vriendenkring van het slachtoffer een onherstelbaar en onbeschrijflijk leed heeft toegebracht. De onzekerheid die bedoelde nabestaanden hebben omtrent hetgeen zich in de laatste uren van het leven van [slachtoffer] heeft afgespeeld, blijft bestaan door de opstelling van verdachte en maakt het voor de nabestaanden moeilijker haar dood te verwerken.

- Bij het plegen van de bewezenverklaarde feiten is de verdachte planmatig te werk gegaan en is hij uitsluitend gericht geweest op de bevrediging van zijn eigen (seksuele) lusten en behoeften.

- Bovendien heeft verdachte door de hierboven gepleegde feiten gevoelens van onrust en onveiligheid alsmede gevoelens van woede en onmacht in de Nederlandse samenleving teweeggebracht.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 27 september 1999, waaruit blijkt dat de verdachte (onder andere) in 1985 wegens een zedendelict voor het eerst werd veroordeeld, en dat hij in 1995 voor de tweede maal werd veroordeeld wegens zedendelicten, nu tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren.

- een briefrapportage betreffende verdachte opgemaakt door D. Kok, forensisch psychiater te Utrecht d.d. 21 oktober 1999.

- een rapport betreffende de verdachte van het Pieter Baan Centrum te Utrecht d.d. 22 maart 2000, opgemaakt door J.H. van Renesse, psychiater, en J.K. Kruyt, psycholoog, beiden verbonden aan voornoemd Centrum, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:

p8 "Dit rapport kwam tot stand op basis van contacten met betrokkene en op basis van de reeds aanwezige PBC-rapportage uit 1993 en 1995 en het penitentiair dossier.

p11 Betrokkene was van 7 januari 1993 tot 24 februari 1993 opgenomen in het PBC vanwege zedendelicten. Het PBC concludeerde destijds dat er bij betrokkene sprake was van een ernstige persoonlijkheidsstoornis en achtte de kans op herhaling groot. Op grond daarvan werd tbs met dwangverpleging geadviseerd.

De rechtbank te Amsterdam volgde het PBC-rapport, veroordeelde betrokkene tot drie jaar gevangenisstraf en legde de maatregel van tbs met verpleging op. Betrokkene ging hiertegen in beroep. Ook in hoger beroep werd betrokkene veroordeeld tot drie jaar plus tbs, waarop betrokkene in cassatie ging. De uitspraak van het Hof te Amsterdam werd vernietigd en de zaak werd verwezen naar het Hof te Den Haag. Het Gerechtshof te Den Haag wilde aanvullend onderzoek - omdat het PBC-rapport inmiddels ouder was dan een half jaar - om antwoord te krijgen op de vraag of de destijds uitgebrachte conclusie en advies nog onverminderd van kracht waren. Betrokkene werd hiertoe in maart 1995 in het PBC opgenomen. Betrokkene weigerde echter zijn medewerking te geven aan het onderzoek, waardoor er niet kon worden gerapporteerd. Betrokkene werd daarop in december 1995 veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf, drie jaar meer dan de eis, omdat de kans op herhaling zeer groot werd geacht.

p42 Hoewel in de voorgaande rapportage (d.d. 17 maart 1993) van het PBC werd geconcludeerd tot een ernstige persoonlijkheidsstoornis zijn er door de weigerende houding van betrokkene in het huidige onderzoek op basis van eigen gespreksindrukken onvoldoende gegevens voorhanden om tot een conclusie te komen.

Ware betrokkene echter meer toegankelijk geweest voor het onderzoek, dan zou wellicht tot een conclusie zijn gekomen, mogelijk conform de vorige rapportage, temeer daar het onwaarschijnlijk is dat de daar beschreven persoonlijkheidspathologie, zonder behandeling, spontaan zou zijn afgenomen of zelfs verdwenen."

- Een rapport betreffende de verdachte van het Pieter Baan Centrum te Utrecht d.d. 17 maart 1993, opgemaakt door J.M.J.F. Offermans, psychiater verbonden aan voornoemd Centrum, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:

p52 "Conclusie

Op grond van het bovenstaande zijn wij van mening dat onderzochte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid - overeenkomstig een dergelijk besef - te bepalen.

In antwoord op de in hoofde gestelde vraag concluderen de ondergetekenden, dat onderzochte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat deze feiten - indien bewezen - hem slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Advies

De aard en ernst van betrokkenes psychiatrische problematiek (persoonlijkheidsstoornis), onder andere tot uitdrukking komend in gebrek aan empathie, slechte frustratie-tolerantie, drang naar directe behoeftebevrediging, "seksualisatie" van gevoelens van onvrede en (verlatings-) angsten, maken de kans op herhaling van feiten als de tenlastegelegde - indien bewezen - groot. Mogelijkheden om betrokkene in een ambulante setting te behandelen zijn - gezien de ernst van de problematiek en eerdere ambulante ervaringen - naar de mening van het onderzoekend team afwezig.

Derhalve menen wij Uw college te moeten adviseren betrokkene een maatregel op te leggen in de zin van een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege."

- een brief van het Pieter Baan Centrum te Utrecht, opgemaakt door

Prof. dr. H.J.C. van Marle, geneesheer-directeur van voornoemd Centrum,

d.d. 3 november 1995, onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:

"In april 1995 is [verdachte] enkele weken opgenomen geweest in het P.B.C. in het kader van een aanvullend onderzoek om te beoordelen of de op 17 maart 1993 uitgebrachte conclusie en advies nog onverminderd van kracht waren. Een hernieuwd onderzoek naar de persoonlijkheid van [verdachte] kon toen niet plaatsvinden door zijn weigerende opstelling.

Het blijft ook thans onmogelijk, zonder nieuw onderzoek, onze bevindingen van destijds te verifiëren en uw vraag te beantwoorden of het aannemelijk is dat de destijds geconstateerde stoornis nog aanwezig is.

In zijn algemeenheid is het niet aannemelijk dat er van een persoonlijkheidsstoornis, zoals bij [verdachte] aanwezig werd geacht, gelet op de aard en de ernst ervan, na twee en een half jaar tijd, zonder behandeling, geen sprake meer is."

De rechtbank concludeert uit bovengenoemde rapporten dat op het moment van het plegen van de thans bewezenverklaarde feiten er bij verdachte sprake is geweest van een persoonlijkheidsstoornis, nu het - gelet op de conclusie van het PBC van 22 maart 2000 - onwaarschijnlijk wordt geacht dat de eerder aanwezig geachte persoonlijkheidsstoornis zonder behandeling spontaan zou zijn afgenomen of verdwenen. De rechtbank ziet dit bevestigd in de aard van de thans bewezenverklaarde feiten.

Voorts heeft de rechtbank het feit meegewogen dat verdachte het onder 4 bewezenverklaarde heeft begaan binnen twee maanden na beëindiging van zijn detentie van 6 jaren terzake van soortgelijke delicten.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van maximale duur die de wet in dergelijke gevallen toelaat op zijn plaats. Daarnaast zal de rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opleggen, aangezien de veiligheid van anderen danwel de algemene veiligheid van personen dit naar het oordeel van de rechtbank eist.

Dat er met het opleggen van deze straf en maatregel wellicht geen ander doel wordt bereikt dan maximale bescherming van de maatschappij, acht de rechtbank gelet op de gruwelijkheid van de feiten en de persoon van de verdachte, mede gelet op zijn strafrechtelijk verleden, geboden.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 37a, 37b, 57, 242 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING:

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 3, 4 kennelijk primair en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 4 kennelijk subsidiair ten laste gelegde feiten, zoals vermeld in bijlage III van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de tijd van TWINTIG (20) JAREN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

GELAST DE TERBESCHIKKINGSTELLING van verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege.

Dit vonnis is gewezen door:

mrs. R.H.M. Jansen, E.F.A. van Buitenen en P. Bender, bijgestaan door R. van Duffelen als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 juni 2000.

BIJLAGE III

De bewezenverklaring

1. dat hij in de periode van 9 augustus 1999 tot en met 13 augustus 1999 in Nederland door geweld of andere feitelijkheden en/of bedreiging met geweld [S.H.] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die telkens bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [S.H.], hebbende verdachte meermalen zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [S.H.] geduwd, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld hierin dat verdachte

op 9 augustus 1999

- zich tegenover die [S.H.] heeft voorgedaan als medewerker van een modellenbureau en

- die [S.H.] heeft gevraagd of zij geïnteresseerd was in modellenwerk en

op 13 augustus 1999

- die [S.H.] heeft opgebeld en een afspraak met haar heeft gemaakt voor een fotosessie en aldus haar heeft bewogen om bij hem, verdachte, in de laadruimte van een bestelauto plaats te nemen en

vervolgens in die auto

- een mes aan die H. heeft getoond en tegen haar keel gehouden en

- tegen die [S.H.] heeft gezegd dat ze niet moest gillen en dat zij op haar buik moest gaan liggen en dat zij haar handen op haar rug moest doen en

- vervolgens de handen en de benen van die [S.H.] heeft geboeid/vastgebonden en

- nadat hij, verdachte, het touw rond haar benen had losgesneden tegen die H. heeft gezegd dat zij zich uit moest kleden en dat zij haar benen moest spreiden en

- bovenop die [S.H.] is gaan liggen

en aldus voor die [S.H.] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

2. dat hij op 2 september 1999 in Nederland door geweld of andere feitelijkheden en/of bedreiging met geweld [M.S.] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die telkens bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [M.S.], hebbende verdachte meermalen zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [M.S.] geduwd en/of zijn, verdachtes, tong in de mond van die [M.S.] gebracht en/of zijn, verdachtes, penis in de mond van die [M.S.] gebracht, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld hierin dat verdachte

- die [M.S.] heeft aangesproken en tegen haar heeft gezegd dat er iets met zijn elders geparkeerde auto aan de hand was en aan haar heeft gevraagd of zij hem met haar auto naar zijn auto wilde brengen en

- aldus haar heeft bewogen om hem, verdachte, in haar auto plaats te laten nemen en vervolgens te gaan rijden en vervolgens

- die [M.S.] bij haar haren heeft vastgepakt en

- een scherp/puntig voorwerp aan die [M.S.] heeft getoond en tegen het hoofd van die [M.S.] heeft gehouden en

- tegen die [M.S.] heeft gezegd: "Ik wil je auto." en "Ik wil jou erbij." en nadat die [M.S.] het portier van de auto probeerde te openen "Pas op, je maakt me kwaad." en "Ga op je buik liggen." en "Ik doe je handboeien om.", en vervolgens

- de armen van die [M.S.] achter haar rug heeft gebracht en die S. handboeien heeft omgedaan en

- vervolgens tegen die [M.S.] heeft gezegd: "Maak geen gekke bewegingen en doe geen rare dingen want je weet wat er gebeurt als ik kwaad word." en

- vervolgens achter het stuur heeft plaatsgenomen en naar een andere locatie is gereden en

- nadat hij die auto tot stilstand had gebracht en de handboeien had losgemaakt tegen die [M.S.] heeft gezegd: "Probeer niet weg te rennen want je weet wat er gebeurt als je me kwaad maakt." en daarbij een scherp/puntig voorwerp aan die [M.S.] heeft getoond,

en aldus voor die [M.S.] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

4. hij in de periode van 19 januari 1999 tot en met 24 februari 1999 in Nederland opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door opzettelijk zodanig geweld tegen/op die [slachtoffer] uit te oefenen en/of die [slachtoffer] in een zodanige situatie te brengen en/of te houden dat zij is overleden, althans in ieder geval opzettelijk die [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.