Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2000:AA5885

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-02-2000
Datum publicatie
16-01-2002
Zaaknummer
97/2745 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur 10, geldigheid: 2000-02-04
Wet openbaarheid van bestuur 3, geldigheid: 2000-02-04
Wet openbaarheid van bestuur 7, geldigheid: 2000-02-04
Wet openbaarheid van bestuur 7, geldigheid: 2000-02-04
Wet openbaarheid van bestuur 10, geldigheid: 2000-02-04
Wet openbaarheid van bestuur 3, geldigheid: 2000-02-04
Wet openbaarheid van bestuur 7, geldigheid: 2000-02-04
Wet openbaarheid van bestuur 7, geldigheid: 2000-02-04
Wet openbaarheid van bestuur 10, geldigheid: 2000-02-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Reg. nr.: 97/2745 WET

UITSPRAAK van de arrondissements-

rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer

voor de behandeling van bestuursrechtelijke

zaken, in het geding tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

e i s e r,

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

v e r w e e r d e r.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij besluit van 18 juli 1997 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser, gericht tegen het besluit van 10 september 1996, waarbij eiser in geparafraseerde vorm is medegedeeld wat over hem met betrekking tot niet-actuele kwesties bekend was bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst (hierna: BVD), ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 28 augustus 1997 beroep ingesteld.

Bij brief van 28 september 1997 zijn namens eiser de gronden van het beroep ingediend.

Voorts heeft eiser de rechtbank als bijlage bij brief van 29 september 1997 de rechtbank nog enkele stukken doen toekomen.

Bij schrijven van 13 november 1997 heeft verweerder een verweerschrift alsmede een aantal op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Voorts heeft verweerder stukken aan de rechtbank doen toekomen ten aanzien waarvan door verweerder het voorbehoud van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is gemaakt.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist dat, gelet op de aard van de zaak, waarbij de openbaarheid van de evenbedoelde stukken de kern van het geschil vormt, beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

Namens eiser is bij het aanvullend beroepschrift van 28 september 1997, alsmede bij brief van 19 juli 1999 toestemming verleend om op grond van deze stukken uitspraak te doen.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 oktober 1999, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde R. Vleugels. Namens verweerder is verschenen mr B.C. Knieriem, ambtenaar ten departemente.

Met toestemming van eiser heeft een gedeelte van de behandeling buiten aanwezigheid van eiser en zijn gemachtigde plaatsgevonden.

2. OVERWEGINGEN

Feiten

Eiser heeft op 28 november 1991 de Vereniging Voorkom Vernietiging (hierna te noemen: VVV) gemachtigd om namens hem verzoeken in te dienen met betrekking tot de eventueel over hem bij de BVD geregistreerde gegevens. Voorts heeft eiser aan de VVV een machtiging afgegeven betreffende zijn eventuele registratie bij de Politie Inlichtingendienst - Utrecht (PID - Utrecht).

Op de door de VVV namens haar leden ingediende verzoeken is door verweerder aanvankelijk zowel in eerste instantie als in het daarop volgende besluit op bezwaar negatief beslist.

Hierbij baseerde verweerder zich op de regels gesteld bij en krachtens de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV) en met name op het gestelde in artikel 16 van deze wet en de daarop gebaseerde privacyregeling BVD.

Nadien heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 16 juni 1994 in de zaak Van Baggum echter geconcludeerd dat artikel 16 Wiv in bepaalde gevallen toepassing mist wegens strijd met de artikelen 8 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en dat verzoeken als die van eiser individueel dienen te worden getoetst aan de Wet openbaarheid van bestuur (WOB).

In verband met de gewijzigde jurisprudentie zijn namens verweerder met de VVV afspraken gemaakt over de afhandeling van door individuele VVV-leden ingediende verzoeken.

Vervolgens is door eiser bij een op 2 maart 1995 ondertekende nadere toelichting aangegeven dat zijn verzoek om inzage in zijn dossiers bij de BVD en/of PID’s betrekking heeft op de periode "tot en met heden". Door eiser zijn daarbij diverse contexten genoemd.

Verweerder heeft bij het primaire besluit van 10 september 1996 onder meer het volgende overwogen:

"U heeft de volgende contexten genoemd

1. DSSV Politeia Utrecht;

2. Studentenvakbeweging SVB Utrecht;

3. Bond voor Dienstplichtigen BVD;

4. AMOK - Anti Militairisties Tijdschrift;

5. Landelijk Comité tegen vrijwilligersleger;

6. Rote Armee Fraktion;

7. Onkruit;

8. Rood Front Utrecht;

9. VVDM;

10. Demonstraties/ manifestaties;

11. Hulp aan onderduikers;

12. Reizen naar Duitsland, Engeland;

13. Bezetting Grieks arbeidsbureau Utrecht;

14. Bezetting gebouw Amicales Utrecht

15. BVD aandacht i.v.m. sollicitaties (screening)

16. Polen

De door u opgegeven contexten genoemd onder 1 en 2 betreffen de aandacht die de BVD in het eind van de jaren zestig en begin van de jaren zeventig had voor de studentenbeweging (…).

De destijds in dit verband verzamelde en geregistreerde gegevens zijn met het oog op de huidige taakuitoefening van de BVD niet langer actueel. De veiligheid van de Staat verzet zich er derhalve niet langer tegen u thans mede te delen dat er in dit kader destijds enige gegevens over u zijn vastgelegd.

De door u onder 8 en 16 genoemde contexten staan in relatie tot de vroegere taak van de BVD met betrekking tot de communistische dreiging, zoals die in de tijd van de Koude Oorlog werd gevoeld. Ten aanzien van deze maatschappelijke contexten moet thans worden geconcludeerd dat zij voor het huidig functioneren van de BVD, mede (lees: gelet) op de tegenwoordige taakstelling van deze dienst niet langer actueel zijn. Het belang van de staatsveiligheid verzet zich er daarom niet langer tegen u thans mee te delen dat de BVD in het verleden in het kader van deze contexten enkele gegevens over u heeft verzameld en geregistreerd.

Met betrekking tot de eventuele aandacht van de BVD voor uw persoon in verband met demonstraties en protestbewegingen mag ik u slechts mededeling doen voorzover de actiedoelen thans, uit oogpunt van de taakuitvoering van de BVD, niet langer actueel zijn. Dit betreft de onder 13 en 14 genoemde contexten. Ik mag u daarom meedelen dat er met betrekking tot genoemde bezettingsacties enkele gegevens over u zijn aangetroffen.

De door u bij de contexten 3, 4, 5, 7, en 11 genoemde organisaties en actiegroepen, ten aanzien waarvan u vermoedt dat de BVD gegevens over uw deelname daaraan heeft vastgelegd, hebben gemeen dat zij alleen (lees: alle) een anti-militaristisch karakter hebben. De BVD heeft voor dergelijke organisaties alleen belangstelling voor zover daar personen of groepen van personen bij betrokken zijn die gelet op de taakstelling van de BVD de aandacht van de dienst behoeven. Dat is bijvoorbeeld het geval indien zij trachten door geweld of dreiging daarmee, trachten de democratische besluitvorming te beïnvloeden. Het betreffende actieterrein is voor dergelijke (kwaadwillende) personen of groepen van personen nog altijd actueel. Informatie daarover is derhalve voor de taakvoering van de BVD ook nog steeds actueel. Om die reden verzet het belang van de staatsveiligheid zich er tegen u mede te delen of er met betrekking tot de door u genoemde acties en actiegroepen bij de BVD gegevens over u zijn geregistreerd. Om diezelfde reden mag ik ook (lees: geen) mededeling doen over eventuele registraties in relatie tot de Rote Armee Fraction (context 6).

De door u bij 9 en 12 genoemde contexten waren als zodanig nimmer voorwerp van onderzoek door de BVD (…). Hetzelfde is ook het geval met betrekking tot de door u onder 10 genoemde context. Demonstraties en manifestaties constitueren op zichzelf genomen nimmer BVD-aandacht. (…).

Met betrekking tot de door u veronderstelde BVD-aandacht voor uw persoon, in verband met uw sollicitaties (screening) zijn geen gegevens aangetroffen.

Een aantal van de geregistreerde gegevens, dan wel (delen van) documenten waarin deze zijn vastgelegd, mogen echter niet openbaar worden gemaakt omdat daardoor bronnen van de BVD bekend zouden worden of omdat daardoor een nog actuele werkwijze openbaar zou kunnen worden, met als gevolg dat daardoor het goede functioneren van de BVD en daarmee de veiligheid van de Staat ten behoeve waarvan deze dienst werkzaam is, zou kunnen worden geschaad (artikel 10, eerste lid, onder b van de Wob, juncto artikel 14 van de WIV). Ook moest een aantal namen in het voor vrijgave beschikbare materiaal worden doorgehaald. De reden daarvoor is dat artikel 16 van de WIV mij geen ruimte biedt om u persoonsgegevens van derden te verstrekken. Genoemde beperkingen leiden er onder meer toe dat een aantal gegevens, vanwege het grote aantal noodzakelijke doorhalingen, slechts in geparafraseerde vorm kunnen worden vrijgegeven.

Bij nadere afspraak met de VVV is overeengekomen dat u bij de behandeling van uw verzoek ook andere eventueel over u aangetroffen gegevens zullen worden betrokken, voor zover deze geen betrekking hebben op onderwerpen die in het licht van de taakuitvoering van de BVD thans nog actueel zijn. Na grondig archiefonderzoek zijn inderdaad nog een aantal gegevens over u aangetroffen, die voor de taakuitvoering van de BVD niet meer actueel zijn en die geen betrekking hebben op de door u aangegeven contexten. Het gaat dan met name om gegevens die over u zijn vastgelegd in relatie tot (lees: de) vroegere taak van de BVD met betrekking tot de communistische dreiging, zoals die in de tijd van de Koude Oorlog werd gevoeld. Deze gegevens kunnen, onder de hierboven aangegeven beperkingen, aan u worden bekend gesteld. U treft ze aan in de inzagemap. Tevens treft u een aantal documenten aan die betrekking hebben op een eerder verzoek om informatie.

Met betrekking tot aangelegenheden die voor de taakuitvoering van de BVD nog wel actueel zijn, doe ik uitdrukkelijk geen mededeling. Zoals hiervoor is uitgelegd, zou door het verstrekken van informatie daarover het goed functioneren van de BVD en daarmee de veiligheid van de Staat ten behoeve waarvan deze dienst werkzaam is, kunnen worden geschaad.”.

Namens eiser is bij brief van 21 oktober 1996 tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Vervolgens heeft verweerder het thans bestreden besluit van 18 juli 1997 genomen.

Standpunten van partijen

In het beroep stelt eiser zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet aan het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel als bedoeld in de Awb voldoet, omdat niet per document c.q. onderwerp is gemotiveerd waarom inzage is geweigerd.

Eiser wijst er op om kopieën te hebben gevraagd. Daar waar verweerder ambtshalve besluit tot een beperktere verstrekking zoals parafrase, wenst hij een motivering per geval. Daarnaast wenst hij een heroverweging van alle parafrases en wittingen.

Voorts heeft eiser er bezwaar tegen dat in het bestreden besluit ‘containerbegrippen’ als actueel, niet-actueel en veiligheid van de staat worden gebruikt op een voor eiser niet controleerbare manier.

Eiser heeft met name bezwaar tegen het feit dat alle contexten die onder het ‘containerbegrip’ anti-militairisme vallen als actueel worden aangemerkt temeer daar door de BVD niet wordt gedefinieerd wat onder anti-militairisme wordt verstaan. Ten aanzien van enkele als anti-militairistisch aangemerkte onderwerpen zoals de Witte BVD, het Anti-vrijwilligersleger comité en Hulp aan onderduikers is eiser van mening dat deze niet langer actueel zijn nu deze groeperingen reeds meer dan 10 jaar geleden zijn opgeheven.

Ter zitting heeft eisers gemachtigde aangevoerd dat de behandelingsduur van het geding bij de rechtbank de in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) genoemde redelijke termijn heeft overschreden

Verweerder heeft aan het bestreden besluit het standpunt ten grondslag gelegd dat de BVD zijn bronnen, werkwijze en actuele kennisniveau geheim moet kunnen houden omdat dit anders ten koste gaat van een goed functioneren van de BVD, en daarmee ten koste zou gaan van de veiligheid van de Staat, ter bescherming waarvan de BVD in het leven is geroepen.

Verweerder heeft voorts overwogen dat de algemene mededeling of de BVD al dan niet gegevens over een persoon heeft vastgelegd, niet kan worden gedaan, omdat een dergelijke mededeling direct zicht biedt op het meest actuele kennisniveau.

Verweerder geeft in het bestreden besluit eveneens aan, dat eiser alle over hem bij de BVD aangetroffen gegevens heeft gekregen die voor de taakuitvoering van de BVD niet langer meer van actueel belang zijn, behoudens de gegevens over de door de BVD gebruikte werkwijze, bronnen en persoonsgegevens van derden.

Tot slot geeft verweerder in het bestreden besluit aan, waarom bij bepaalde aangetroffen documenten niet de voorkeur van eiser voor de vorm van de informatieverstrekking is gevolgd. In het onderhavige geval was het -aldus verweerder- niet mogelijk om zelfs bewerkte fotokopieën te verstrekken van originele documenten. Teneinde te voorkomen dat de in deze documenten vastgelegde informatie in het geheel niet zou kunnen worden vrijgegeven, is er voor gekozen de desbetreffende informatie geparafraseerd weer te geven.

Beoordeling van het geschil

De rechtbank merkt naar aanleiding van de desbetreffende grief van eiser allereerst op, dat de omstandigheid dat de behandeling ter zitting eerst plaatsvindt na ommekomst van een periode van twee jaar na indiening van het beroepschrift, mede verband houdt met de wens van de rechtbank een gedragslijn vast te stellen omtrent de wijze waarop de rechtbank in zaken als de onderhavige het vooronderzoek gestalte geeft met betrekking tot de eventuele gegevens ten aanzien waarvan door verweerder het voorbehoud als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb is gemaakt.

Voor zover eiser heeft beoogd een mogelijk schadeplichtig handelen van de bestuursrechter in verband met de gestelde schending van het redelijke-termijnvereiste van artikel 6 EVRM aan de orde te stellen zal hij zich met een vordering dienaangaande tot de burgerlijke rechter dienen te wenden.

Met betrekking tot het geschil overweegt de rechtbank voorts het volgende.

Vast staat dat op het verzoek van eiser om inzage in zijn eventuele BVD-dossier de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) van toepassing is.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de WOB kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de WOB verstrekt het bestuursorgaan de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door:

a. kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken,

b. kennisneming van de inhoud toe te staan,

c. een uittreksel of samenvatting van de inhoud te geven, of

d. inlichtingen daaruit te verschaffen.

Ingevolge het tweede lid van artikel 7 van de WOB houdt het bestuursorgaan bij het kiezen tussen de vormen van informatie, genoemd in het eerste lid, rekening met de voorkeur van de verzoeker en met het belang van een vlotte voortgang van de werkzaamheden.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef, en onder b, van de WOB, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden.

Eiser heeft er in beroep bij de rechtbank bezwaar tegen gemaakt dat door verweerder ‘containerbegrippen’ als actueel/niet-actueel en veiligheid van de Staat zijn gebruikt.

De rechtbank wijst er naar aanleiding van deze grief allereerst op, dat verweerder in het bestreden besluit heeft aangegeven wat onder actueel kennisniveau dient te worden verstaan. Het gaat hier, aldus verweerder, om bij de BVD aanwezige kennis over actuele bedreigingen van de veiligheid van de Staat. Hieraan is door verweerder toegevoegd, dat zaken actueel zijn voor de BVD zolang zij aanleiding kunnen geven tot bedreigingen van de veiligheid van de staat.

De rechtbank acht de hierboven aangeduide, en door verweerder gedeeltelijk toegelichte - in het Nederlandse taalgebied niet ongebruikelijke - begrippen niet zo weinig feitelijk of concreet, dat eiser niet heeft kunnen begrijpen welke motivering verweerder voor ogen heeft gestaan bij de totstandkoming van het bestreden besluit.

De rechtbank vermag derhalve, mede gelet op het vorenstaande, niet in te zien dat het bezigen van deze begrippen door verweerder een schending zou opleveren van het bepaalde in artikel 8 EVRM en voegt hieraan, onder verwijzing naar de - bij partijen bekende - uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 mei 1999, nummer H01.98.0435, nog toe dat in dit geding de vraag naar de rechtmatigheid van eventueel door de BVD ten aanzien van eiser ingesteld onderzoek niet aan de orde is.

De rechtbank overweegt vervolgens dat de rechtbank zijn beslissing op eisers verzoek hoofdzakelijk gegrond heeft op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de WOB.

De rechtbank is, in de lijn van de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak, met verweerder van oordeel dat verweerder, gelet op evengenoemde bepaling, het verstrekken van informatie, die zicht kan bieden op het actuele kennisniveau van de BVD, achterwege mag laten, doch ten aanzien van niet-actuele gegevens in beginsel informatie dient te verstrekken.

Eiser heeft in beroep aangevoerd niet te kunnen begrijpen waarom anti-militairistische activiteiten als permanent actueel dienen te worden aangemerkt.

De rechtbank is met eiser van oordeel dat het door verweerder als anti-militairistisch gekenmerkte karakter van de door eiser genoemde contexten Bond voor dienstplichtigen, AMOK, Landelijk comité tegen vrijwilligersleger, Onkruit en Hulp aan onderduikers op zichzelf nog niet de gevolgtrekking rechtvaardigt dat deze aangelegenheden alle als actueel dienen te worden aangemerkt, gelet op de uiteenlopende doelstellingen en werkterreinen alsmede het zeer grote tijdsverloop sedert de activiteiten van een aantal van deze groeperingen plaatsvonden.

Derhalve kan de rechtbank verweerder niet volgen in zijn standpunt dat alle eventueel aanwezige informatie omtrent de door verweerder als anti-militairistisch aangemerkte aangelegenheden nog steeds voor de huidige taakuitvoering van de BVD van belang is en dat hierover dientengevolge in het geheel geen mededelingen kunnen worden gedaan. De door verweerder met toepassing van artikel 8:29 van de Awb ter zitting gegeven motivering heeft de rechtbank er niet van overtuigd dat verweerder op goede gronden geen enkel onderscheid heeft aangebracht binnen de anti-militairistische onderwerpen waar dat bijvoorbeeld bij communistische groeperingen afhankelijk van het tijdsverloop wel is gebeurd.

De motivering die verweerder aan de weigering van deze documenten ten grondslag heeft gelegd kan het besluit dan ook niet dragen.

Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van de niet (volledig) aan eiser verstrekte documenten, is de rechtbank voorts tot het oordeel gekomen dat verweerder het in casu aangebrachte onderscheid tussen actueel en niet actueel niet juist heeft aangebracht voor zover dit betreft een document met betrekking tot de bezetting van het Grieks Arbeidsbureau Utrecht.

Verweerder heeft ter zitting toegezegd, dit document alsnog aan eiser te doen toekomen.

Voor het overige is de rechtbank niet gebleken dat verweerder het onderscheid tussen actueel en niet-actueel onjuist heeft aangebracht.

In dit verband merkt de rechtbank op, van oordeel te zijn dat verweerder op goede gronden informatie met betrekking tot de RAF als actueel kan aanmerken.

De rechtbank voegt hier nog aan toe, dat de stelling van de gemachtigde van eiser, inhoudende dat dient te worden geanticipeerd op de ontwerp-wijziging van de Wiv, en dat krachtens deze wettelijke regeling stukken die meer dan vijf jaar niet meer om operationele redenen zijn geraadpleegd in principe verstrekt dienen te worden, geen doel kan treffen, reeds omdat in het ontwerp van genoemde wet en met name de Memorie van Toelichting op het ontwerp, voor deze stelling geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden. Ingevolge ontwerp-artikel 50 van de Wiv wordt het verzoek om informatie in ieder geval afgewezen indien betreffende een aanvrager in het kader van enig onderzoek gegevens zijn verwerkt tenzij de desbetreffende gegevens meer dan vijf jaar geleden zijn verwerkt. Zoals deze rechtbank reeds in een eerdere uitspraak (nr. 97/837 WET van 31 december 1998) heeft overwogen, houdt de omstandigheid dat gegevens meer dan vijf jaar geleden zijn verwerkt niet meer in, dan een uitzondering op een van de weigeringsgronden. De overige weigeringsgronden zoals weergegeven in met name het ontwerp-artikel 51 blijven evenwel onaangetast.

Reeds om deze reden kan niet worden geconcludeerd dat gegevens ouder dan vijf jaar zonder meer moeten worden verstrekt.

Met betrekking tot de over eiser aangetroffen niet-actuele gegevens is verweerder terecht nagegaan in hoeverre hij de documenten waarin deze gegevens zijn geregistreerd, aan eiser ter inzage kan geven. Het standpunt van verweerder dat met een beroep op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wob niet wordt overgegaan tot het verstrekken van informatie die zicht biedt op de bronnen en werkwijze van de BVD acht de rechtbank niet onredelijk of anderszins onjuist.

Het niet verstrekken van informatie die zich biedt op de bronnen en werkwijze van de BVD heeft er in dit geval toe geleid dat verweerder aan appellant (kopieën van) gedeeltelijk geparafraseerde en gedeeltelijk van witte lak voorziene documenten heeft verstrekt.

Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb te hebben kennis genomen van de niet aan appellant verstrekte documenten dan wel gedeelten van documenten is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat deze namen, situaties, en omstandigheden bevatten, die inzicht geven in de werkwijze en bronnen van de BVD.

Voor zover eiser betoogt dat verweerder in plaats van de verstrekte samenvatting kopieën van originele documenten had dienen te verstrekken, overweegt de rechtbank dat zij het niet onaanvaardbaar acht, dat verweerder, gelet op de vorm en notatiewijze van de informatie in de desbetreffende documenten en gelet op artikel 7 van de Wob, aan eisers verzoek om informatie is tegemoetgekomen door het verstrekken van een samenvatting.

Tot slot is niet gebleken van een onzorgvuldig door verweerder uitgevoerde zoekslag of dat er meer niet-actuele gegevens aanwezig zijn dan aan eiser verstrekt.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit wegens strijd met het in artikel 7:12 van de Awb neergelegde motiveringsbeginsel dient te worden vernietigd voor zover dit betrekking heeft op de weigering om eiser informatie te verstrekken over die aangelegenheden die door verweerder als anti-militairistisch worden aangeduid en de weigering van verweerder om eiser informatie te verstrekken over een document dat betrekking heeft op de bezetting van het Grieks Arbeidsbureau.

Het bestreden besluit kan naar het oordeel van de rechtbank voor het overige in stand blijven.

Onder deze omstandigheden acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser welke zijn begroot op f 1420,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

De rechtbank beslist als volgt.

3. BESLISSING

De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep gegrond voor zover dit betrekking heeft op de weigering van verweerder om eiser informatie te verstrekken over de door verweerder als anti-militaristisch aangeduide aangelegenheden en voorts zover dit betreft de weigering van verweerder om eiser informatie te verstrekken over een document met betrekking tot de bezetting van het Grieks Arbeidsbureau Utrecht,

vernietigt het bestreden besluit in zoverre,

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen,

verklaart het beroep voor het overige ongegrond,

bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door eiser betaalde griffierecht ad f 210,- aan hem vergoedt,

veroordeelt verweerder in de kosten van eiser in dit geding ten bedrage van f 1.420,- te betalen door de Staat der Nederlanden.

Aldus vastgesteld door mr T. Dompeling als voorzitter en mrs D.A.C. Slump en F.M.D. Aardema als leden, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2000.

de griffier: de voorzitter van de meervoudige kamer:

mr J.J.A.G. van der Bruggen mr T. Dompeling

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.