Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2000:AA5883

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
SBR 99/127
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Reg. nr: SBR 99/127

UITSPRAAK van de arrondissements-rechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

e i s e r,

en

de korpsbeheerder van de Politie Regio Utrecht,

v e r w e e r d e r.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE.

Bij besluit van 18 december 1998 heeft verweerder het bezwaar van eiser gericht tegen het besluit van 5 juni 1998, waarbij aan eiser een ambtsjubileumgratificatie van 50% van de maandelijkse bezoldiging is toegekend, ongegrond is verklaard.

Eiser heeft tegen dat besluit bij brief, bij de rechtbank binnengekomen op 20 januari 1999, beroep bij deze rechtbank ingesteld. Bij brief van 26 januari 1999 heeft eiser de gronden van zijn beroep ingediend.

Verweerder heeft bij schrijven van 16 augustus 1999 een verweerschrift ingediend, alsmede de op dit geding betrekking hebbende stukken.

Het geding is gevoegd met het beroep geregistreerd onder nummer SBR 99/132 behandeld ter zitting van 12 januari 1999, alwaar eiser in persoon is verschenen. Verweerder, opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen, is verschenen bij mr J.A. Limon, werkzaam bij de Politie Regio Utrecht.

2. OVERWEGINGEN.

In dit geding staat de rechtbank voor de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit, waarbij het bezwaar van eiser tegen het besluit van 5 juni 1998, inhoudende de toekenning van een ambtsjubileumgratificatie van 50% van de maandelijkse bezoldiging, ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden.

De rechtbank gaat in dit geding uit van de volgende feiten.

Feiten

Eiser is medewerker Parketpolitie. Tot 1 juli 1992 was op zijn aanstelling het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) van toepassing. Als gevolg van de invoering van een eenvormige rechtspositie voor alle rijkspolitieambtenaren was van 1 juli 1992 tot 1 april 1994 het Ambtenarenreglement voor de Rijkspolitie 1975 (ARRP) en is vanaf 1 april 1994 het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) op eisers aanstelling van toepassing.

Bij besluit van verweerder van 22 april 1998 is aan eiser per 1 mei 1998 wegens zijn 25 jarig-ambtsjubileum een gratificatie toegekend van f 3403,--, zijnde 70% van zijn maandelijkse bezoldiging.

Bij brief van 5 juni 1998 heeft de waarnemend chef van het district [district] van de Politie Regio Utrecht aan eiser bericht dat hem ten onrechte een gratificatie is toegekend van 70% en hij slechts recht had op 50%. Een bedrag van f 972,-- aan onverschuldigd betaalde gratificatie zal in termijnen worden ingehouden op zijn salaris.

Op 29 juni 1998 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Eiser is op 19 augustus 1998 gehoord door de bezwarencommissie van de Politie Regio Utrecht.

De bezwarencommissie heeft bij advies van 19 november 1998 geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep heeft eiser gesteld dat hij op grond van het ARAR een gratificatie van 70% van de som van bezoldiging en vakantietoeslag zou hebben ontvangen bij een 25-jarig ambtsjubileum.

Artikel 19 van de Overgangsregeling eenvormige rechtspositie rijkspolitie, regeling van de Minister van Justitie van 13 november 1992, (hierna: Overgangsregeling) garandeerde deze aanspraak ook aan de ambtenaar die binnen 5 jaar na de invoering van de eenvormige rechtspositie zijn 25-jarig ambtsjubileum zou vieren. In aanmerking genomen artikel 36 van de Overgangsregeling gold genoemde regeling tot 1 juli 1997. Op 1 april 1994 is het Barp in werking gestreden, waarin is bepaald dat de ambtenaar bij een 25-jarig ambtsjubileum een gratificatie van 50% van de som van bezoldiging en vakantie-uitkering ontvangt. Ingevolge artikel 99 van het Barp zoals dat toen luidde is deze aanspraak op een gratificatie van 70% gecontinueerd tot 1 april 1998. In februari 1996 is de tekst van artikel 99 van het Barp aangepast.

Volgens eiser geldt de aanspraak nu voor onbepaalde tijd. Daarbij heeft eiser verwezen naar de toelichting bij het gewijzigde artikel 99 van het Barp, waarin is aangegeven dat de wijziging mede betrekking heeft op de ambtsjubileumgratificatie. Met deze wijziging is recht gedaan aan het motief dat als gevolg van de eenvormige rechtspositie geen verslechtering zou mogen optreden in de rechtspositie van betrokken ambtenaren.

Verweerder stelt dat de Overgangsregeling slechts een tijdelijk recht op gratificatie ter hoogte van 70% voor een 25-jarig ambtsjubileum toekent. Dit recht geldt ingevolge artikel 35, tweede lid, van de Overgangsregeling en de toelichting daarop tot aan het tijdstip dat een nieuwe regeling tot stand zou komen voor alle politieambtenaren.

Mede gelet op de toelichting bij de wijziging van artikel 99 van het Barp bij besluit van 23 januari 1996 is die wijziging slechts doorgevoerd ten aanzien van de termijn van 4 jaar die werd genoemd in het voordien geldende artikel 99 van het Barp. Hieraan kan derhalve volgens verweerder niet de verderstrekkende betekenis worden gehecht dat de tijdelijkheid van het in 1992 overeengekomen recht op hogere gratificatie zou zijn opgeheven.

Toepasselijk recht

Op grond van artikel 79, derde lid, van het ARAR heeft de ambtenaar recht op een gratificatie bij ambtsjubileum volgens door onze Minister van Binnenlandse zaken te stellen regels. Ter uitvoering hiervan is vastgesteld de Regeling gratificatie bij ambtsjubileum, besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken van 3 november 1989, Stcrt. 223, laatstelijk aangepast bij besluit van 26 november 1991, Strct. 242. In deze regeling is aangegeven dat de gratificatie bij het bereiken van een diensttijd van 25 jaar 70% van de maandelijkse bezoldiging bedraagt.

Ingevolge het ARRP heeft een ambtenaar recht op een gratificatie van 50% bij een 25-jarig ambtsjubileum.

Artikel VII, lid 3, van het Besluit van 24 juni 1992, Stb 1992,328, bepaalt dat de Minister van Justitie voor degenen die als gevolg van de inwerkingtreding van dit besluit onder de werking van het ARRP komen te vallen, een overgangsregeling vaststelt voorzover de aanspraken die zij na de inwerkingtreding van dit besluit ontlenen aan de regelingen die bij dit besluit zijn gewijzigd, afwijken van die welke deze ambtenaren tot aan de inwerkingtreding van dit besluit aan de op hen van toepassing zijnde rechtspositionele regelingen ontleenden.

In artikel 19, tweede lid, van de ter uitvoering hiervan opgestelde Overgangsregeling eenvormige rechtspositie rijkspolitie, regeling van 13 november 1992 van de Minister van Justitie, (hierna: Overgangsregeling) is bepaald dat aan de ambtenaar die binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de eenvormige rechtspositie aanspraak zou hebben gehad op een gratificatie bij een 25-jarig ambtsjubileum op grond van artikel 79, derde lid ARAR, een zodanige gratificatie wordt verstrekt.

Artikel 35, tweede lid, van de Overgangsregeling luidt: "Tenzij anders bepaald geldt deze overgangsregeling tot het tijdstip waarop bij of krachtens de nieuwe Politiewet in een regeling is voorzien of tot het tijdstip waarop een eerdere regeling over het desbetreffende onderwerp is getroffen."

In de Toelichting bij de Overgangsregeling is het volgende aangegeven:

"Deze overgangsregeling geldt voor de rijkspolitie-ambtenaren voor wie als gevolg van de invoering van de eenvormige rechtspositie op grond van het Ambtenarenreglement voor de rijkspolitie 1975 met ingang van 1 juli 1992 een achteruitgang in rechtspositie is ingetreden of voor wie minder gunstige rechtspositionele aanspraken zijn gaan gelden dan die welke zij ontleenden aan de voor 1 juli 1992 op hen van toepassing zijnde regelingen op grond van het Algemeen Ambtenarenreglement. Uitgangspunt van de regeling is dat deze ambtenaren hun rechten in beginsel behouden tot het tijdstip waarop krachtens de nieuwe Politiewet uniforme regels betreffende de rechtspositie van alle politie-ambtenaren tot stand zijn gebracht. (...) De bedoeling is te vermijden dat ex-ARAR-ambtenaren per 1 juli 1992 een stap terug zouden moeten doen, terwijl voor alle politie-ambtenaren in de nabije toekomst, onder de nieuwe Politiewet, of zoveel eerder als wenselijk wordt geacht, een verbetering van rechtspositie in het verschiet ligt."

De Politiewet 1993 is op 1 april 1994 in werking getreden.

Ingevolge artikel 99 Barp, zoals dat oorspronkelijk luidde en voor zover hier relevant, behoudt een ambtenaar die op grond van afdeling 1, hoofdstuk 2, artikel 1, van de Invoeringswet Politiewet 1993 naar een politieregio dan wel het Korps landelijke politiediensten is overgegaan en die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van de Politiewet 1993 aanspraken had op grond van het Ambtenarenreglement voor de rijkspolitie 1975 deze aanspraken gedurende vier jaar na die datum.

Artikel 99, eerste lid, van het Barp, zoals met terugwerkende kracht tot 1 april 1994 gewijzigd bij Besluit van 23 januari 1996, Stb. 1996, 123, luidt voor zover hier relevant:

"Een ambtenaar die op grond van afdeling 1, hoofdstuk 2, artikel 1, van de Invoeringswet Politiewet 1993 naar een politieregio dan wel het Korps landelijke politiediensten is overgegaan en die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van de Politiewet 1993 aanspraken had op grond van het Ambtenarenreglement voor de rijkspolitie 1975 (...) of artikel VII van het Besluit van 24 juni 1992, houdende wijziging van het Ambtenarenreglement voor de rijkspolitie 1975 (...) behoudt deze aanspraken."

In de Toelichting bij laatstgenoemd Besluit is onder meer het volgende aangegeven:

"Verder is artikel 99, eerste lid, gewijzigd omdat door de Minister van Justitie in de Overgangsregeling eenvormige rechtspositie rijkspolitie van 13 november 1992 aan administratief-technisch personeel diverse rechten zijn toegekend. Voor zover dit onderwerpen betreft die in het Besluit algemene rechtspositie zijn uitgewerkt, zijn dit het tijdelijk recht op een ambtsjubileumgratificatie (zie artikel 19 van de Overgangsregeling eenvormige rechtspositie rijkspolitie) (...)

In het gewijzigde artikel 99, eerste lid, wordt daarom verwezen naar artikel VII van het Besluit van 24 juni 1992, houdende wijziging van het Ambtenarenreglement voor de rijkspolitie 1975 (...) De hiervoor genoemde overgangsregeling van de minister van Justitie is gebaseerd op dit besluit. Aangezien één van de uitgangspunten van de reorganisatie van de politie was dat voor ambtenaren geen verslechtering van rechtspositie mag optreden, worden bovengenoemde rechten geëerbiedigd door deze wijziging. Dit is voorts de reden dat aanspraken op grond van één van de in het eerste lid genoemde besluiten niet slechts voor vier jaar, maar voor onbepaalde tijd blijven voortbestaan."

Beoordeling van het geschil.

Gelet op vorenaangehaalde bepalingen en de Toelichting bij genoemd Besluit van 23 januari 1996 is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte geen gratificatie van 70% aan eiser heeft toegekend bij zijn 25-jarig ambtsjubileum. De rechtbank heeft hiertoe als volgt overwogen.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op grond van artikel 19, tweede lid, van de Overgangsregeling vanaf 1 juli 1992 recht had op een gratificatie op de voet van artikel 79, derde lid, van het ARAR, i.c. van 70%, indien het 25-jarig ambtsjubileum voor 1 juli 1997 zou worden bereikt.

Vanaf 1 april 1994 is op eisers aanstelling het Barp van toepassing geworden. Ingevolge artikel 99, eerste lid, van het Barp, zoals gewijzigd bij Besluit van 23 januari 1996, voornoemd, behoudt eiser zijn aanspraken die hij voor 1 april 1994 op grond van artikel VII van het besluit van 24 juni 1992 had. Op grond van laatstgenoemd artikel had eiser recht op een ambtsjubileumgratificatie zoals geregeld in artikel 19, tweede lid, van de Overgangsregeling.

De vraag die vervolgens aan de orde komt is of voor eiser het recht op ambtsjubileumgratificatie zoals geregeld bij de Overgangsregeling,

1. geldt tot 1 juli 1997, zoals aangegeven in artikel 19, tweede lid, dan wel

2. niet meer aan een termijn is gebonden nu in artikel 99 Barp, in tegenstelling tot het oude artikel 99 waarin een termijn van 4 jaar is aangegeven, geen termijn meer is genoemd.

In de toelichting bij de wijziging van artikel 99 Barp is aangegeven dat de diverse toegekende rechten, zoals de met name genoemde ambtsjubileumgratificatie, waarbij is verwezen naar artikel 19 Overgangsregeling, moeten worden geëerbiedigd omdat er door de reorganisatie geen verslechtering van rechtspositie mag optreden. Voorts vermeldt de toelichting dat deze aanspraak niet slechts voor vier jaar, maar voor onbepaalde tijd blijft voortbestaan.

Nu de termijn van 4 jaar (tot 1 april 1998) op grond van het oude artikel 99 Barp een uitbreiding was ten opzichte van de termijn van 5 jaar (tot 1 juli 1997) in artikel 19, tweede lid, van de Overgangsregeling, dient naar het oordeel van de rechtbank te worden geconcludeerd dat met het vervallen van de termijn van 4 jaar niet is bedoeld terug te vallen op de termijn van 5 jaar tot 1 juli 1997, hetgeen een verslechtering zou betekenen van de aanspraak op ambtsjubileumgratificatie, maar dat de aanspraak, zoals geregeld op grond van artikel 79, derde lid, van het ARAR, voortbestaat zonder dat daaraan een termijn is verbonden.

Dit is temeer aannemelijk daar de toelichting ook nadrukkelijk de ambtsjubileumgratificatie noemt. Ingeval daarmee bedoeld zou zijn dat het recht op gratificatie ter hoogte van het op grond van artikel 79, derde lid, van het ARAR bepaalde zou worden ingeperkt tot 1 juli 1997, zou niet gesproken zijn van eerbiediging van rechten, maar van inperking van rechten.

Hetgeen overigens namens verweerder is aangevoerd met betrekking tot de toelichting bij de Overgangsregeling, kan hieraan niet afdoen. Artikel 99 Barp en de toelichting daarop zijn immers van een latere datum.

Het vorenoverwogene heeft de rechtbank tot de conclusie gebracht dat het bestreden besluit niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering en derhalve wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep van eiser dient dan ook gegrond te worden verklaard.

Voorts ziet de rechtbank in hetgeen hiervoor is overwogen aanleiding om het primaire besluit van 5 juni 1998 te herroepen op de grondslag van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb. Dientengevolge herleeft het besluit van 22 april 1998 en heeft eiser recht op een gratificatie van 70% van zijn maandelijkse bezoldiging.

Gelet op het vorenoverwogene is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op f 7,-- als reiskosten.

3. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

herroept het besluit van 5 juni 1998,

bepaalt dat de Politie Regio Utrecht het door eiser betaalde griffierecht ad f 210,-- aan hem vergoedt,

veroordeelt verweerder in de kosten van eiser in dit geding ten bedrage van f 7,--, te betalen door de Politie Regio Utrecht.

Aldus vastgesteld door mr M.S.E. Wulffraat-van Dijk, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op.16 februari 2000

de griffier: het lid van de

enkelvoudige kamer:

E.W.F. Botenga M.S.E. Wulffraat-van Dijk

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.