Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2000:AA4910

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-02-2000
Datum publicatie
09-11-2004
Zaaknummer
SBR 98/2196
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2002:AE3926
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Reg. nr.: SBR 98/2196

UITSPRAAK

van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen:

het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Pauwbedrijven,

gevestigd te Breukelen,

e i s e r,

en

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

v e r w e e r d e r.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE.

Bij besluit van 18 september 1998 heeft verweerder het bezwaar namens eiser tegen de brief van 14 juli 1998 niet-ontvankelijk verklaard omdat deze brief slechts een informatieve mededeling behelst en derhalve geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij brief van 26 oktober 1998, met bijlagen, is namens eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Bij brief van 1 december 1998 heeft verweerder de - overige - op het geding betrekking hebbende stukken ingediend, vergezeld van een verweerschrift.

Het geding is vervolgens behandeld ter zitting van 1 november 1999, alwaar eiser zich heeft doen vertegenwoordigen door mw. E.M. Uijting, algemeen directeur van Pauwbedrijven, bijgestaan door gemachtigde mr. H.P. Kallenbach, werkzaam voor het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.P.M. Schenkels en P.W.G. van Bethlehem, beiden ambtenaar op verweerders ministerie.

2. OVERWEGINGEN.

Voor haar oordeelsvorming gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Bij besluit van verweerder van 4 juli 1996 is - onder andere - beslist op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 23 januari 1996, waarbij de eerder over het jaar 1993 toegekende rijksvergoeding is herzien en nader vastgesteld, en het als gevolg hiervan onverschuldigde bedrag van f 289.800,- is teruggevorderd.

Bij uitspraak van deze rechtbank van 20 januari 1998 is het beroep van eiser tegen dat besluit gegrond verklaard. Daarbij is tevens de vernietiging van het bestreden besluit alsmede de herroeping van het primaire besluit, beide voor zover het betrekking had op (het bezwaar tegen) de terugvordering, uitgesproken.

Bij brief van 23 februari 1998 heeft eiser, onder verwijzing naar deze uitspraak, geconstateerd dat verweerder niet bevoegd was tot deze terugvordering, en is in verband hiermede het verzoek gedaan tot terugbetaling van het reeds, onder protest, aan verweerder teruggestorte bedrag ad f 289.800,-.

Bij brief van 14 juli 1998 heeft verweerder hierop als volgt gereageerd:

“In antwoord op uw bovenaangehaalde brief (..) volsta ik met u te verwijzen naar de uitspraak (..).

Ik vestig met name uw aandacht op de passage op blz. 6 van genoemde uitspraak waarin de rechtbank als volgt oordeelt:

“Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat verweerder heeft gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur door bij het primaire besluit de rijksvergoeding over 1993 nader, nu met inachtneming van de correcte gegevens, vast te stellen.

Ook anderszins is niet gesteld of gebleken dat het bestreden besluit op dit punt niet in stand kan blijven”.”

Bij brief van 6 augustus 1998 is namens eiser bezwaar gemaakt tegen het daarin vervat geachte besluit.

Voor zover hier van belang is daarbij namens eiser het volgende naar voren gebracht:

“Onduidelijk is of u met uw brief d.d. 14 juli 1998 heeft beoogd een beschikking te nemen naar aanleiding van de door en namens Pauwbedrijven ingediende verzoeken d.dis 28 februari, 3 april, 5 juni en 9 juli 1998. Voorzover u met uw brief heeft beoogd deze verzoeken af te wijzen, moet geoordeeld worden dat deze afwijzing gericht is op publiekrechtelijk rechtsgevolg.

Ter voldoening aan de in de beschikking d.d. 23 januari 1996 op grond van de WSW gebaseerde terugbetalingsverplichting, heeft Pauwbedrijven immers op 14 mei 1997 het bedrag ad f 289.800,- betaald. De bestuursrechter heeft nadien deze beschikking in zoverre vernietigd, als gevolg waarvan is komen vast te staan dat terugbetalingsverplichting nimmer heeft bestaan. De rechtsgevolgen van deze beschikking worden derhalve geacht nimmer te zijn ingetreden. Hieruit volgt dat u reeds op grond van meergenoemde uitspraak het bedrag ad f 289.800,- ambtshalve had dienen te retourneren. Aangezien de bestuursrechter inmiddels heeft bepaald dat zich in casu geen publiekrechtelijke basis aandient om in casu terugvordering over te gaan van de krachtens publiekrecht betaalde bedragen, staat de civielrechtelijke invorderingsweg vervolgens niet meer open, nu tussen partijen geen civielrechtelijke verhouding bestaat. Aangezien voorts de terugvordering door de rechtbank onrechtmatig is geoordeeld, vloeit daaruit tevens voort dat u krachtens publiekrecht op de voet van artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek bent gehouden de wettelijke rechte over dit bedrag te vergoeden. De weigering om de op grond van deze vernietigde beschikking verrichte (rechts)handelingen te niet te doen c.q. de weigering ambtshalve te beslissen waartoe u op grond van meergenoemde uitspraak gehouden bent, is derhalve evenzeer van publiekrechtelijke aard. Derhalve is de weigering het bedrag ad f 289.800,- c.q. de afwijzing van het verzoek tot terugbetaling, voorzover deze geacht moet worden te zijn neergelegd in voornoemde brief voor bezwaar vatbaar.

Voorzover met uw brief d.d. 14 juli 1998 niet is beoogd zodanig besluit te nemen, is deze brief aan te merken als een schriftelijke weigering een besluit te nemen op de verzoeken d.dis 28 februari, 3 april, 5 juni en 9 juli 1998. Volstaan wordt immers met een verwijzing naar de uitspraak, hetgeen impliceert dat verder geen (nadere) besluitvorming ter zake van de verzoeken zal plaatsvinden. Zodanige schriftelijke weigering zal in rechte geen stand kunnen houden, aangezien reeds uit de uitspraak voortvloeit dat u ambtshalve gehouden bent het onrechtmatig terug- en ingevorderde bedrag ad f 289.800,-- te retourneren, te vermeerderen met de wettelijke rente. De schriftelijke weigering om - op verzoek - een besluit te nemen c.q. een handeling te verrichten waartoe u krachtens meergenoemde uitspraak gehouden bent, is derhalve evenzeer onrechtmatig.

Voorzover uw brief d.d. 14 juli ook niet is aan te merken als zodanige schriftelijke weigering, wordt bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit tot terugbetaling van het ten onrechte terug- en ingevorderde bedrag ad f 289.800,- c.q. het niet tijdig nemen van een besluit op de verzoeken d.dis 28 februari, 3 april, 5 juni en 9 juli 1998. Dat in casu sprake is van een overschrijding van de geldende redelijke (beslis)termijn, behoeft gezien de sedert de indiening van de verzoeken verstreken tijd geen betoog.

Als zodanig dient het bezwaar naar mijn oordeel dan ook gegrond verklaard te worden.

Blijkens de wetsgeschiedenis bij artikel 6:2 Awb, moet voorts aangenomen worden dat het bezwaar in dat geval niet beperkt is tot de constatering dat niet tijdig is besloten, maar dat het zich kan richten tegen het fictieve negatieve of afwijzende besluit (..). Te dien aanzien wordt verwezen naar hetgeen hierboven is aangevoerd.”

Onder verwijzing naar het gestelde in het bezwaarschrift is namens eiser in beroep onder meer stelling genomen tegen verweerders in het bestreden besluit neergelegde, volgens eiser in het geheel niet gemotiveerde, standpunt.

Van de zijde van verweerder is in beroep betoogd dat bij brief van 14 juli 1998 slechts is verwezen naar meerbedoelde uitspraak, dat in die uitspraak niet is opgenomen dat genoemd bedrag moet worden terugbetaald of dat ter zake een nieuw besluit moet worden genomen, en dat ook overigens geen sprake is geweest van een onjuiste handelwijze nu met vergoeding van de proceskosten en het griffierecht uitvoering is gegeven aan de uitspraak.

Volgens vaste jurisprudentie behelst een beslissing op een bezwaarschrift als bedoeld in de Awb als zodanig een publiekrechtelijke rechtshandeling en is dus zonder meer aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Van een uitzondering op dit uitgangspunt is de rechtbank in dit geval niet gebleken.

Of het bezwaarschrift zelf ontvankelijk is, is om die reden voor de ontvankelijkheid van het beroep tegen de beslissing op dat bezwaarschrift niet van belang.

Wel dient de rechtbank te beoordelen of verweerder bij het nemen van de beslissing op bezwaar tot een juist oordeel over de ontvankelijkheid van het bezwaar is gekomen.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat eisers verzoek niet is ingekleed als een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank staat derhalve niet voor de beantwoording van de vraag of de reactie van verweerder daarop als een besluit in de zin van de Awb zou moeten worden beschouwd. De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat volgens inmiddels vaste jurisprudentie de bevoegdheid van een bestuursorgaan tot het nemen van een beslissing op een verzoek om schade, voorzover het schade betreft ten gevolge van de onrechtmatige uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende (gepretendeerde) bevoegdheid, berust op het algemeen geldend rechtsbeginsel, volgens hetwelk degene die door aan hem toerekenbaar onrechtmatig handelen of nalaten schade heeft veroorzaakt, is gehouden die aan de benadeelde te vergoeden. Dit rechtsbeginsel is publiekrechtelijk van aard, indien het zijn werking doet voelen in een door de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende (gepretendeerde) bevoegdheid ontstane rechtsverhouding.

De rechtbank overweegt voorts dat de standpuntbepaling van een bestuursorgaan in geval van een in het kader van de uitvoering van een uitspraak van de bestuursrechter totstandgekomen nadere vaststelling van de omvang van ingevolge die uitspraak aan belanghebbende toekomende aanspraken, als een (publiekrechtelijke) rechtshandeling kan worden aangemerkt.

Daarvan is de rechtbank in het onderhavige geval evenwel niet gebleken. Anders dan eiser heeft doen stellen was verweerder daar ook niet toe gehouden.

De uitspraak van 20 januari 1998, waarop eiser zijn geldvordering rechtstreeks heeft gebaseerd, strekt immers niet tot betaling van een geldbedrag anders dan terzake van griffierechten en proceskosten.

Zo verweerders, zowel bij het primaire als het bestreden besluit overigens zeer summier ingeklede, standpunt als een (impliciete) weigering tot terugbetaling zou moeten worden beschouwd, en in zoverre een nadere vaststelling van eisers aanspraken behelst, kan eiser ook niet worden ontvangen in zijn bezwaar.

De rechtbank overweegt daarbij dat het rechtsbeginsel volgens hetwelk hetgeen onverschuldigd is betaald kan worden teruggevorderd, bestuursrechtelijk van aard is, wanneer zijn werking zich doet gevoelen in door het bestuursrecht beheerste verhoudingen, en dat het dan voor bestuursorganen een bevoegdheid schept.

Naar het oordeel van de rechtbank voert het te ver om een gelijke bevoegdheid aanwezig te achten voor (rechts-)personen die aan een bestuursorgaan verzoeken om terugbetaling van hetgeen naar hun mening onverschuldigd is betaald.

De reactie van verweerder op het aldus opgevatte verzoek is derhalve evenmin een publiekrechtelijke rechtshandeling en bijgevolg geen besluit in de zin van de Awb.

Verweerder heeft het bezwaar van eiser mitsdien terecht niet-ontvankelijk verklaard, zij het op naar dezerzijds oordeel ontoereikende, eerst in de loop van de beroepsprocedure verduidelijkte, gronden.

Gelet op het vorenoverwogene is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op

f 1.420,- als kosten van verleende rechtsbijstand en op f 12,50 als reiskosten.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep ongegrond,

veroordeelt verweerder in de kosten van eiser in dit geding ten bedrage van f 1.432,50, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Aldus vastgesteld door mr. J.G.Th. Engelberts, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2000

De griffier: het lid van de enkelvoudige kamer:

J.D. Koteris J.G.Th. Engelberts

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.