Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2000:AA4887

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-01-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/1493 GEMWT
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Reg. nr: 98/1493 GEMWT

UITSPRAAK van de arrondissements-rechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen:

A,

wonende te B,

e i s e r,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemnes,

v e r w e e r d e r.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE.

Bij besluit van 26 juni 1998 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 1 augustus 1997 en 14 augustus 1997, waarbij eiser is meegedeeld dat de termijn voor verwijdering van de zonder bouwvergunning geplaatste container in een weiland aan de Parallelweg A27 wordt verlengd tot 1 juni 1998, in zoverre gegrond verklaard dat de termijn is verlengd tot 1 juni 2002.

Eiser heeft tegen dat besluit op 22 juli 1998 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 15 september 1998 de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 17 november 1999, alwaar eiser, ambtshalve opgeroepen, in persoon is verschenen en verweerder, eveneens ambtshalve opgeroepen, is verschenen bij gemachtigde mevr. mr I.M. van Gompel. Tevens was aanwezig, door de rechtbank als getuige opgeroepen, Z, woonachtig te Y.

2. OVERWEGINGEN.

Eisers echtgenote is eigenaar van een perceel gelegen aan de […]weg, kadastraal bekend gemeente […]. Op 16 januari 1995 heeft een ambtenaar van verweerders gemeente geconstateerd dat zich op dit terrein een container en een opstal van 3x3 m bevinden. Aangezien deze opstallen zonder bouwvergunning zijn opgericht, heeft verweerder eiser bij brief van 28 augustus 1995 verzocht de container en de opstal binnen 2 maanden te verwijderen.

Nadat eiser verweerder bij brief van 17 september 1995 onder meer had meegedeeld dat zijns inziens de container er reeds sedert 1984 stond en dat zijn vrouw in maart 1994 het land met container had gekocht, heeft verweerder eiser bij brief van 15 november 1995 aangeschreven om vóór 1 mei 1996 zorg te dragen voor verwijdering van de container en de opstal onder oplegging van een dwangsom van f 50,-- per dag dat de opstallen nog aanwezig zijn, met een maximum van

f 10.000,--.

Eiser heeft tegen deze aanschrijving bij brief van 15 december 1995 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft de bezwaren van eiser bij besluit van 17 februari 1997 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit op 16 maart 1997 beroep ingesteld bij deze rechtbank en voorts de president van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening.

Bij mondelinge uitspraak van 16 april 1997 heeft de president van deze rechtbank onder toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van eiser ongegrond verklaard, aangezien onvoldoende is kunnen blijken van een feitelijke grondslag om het door verweerder voor situaties van vóór 1 januari 1990 gehanteerde (overgangs)beleid hier toepasselijk te achten. Voorts heeft de president ten overvloede overwogen dat een en ander niet uitsluit dat eiser alsnog aannemelijk maakt dat vóór 1 januari 1990 daadwerkelijk (met een zekere continuïteit) een container op het betreffende weiland aanwezig was en voorts vermeld dat namens verweerder ter zitting is gesteld dat mocht eiser daarin slagen verweerder bereid is de gestelde begunstigingstermijn tot 1 juni 1997 in zoverre te verlengen als nader onderzoek geboden zou maken.

Eiser heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld, maar bij brief van 26 mei 1997 in aanvulling op de reeds door de vorige eigenaar, Z voornoemd, gegeven schriftelijke verklaring nog vier extra verklaringen overgelegd met betrekking tot de aanwezigheid van de container vóór 1990 en verzocht de begunstigingstermijn tot een nader te bepalen tijdstip te verlengen. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 1 augustus 1997, aangevuld bij brief van 14 augustus 1997, de begunstigingstermijn verlengd tot 1 juni 1998.

Bij brief van 30 augustus 1997 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt en op 3 september 1997 tevens beroep ingesteld bij deze rechtbank. Op 24 september 1997 heeft de rechtbank dit beroepschrift doorgezonden naar verweerder om als bezwaarfschrift te worden behandeld.

Eiser is op 8 december 1997 terzake van zijn bezwaren gehoord door de commissie bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Eemnes.

Bij besluit van 26 juni 1998 heeft verweerder onder overneming van het door deze commissie uitgebrachte advies de bezwaren van eiser gegrond verklaard en de begunstigingstermijn verlengd tot uiterlijk 1 juni 2002. Voorts is de opgelegde dwangsom gehandhaafd.

Eiser heeft op 22 juli 1998 tegen dit besluit beroep ingesteld. Eiser heeft daarbij aangevoerd dat hij, anders dan verweerder stelt, tegen de uitspraak van de rechtbank geen hoger beroep behoefde in te stellen, doch dat bij hem, gelet op de uitspraak van de president van de rechtbank, het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat hij na een nieuw onderzoek van verweerder en een daaropvolgend besluit bij de rechtbank in beroep kon gaan.

Voorts stelt eiser dat de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften in zijn advies niet uitsluit en het zelfs niet onaannemelijk acht dat de container op andere momenten dan de momenten van fotograferen in de periode vóór 1990 in dit weiland heeft gestaan en in verband daarmee heeft geadviseerd de begunstigingstermijn te verlengen. Eiser meent echter met de vijf door hem overgelegde verklaringen, de aankoopnota uit 1984 en een transportnota uit 1989 voldoende te hebben aangetoond dat de container vóór 1990 met een zekere continuïteit op het land werd gestationeerd. Eiser stelt dat de twee door verweerder overgelegde luchtfoto's slechts kunnen aantonen dat de container op die twee dagen er niet stond. Eiser is dan ook de mening toegedaan dat de container valt onder het door verweerder gehanteerde generaal pardon voor bouwsels die reeds vóór 1 januari 1990 aanwezig waren.

Verweerder heeft hiertegen aangevoerd dat de aanzegging bestuursdwang onherroepelijk vaststaat en dat eiser derhalve gehouden is tot verwijdering van de container. Echter, verweerder is wel ingegaan op de door eiser overgelegde nadere verklaringen. Verweerder meent dat deze verklaringen geen nieuw licht werpen op de zaak. Voorts bevreemdt het verweerder dat eiser in bezwaar wel heeft ingestemd met verlenging van de begunstigingstermijn met 5 jaar en het er nu plotseling niet mee eens is.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, bepaalt dat indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

Als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb moeten worden aangemerkt feiten en omstandigheden van zodanige aard, dat zij tot een andere beslissing aanleiding kunnen geven.

Niet in geding is dat eiser geen hoger beroep heeft ingesteld tegen voornoemde uitspraak van de president van deze rechtbank. Derhalve staat die uitspraak en als gevolg daarvan het in dat geding bestreden besluit van 17 februari 1997 in rechte vast. Echter, gelet op het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb, kan eiser verweerder verzoeken terug te komen van laatstgenoemd besluit mits hij nieuwe feiten aanvoert. De overweging van de president van de rechtbank dient in dat licht te worden bezien. De rechtbank vat verweerders besluit, voor zover dit betrekking heeft op de waardering en afwijzing van de door eiser overgelegde aanvullende verklaringen, dan ook op als een besluit als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

Volgens vaste jurisprudentie toetst de bestuursrechter een dergelijk besluit terughoudend. Die toets houdt in de eerste plaats in de beantwoording van de vraag of de door eiser als nieuwe feiten overgelegde verklaringen van zodanige aard zijn dat zij tot een andere beslissing aanleiding kunnen geven. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of verweerder na afweging van de in geding zijnde belangen in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen en ook overigens bij de totstandkoming van dit besluit geen regel van geschreven of ongeschreven recht heeft geschonden.

Ten aanzien van de eerste vraag overweegt de rechtbank dat eiser, geconfronteerd met de uitspraak van de president van de rechtbank, in aanvulling op een reeds eerder overgelegde schriftelijke verklaring van de voormalige eigenaar van de container de aankoopnota van de container uit 1984 en een transportnota uit 1989 heeft overgelegd, alsmede schriftelijke verklaringen van vier personen met betrekking tot de aanwezigheid van de container in de relevante periode.

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat eiser deze verklaringen ook in het kader van het vorige rechtsgeding had kunnen overleggen, is de rechtbank tevens van oordeel dat, nu de president van de rechtbank uitdrukkelijk in zijn uitspraak heeft aangegeven dat eiser nader bewijs kon leveren ten aanzien van de aanwezigheid van de container vóór 1 januari 1990, eiser niet het recht kan worden ontzegd dit aanvullende bewijs als nieuwe feiten aan verweerder voor te leggen.

Anders dat verweerder acht de rechtbank het door eiser overgelegde bewijsmateriaal niet 'boterzacht'. Zij is het met eiser eens dat de door verweerder als bewijs gehanteerde luchtfoto's slechts aantonen dat de container op het tijdstip waarop die foto's genomen werden niet op het land aanwezig was. Voorts zijn de door eiser overgelegde schriftelijke verklaringen ter zitting onder ede bevestigd door Z, aannemer van beroep. Deze heeft verklaard dat hij de container, die hij in 1984 heeft gekocht, af en toe nodig had voor de bouw, maar dat de container over het algemeen op het weiland stond en werd gebruikt als stalling voor de pony's van zijn kinderen. Gemiddeld stond de container daar 7 à 8 maanden per jaar. In de winter stonden de paarden thuis en dan werd de container vaak voor het werk gebruikt. In december 1989 stond de container op het land.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de verklaring van de getuige Z in twijfel te trekken.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat, anders dan verweerder meent, niet onomstotelijk behoeft vast te staan dat de container in genoemde periode op het land aanwezig was. In het bestuursrecht is voldoende dat een situatie als hier aan de orde voldoende aannemelijk wordt gemaakt. Voor de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden, mede in aanmerking genomen dat de container in de periode dat de pony's op het land stonden als onderkomen voor deze dieren werd gebruikt, dat de container in de jaren 1984 tot en met 1989 het grootste deel van jaar en met een zekere continuïteit op genoemd perceel aanwezig was.

Een dergelijk gebruik kan naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs geacht worden onder het generaal pardon van verweerder te vallen. Verweerder heeft dit niet onderkend.

Het vorenoverwogene heeft de rechtbank tot de conclusie gebracht dat het bestreden besluit niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering en wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep van eiser dient dan ook gegrond te worden verklaard.

Gelet op het vorenoverwogene is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op f 29,25 als reiskosten.

De rechtbank beslist als volgt.

3. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit;

verstaat dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat de gemeente Eemnes het door eiser betaalde griffierecht ad f 210,-- aan hem vergoedt,

veroordeelt verweerder in de kosten van eiser in dit geding ten bedrage van

f 29,25, te betalen door de gemeente Eemnes.

Aldus vastgesteld door mr M.S.E. Wulffraat-van Dijk, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2000.

de griffier: het lid van de

enkelvoudige kamer:

R.C. Stijnen M.S.E. Wulffraat-van Dijk

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.