Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2000:AA4864

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-01-2000
Datum publicatie
27-08-2001
Zaaknummer
98/2242 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Reg. nr. 98/2242 WW

UITSPRAAK van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen:

A te B

e i s e r e s,

tegen

het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), gevestigd te Amsterdam,

v e r w e e r d e r.

1.VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij besluit van 22 september 1998 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen verweerders primaire besluit van 5 juni 1997 ongegrond verklaard. Bij dit primaire besluit heeft verweerder een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) voor 10 uur per week blijvend geheel geweigerd, aangezien eiseres vanwege ontslagname per 1 november 1996 verwijtbaar werkloos wordt geacht.

Namens eiseres is tegen het besluit van 22 september 1998 bij brief van 20 oktober 1998 beroep bij deze rechtbank ingesteld. Op 30 november 1998 zijn de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft bij schrijven van 8 januari 1999 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden. Bij brief van 21 januari 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 december 1999 waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr drs E. Olof, advocaat te Zeist. Voorts was aanwezig mevrouw R. Hedhili, tolk in de Marokkaanse taal. Verweerder is, zoals tevoren schriftelijk aangekondigd, niet verschenen.

2. OVERWEGINGEN

De rechtbank staat voor de beantwoording van de vraag of verweerder terecht en op goede gronden de in mei 1997 met ingang van 1 november 1996 aangevraagde WW-uitkering van eiseres voor 10 uur per week blijvend geheel heeft geweigerd, op de grond dat zij vanwege ontslagname per 1 november 1996 verwijtbaar werkloos is.

Eiseres is op 1 november 1993 als schoonmaakster in dienst getreden bij Polman schoonmaakbedrijf voor 20 uur per week. Met ingang van 1 april 1995 is zij ontslagen vanwege vermindering van de werkzaamheden. Eiseres heeft het door de werkgever aangeboden contract voor 18,75 uur per week met ingang van die datum geaccepteerd. Vervolgens is eiseres met ingang van 1 januari 1996 ontslagen en heeft zij het haar per die datum door de werkgever aangeboden contract voor 10 uur per week geaccepteerd. Met ingang van 1 januari 1996 is aan eiseres een WW-uitkering toegekend voor het verlies van 8,75 arbeidsuren per week per die datum.

Eiseres heeft per 1 november 1996 haar werkzaamheden bij werkgever Polman voor de resterende 10 uren beëindigd.

Op 4 november 1996 heeft zij zich bij verweerder ziek gemeld. Haar WW-uitkering voor 8,75 uur is vanwege deze arbeidsongeschiktheid beëindigd. Zij heeft op 18 december 1996 en 13 februari 1997 het spreekuur van de verzekeringsgeneeskundige bezocht, die haar met ingang van 14 februari 1997 arbeidsgeschikt heeft verklaard. Vanwege een mogelijke bronchitis is eiseres echter nog tot 21 maart 1997, het einde van de voorgeschreven doxycicline kuur, arbeidsongeschikt geacht. Per 13 mei 1997 heeft eiseres zich weer beschikbaar gesteld voor de arbeidsmarkt en met ingang van die datum een WW-uitkering aangevraagd. Bij deze aanvraag heeft zij medegedeeld dat zij het dienstverband bij Polman heeft beëindigd vanwege medische klachten.

Bij besluit van 28 mei 1997 heeft verweerder aan eiseres met ingang van 13 mei 1997 voor 8,75 uur per week een WW-uitkering toegekend. In verband met de door eiseres gestelde medische achtergrond van de ontslagname op 1 november 1996, heeft verzekeringsgeneeskundige H. van de Wiel op 29 mei 1997 middels een formulier vragen van verweerder beantwoord en aangegeven dat ontslagname zijns inziens volstrekt niet nodig was. De verzekeringsarts heeft voorts telefonisch medegedeeld dat de uitkering ingevolge de Ziektewet naar aanleiding van de ziekmelding op 4 november 1997 slechts is verstrekt in afwachting van de rapportage van de huisarts. Volgens de verzekeringsarts is deze ziekmelding achteraf gezien ten onrechte geaccepteerd.

Blijkens het telefoonrapport van 5 juni 1997 heeft de heer Ritsma, personeelsmedewerker bij werkgever Polman desgevraagd medegedeeld dat eiseres bij de werkgever geen reden heeft gegeven voor haar ontslagname, en dat zij van de ene op de andere dag gewoon met het werk is gestopt.

Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 5 juni 1997 de WW-uitkering voor 10 uur per week blijvend geheel geweigerd, vanwege ontslagname zonder enige grond per 1 november 1996.

Eiseres heeft zich op 19 juni 1997 wederom ziek gemeld.

Bij brief van 8 juli 1997 is namens eiseres bezwaar gemaakt tegen de weigering van de WW-uitkering voor 10 uur per week. In dit bezwaarschrift heeft de gemachtigde van eiseres gesteld dat eiseres er van uit ging dat zij in de situatie die speelde niet anders kon dan ontslag nemen. Hij heeft daarbij gewezen op de buitenlandse afkomst van eisers, haar gebrek aan kennis van de procedures en de stelling dat zij de Nederlandse taal niet spreekt.

Bij brief van 19 augustus 1997 heeft de gemachtigde van eiseres medegedeeld dat de ziekmelding per 19 juni 1997 heeft plaatsgevonden als gevolg van misverstanden en communicatieproblemen, deze ziekmelding namens eiseres ingetrokken en gesteld dat eiseres sedert 24 maart 1997 beschikbaar is voor de arbeidsmarkt.

Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft de bezwaarverzekeringsarts eiseres op 16 december 1997 onderzocht en in een rapport van gelijke datum gerapporteerd dat er behalve de adipositas geen objectiveerbare afwijkingen zijn die eiseres zouden belemmeren om vijf keer per week twee uur schoonmaakwerkzaamheden te verrichten. De bezwaarverzekeringsarts acht het gezien de informatie van de huisarts en de rapportage van de verzekeringsarts niet waarschijnlijk dat er invaliderende afwijkingen zijn geweest en is van mening dat een medische rechtvaardiging van het ontslag niet aantoonbaar of aanwijsbaar is.

In het kader van de bezwaarprocedure is eiseres op 10 maart 1998 in aanwezigheid van haar gemachtigde gehoord. Na de hoorzitting heeft de gemachtigde van eiseres alsnog een verklaring van de huisarts van 24 juni 1998 aan verweerder toegezonden.

Vervolgens heeft verweerder bij het thans bestreden besluit de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

In beroep heeft de gemachtigde van eiseres het in bezwaar ingenomen standpunt gehandhaafd. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres benadrukt dat er geen sprake is geweest van ontslagname door eiseres. Eiseres is niet gaan werken omdat zij ziek was. De werkgever heeft dit wegblijven ten onrechte opgevat als ontslagname, aldus de gemachtigde van eiseres. Eiseres heeft desgevraagd toegelicht dat zij toen zij vanwege haar ziekte niet kon werken de sleutels van de werkplek door haar zoon naar de werkgever heeft laten brengen en dat zij zich vervolgens bij verweerder heeft ziek gemeld en naar de huisarts is gegaan.

In artikel 24, eerste lid, aanhef, onderdeel a, van de WW is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef, onderdeel b, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd

Op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW weigert het Lisv de uitkering blijvend geheel indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, onder 3 opgelegd niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het Lisv de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35.

De rechtbank overweegt dat niet is gesteld of gebleken dat eiseres haar schoonmaakwerkzaamheden op 1 november 1996 op medisch advies heeft beëindigd. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat er op medische gronden geen rechtvaardiging is voor de ontslagname van eiseres voor onjuist te houden. De rechtbank merkt daarbij op dat de namens eiseres overgelegde medische verklaring geen informatie bevat die afwijkt van de - op grond van het door de verzekeringsarts opgestelde medisch resumé en bovengenoemd rapport van de bezwaarverzekeringsarts - reeds bij verweerder bekende medische gegevens.

Het standpunt van de gemachtigde van eiseres dat in het onderhavige geval geen sprake is van ontslagname door eiseres kan de rechtbank niet volgen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij zich bij de werkgever ziek heeft gemeld. Evenmin is gebleken dat het dienstverband om een andere reden dan vanwege het feit dat eiseres niet meer op het werk is verschenen is geëindigd. De rechtbank heeft hierbij voorts nog in aanmerking genomen dat eiseres na haar hersteldverklaring zich evenmin bij de werkgever heeft gemeld om haar werk te hervatten, doch zich voor een WW-uitkering tot verweerder heeft gewend.

Het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot de conclusie dat de dienstbetrekking van eiseres bij Polman is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van haar zou kunnen worden gevergd. Verweerder heeft haar derhalve terecht verwijtbaar werkloos geacht voor 10 uur per week. Het niet nakomen van de in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW bedoelde verplichting kan eiseres in overwegende mate worden verweten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door de gemachtigde van eiseres aangevoerde onbekendheid met de procedures en de geringe kennis van de Nederlandse taal geen omstandigheden die tot verminderde verwijtbaarheid kunnen leiden. De rechtbank merkt daarbij nog op dat eiseres blijkens de ter beschikking staande stukken reeds sedert 1 november 1993 in loondienst werkte.

De door eiseres aangevoerde bezwaren kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van een reden om te oordelen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

3. BESLISSING

De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr A.A.H. Schifferstein, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2000.

De griffier: Het lid van de enkelvoudige kamer :

mr S. Meurs mr A.A.H. Schifferstein

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002,

3500 DA Utrecht.