Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:1999:AA5391

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/1068 VV
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

sector bestuursrecht

nr. AWB 99/1068 VV

Uitspraak van de president van de rechtbank te Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoeker] e.a.,

wonende te [woonplaats],

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest,

verweerder.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij besluit van 7 april 1999, verzonden 9 april 1999, heeft verweerder de bezwaren van verzoekers tegen het besluit van 22 december 1998, verzonden 28 december 1998, inhoudende de verlening van een bouwvergunning [vergunninghouder] te [woonplaats] voor het verbouwen van een woning (voormalige watertoren) op het perceel [straat] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente […] perceel […], ongegrond verklaard en het besluit van 22 december 1998 in stand gelaten.

Bij brief van 20 mei 1999 is namens verzoekers tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank.

Bij brief van dezelfde datum is namens verzoekers een verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij de president van de rechtbank.

Het verzoek is op 9 juni 1999 ter zitting behandeld, waar [verzoeker] in persoon is verschenen, bijgestaan door G. Beijen te Soest. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door G. Huttinga, ambtenaar van de gemeente Soest. Voorts zijn [vergunninghouder], vergunninghouder (hierna: [vergunninghouder]), en [partner vergunninghouder] ter zitting verschenen.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voorzover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Het beroep is ingesteld bij de rechtbank die in de hoofdzaak bevoegd is.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid:

2.4 Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. De termijn vangt krachtens het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Het tweede lid bepaalt voorts dat bij verzending per post een bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.5 Het bestreden besluit is op 9 april 1999 aan de gemachtigde van verzoekers verzonden. De beroepstermijn is derhalve ingegaan op 10 april 1999, waarna tot en met 21 mei 1999 beroep kon worden ingesteld. Het beroepschrift heeft als dagtekening de datum 20 mei 1999 en is bij de rechtbank ingekomen op 26 mei 1999. Ter zitting is een verzendbewijs van een aangetekende zending overgelegd dat betrekking heeft op het beroepschrift en dat blijkens het dagtekeningstempel op 25 mei 1999 is afgegeven. Op grond van het voorgaande staat vast dat het beroepschrift na afloop van de termijn is ingediend, zodat het beroep in beginsel voor niet-ontvankelijkverklaring in aanmerking komt.

2.6 Ter zitting heeft gemachtigde van verzoekers de reden van de te late inzending van het beroepschrift toegelicht. Samengevat komt zijn verklaring erop neer, dat hij als gevolg van een ongeluk op de dag voor de afloop van de beroepstermijn fysiek niet meer in staat was het beroepschrift tijdig in te dienen en dat hij dit verzuim zo spoedig mogelijk na dit voorval heeft hersteld. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de beroepstermijn afliep op de vrijdag voor pinksteren, zodat de gemachtigde van verzoekers pas op de dinsdag na afloop van de beroepstermijn in staat was het beroepschrift ter verzending op het postkantoor aan te bieden.

2.7 De Hoge Raad der Nederlanden heeft in zijn arrest van 30 oktober 1996, nr. 31.553, gepubliceerd in JB 1996/258, overwogen dat een tegen het einde van de beroepstermijn opgekomen ziekte grond kan zijn voor een verschoonbare termijnoverschrijding bij de indiening van een beroepschrift. Dit standpunt kan ook als leidraad dienen bij de beoordeling in deze zaak. Op grond van de verklaring van verzoeker kan daarom geenszins worden uitgesloten dat de rechtbank de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar acht. Het voorliggende verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom inhoudelijk worden beoordeeld.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

2.8 Het bouwplan betreft de verbouw van de watertoren op het perceel [straat] te [woonplaats] tot 'kantoorruimte' en woning. De 'kantoorruimte' zal door [vergunninghouder] worden gebruikt en de woning door de zoon van [vergunninghouder].

2.9 Verzoekers hebben aangevoerd dat, hoewel het bouwplan is aangepast na overleg met de omwonenden, zij van mening blijven dat [vergunninghouder] te weinig rekening houdt met de omwonenden vanwege de lichtuitstraling en de aantasting van de persoonlijke levenssfeer. Verzoekers menen dat het niet de bedoeling van het bestemmingsplan kan zijn om deze verbouwing mogelijk te maken, gelet op de bestemming die de watertoren heeft. Verzoekers stellen dat als er voorzien was in de mogelijkheid om wonen boven in de toren mogelijk te maken, de bestemming Woondoeleinden 2 zou moeten zijn en dat het bestemmingsplan bescherming dient te bieden tegen ongewenste ontwikkelingen. Verzoekers stellen voorts dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan de toren werd gebruikt voor woondoeleinden en menen dat aangezien de toren de bestemming Woondoeleinden I heeft gekregen, de omwonenden erop mochten rekenen dat de toren slechts voor woondoeleinden zou worden gebruikt. Verzoekers stellen dat door een niet-woonfunctie aan het gebruik van de watertoren toe te voegen in feite een nieuwe bestemming is gerealiseerd, namelijk kantoor met woning, die in het bestemmingsplan als zodanig dient te worden aangeduid. Verzoekers menen dat het niet de bedoeling is van het overgangsrecht om nieuwe functies toe te voegen, zodat dit overgangsrecht niet mocht worden toegepast. Ten slotte stellen verzoekers dat er een artikel 19-procedure had moeten worden gevolgd, zodat de mogelijkheid van het verzoeken om een planschadevergoeding zou ontstaan.

2.10 Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat in dit geval geen sprake is van een gestapelde woning, zodat het bouwplan op die grond niet in strijd is met de bepalingen van het bestemmingsplan. De verbouwing van de watertoren en het beoogde gebruik zijn volgens verweerder krachtens het bestemmingsplan toegestaan, omdat uit de planvoorschriften blijkt dat wonen niet de enige toegestane functie is. Voorts blijft de woonfunctie voor 60% van de vloeroppervlakte gehandhaafd, hetgeen volgens de voorschriften het minimum is. Verweerder stelt dat de functie kantoor weliswaar niet in artikel 7 lid 7.1 van de planvoorschriften is genoemd, maar dat het (gedeeltelijk) gebruik van de watertoren als kantoor is toegestaan ingevolge artikel 7 lid 7.9 sub II. Verweerder is voorts van mening dat geen vrijstelling op grond van artikel 7 lid 7.4 sub c noodzakelijk is ten behoeve van het bouwplan, omdat zowel de bouw als het gebruik overeenkomstig het bestemmingsplan zijn. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bouwvergunning geheel overeenkomstig de planvoorschriften is verleend en dat derhalve geen reden bestond voor de toepassing van de procedure op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Ten slotte stelt verweerder dat de maximale beslistermijn voor de behandeling van de aanvraag is genomen, omdat in het kader van een zorgvuldige voorbereiding gesprekken met de omwonenden hebben plaatsgevonden, [vergunninghouder] is verzocht de bouwplannen aan te passen in verband met de bezwaren van de omwonenden en omdat advies is gevraagd aan de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, vanwege de voordracht door de gemeente Soest voor plaatsing van de watertoren op de monumentenlijst.

2.11 Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Soestdijk 1997". De watertoren heeft de bestemming Woondoeleinden I.

Uit artikel 7 lid 7.1 van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan blijkt - voor zover relevant - dat aan de gronden die volgens de plankaart zijn bestemd voor Woondoeleinden I de volgende doeleinden zijn toegekend: wonen, detailhandel, dienstverlening, lichte bedrijfsactiviteiten en horeca.

Artikel 7 lid 7.2, onder b, bepaalt dat de woningen uitsluitend vrijstaand danwel aan één zijde aangebouwd, in niet gestapelde vorm, mogen worden gebouwd.

Artikel 7 lid 7.9, aanhef en onder II, bepaalt - voor zover relevant - dat onder het verboden gebruik als bedoeld in artikel 24, leden 1 en 2, in ieder geval wordt verstaan het gebruik van elke woning anders dan uitsluitend of overwegend voor bewoning, met dien verstande, dat gebruik voor kantoor en praktijkruimte toelaatbaar is, mits van die woning niet minder dan 60 % van de gezamenlijke vloeroppervlakte voor de woonfunctie beschikbaar blijft. Ingevolge artikel 1, lid 1.1, onder k en l, wordt onder een gestapelde woning verstaan een woning, waarboven of waaronder andere woningen of delen daarvan zijn gelegen en wordt onder een niet-gestapelde woning verstaan een woning, waarboven of waaronder geen andere woningen of delen daarvan zijn gelegen.

2.12 Ingevolge artikel 44 van de Woningwet, voor zover hier van belang, mag alleen en moet de bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

2.13 [Vergunninghouder] zal na de realisering van de bouwplannen op de eerste vier verdiepingen van de watertoren zijn constructie-adviesbureau vestigen. Aldaar zullen vijf personen werkzaam zijn. Op de bovenste verdiepingen zal een woning gerealiseerd worden, alwaar de zoon van [vergunninghouder], die overigens niet bij het constructie-adviesbureau werkzaam is, zal gaan wonen. Uit de tekeningen van het bouwplan en de toelichting die hierop ter zitting namens verweerder is gegeven, is voorts gebleken dat het 'kantoor' en de woning apart toegankelijk zullen zijn en zelfstandig ten opzichte van elkaar zullen functioneren.

2.14 Het moet worden betwijfeld of het constructie-adviesbureau wel beschouwd kan worden als een kantoor. Artikel 1, lid 1.1, aanhef en onder y, van de planvoorschriften omschrijft een kantoor immers als een ruimte die blijkens zijn indeling en inrichting is bestemd om uitsluitend te worden gebruikt voor werkzaamheden van administratieve aard. De werkzaamheden die in het kader van een constructie-adviesbureau plaatsvinden - en waar de bouwplannen, blijkens onder meer de aanduiding "tekenkamer" op de bouwtekening bij twee verdiepingen, ook op zijn afgestemd - kunnen niet, althans niet uitsluitend als werkzaamheden van administratieve aard worden aangemerkt. Het beroep op artikel 7, lid 7.9, onder II, is reeds hierom discutabel.

De watertoren zal na realisering van de bouwplannen ook in bouwkundig opzicht gedeeltelijk een beroepsmatige functie en gedeeltelijk een woonfunctie krijgen. Voor de beoordeling van bouwplannen in het kader van het verlenen van een bouwvergunning dient de toetsing plaats te vinden aan de hand van de bestemmingsplankaart en de op de bouw betrekking hebbende planvoorschriften. Het gebruiksvoorschrift in artikel 7, lid 7.9, onder II, van de planvoorschriften heeft dus voor de beoordeling van het geschil geen (beslissende) betekenis. Gelet op het bepaalde in artikel 7 van de planvoorschriften is in ieder geval de realisering van een zelfstandige ruimte bedoeld en ingericht voor beroepsmatige activiteiten, die geen onderdeel uitmaakt van de woning en ook niet ondergeschikt is aan de woonfunctie van het pand, in strijd met het bestemmingsplan. Een dergelijke functie valt immers niet onder de doeleinden die blijkens artikel 7 lid 7.1 aan gronden die volgens de plankaart zijn bestemd voor Woondoeleinden 1 zijn toegekend.

Gelet op het voorgaande wordt geoordeeld dat de bouwvergunning in strijd met artikel 44 van de Woningwet is verleend, zodat het bestreden besluit naar verwachting in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. De besluiten van 22 december 1998 en 7 april 1999 tot verlening en handhaving van de bouwvergunning zullen daarom worden geschorst. 2.17 Aangezien het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten die verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op f. 14,-- aan reiskosten voor [verzoeker].

2.18 Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De president:

schorst de besluiten van verweerder van 22 december 1998, Afd. P&B/WA/GH nr 98187 en van 7 april 1999, P&B/1999/3099;

veroordeelt verweerder in de kosten van verzoekers in dit geding, ten bedrage van f. 14,--;

bepaalt dat het door verzoekers betaalde griffierecht ad f. 225,-- wordt vergoed;

wijst de gemeente Soest aan als de rechtspersoon die de onder 3.2 en 3.3 vermelde bedragen dient te vergoeden.

Aldus gewezen door mr D.A.C. Slump, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 1999.

De griffier: De president:

mr A.G.J.M. de Weert mr D.A.C. Slump

Afschrift verzonden aan partijen op: