Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:1999:AA4960

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-12-1999
Datum publicatie
28-08-2001
Zaaknummer
99/145 VEROR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Reg. nr: 99/145 VEROR

UITSPRAAK van de arrondissements-rechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen:

[eiser 1] en [eiser 2], wonende te [woonplaats],

e i s e r s,

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht, v e r w e e r d e r.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE.

Bij het primaire besluit van 30 september 1997, verzonden 3 oktober 1997, heeft verweerder aan eiser [eiser 1] op grond van de Subsidieverordening Stadsvernieuwing (hierna: de Verordening) ten behoeve van de verbetering van het casco van de woning aan de [woning eiser] onder bepaalde voorwaarden een bijdrage ineens op termijn van f 80.000,- verleend. Verder is bij dat besluit bepaald dat de geldelijke steun wordt verleend en vastgesteld onder - onder meer - de voorwaarde dat de eigenaar, alsmede de rechtsopvolger, de woning deugdelijk zal onderhouden overeenkomstig een door verweerder goedgekeurd onderhoudsplan, en dat de bijdrage 15 jaar na de dertigste van de maand van vaststelling van de geldelijke steun wordt betaalbaar gesteld. Bij besluit van 11 december 1998, verzonden 14 december 1998, heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit van 30 september 1997 deels gegrond verklaard, in die zin dat de term 'bijdrage ineens op termijn' wordt vervangen door 'subsidie op termijn', het in het primaire besluit genoemde bedrag van f 80.000,- wordt vervangen door f 100.000,- en de maximale bijdrage wordt verhoogd met 10%, en voor het overige ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het besluit van 11 december 1998 op 22 januari 1999 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft op 4 maart 1999 de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 22 november 1999, alwaar eiser [eiser 1] in persoon is verschenen. Verweerder is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigde mr C.M. Mulder, ambtenaar der gemeente.

2. OVERWEGINGEN.

Feiten.

Bij de vaststelling van het 'Meerjaren Programma Stadsvernieuwing 1995-met een doorkijk naar 2005' is op de gemeentelijke begroting een reservering opgenomen van f 3 miljoen voor de afronding van de particuliere woningverbetering in de Rivieren/Dichterswijk. Dit gebied is in een aantal blokken opgedeeld. Eisers' woning is ingedeeld in blok I2. Vervolgens is het draagvlak onder de eigenaren van de in voornoemde blokken vallende woningen voor een blokverbeteringsproject gepeild. Bij gebrek aan draagvlak zijn drie blokken afgevallen. De eigenaren van de overige blokken zijn op voorlichtingsbijeenkomsten geïnformeerd over de hoofdlijnen van de particuliere woningverbetering. Vervolgens is begin 1996 de voorbereiding van de deelprojecten gestart. De meerderheid van de eigenaren heeft het gezamenlijk geselecteerde architectenbureau opdracht gegeven voor het maken van een voorlopig plan. Op basis van dit voorlopig plan heeft eind 1996/begin 1997, nadat de eigenaren inzicht hadden gekregen in de op te heffen gebreken, de daaraan verbonden kosten en de mogelijke subsidiebedragen, een tweede draagvlakmeting plaatsgevonden. Van de eigenaren in de blokken I1 en I2 waren 76% voorstander van uitvoering van het blokverbeteringsproject. Eisers hebben toen aangegeven nog geen besluit te kunnen nemen.

Op grond van de uitslag van de draagkrachtmeting heeft de raad der gemeente Utrecht op 2 juni 1997 besloten 145 woningen in het project Balijelaan, gelegen in de Rivieren/Dichterwijk, aan te wijzen als project particuliere woningverbetering als bedoeld in artikel 2.1 van de Verordening, daarop de regeling Voorfinanciering van toepassing te verklaren en een budget van f 2.845.581,- voor de uitvoering van dit project vrij te geven.

Eisers' woning aan de [woning eiser] behoorde tot voornoemde 145 woningen.

De woning van eisers is op 7 april 1997 geïnspecteerd door hun architect en een inspecteur van de Dienst Stadsontwikkeling. Laatstgenoemde heeft vervolgens na overleg met de architect bepaald welke onderdelen vervangen moesten worden en voor subsidie in aanmerking konden komen. De kosten van de te treffen voorzieningen zijn geschat op circa f 98.000,-.

Door eiser [eiser 1] is op 24 september 1997 bij verweerder een aanvraag voor verlening van geldelijke steun op grond van de Verordening ten behoeve van de verbetering van het casco van de woning aan de [woning eiser] ingediend.

Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit van 30 september 1997 genomen.

Eisers hebben naar aanleiding van dat besluit op 20 oktober 1997 schriftelijk een toelichting gevraagd op een aantal punten. Daarnaast hebben eisers, gelet op de grootte van hun woning en het feit dat de kosten door één gezin moeten worden gedragen, verzocht om een bijdrage in de kosten die het maximale bedrag aan subsidiabele kosten van 100.000,- overstijgen.

Bij brief van 3 november 1997 is door P.B.W. Terwisscha, hoofd sector Particulier Woningbezit, de gevraagde toelichting gegeven en is voorts meegedeeld dat geadviseerd zal worden vrijstelling te verlenen van het hanteren van een maximaal subsidiebedrag van f 100.000,- .

Eisers hebben op 10 november 1997 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 september 1997. De gronden van het bezwaar zijn aangevuld op 12 oktober 1998.

Op 29 oktober 1998 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

Eisers hebben bij brief van 30 oktober 1998 onder overlegging van stukken meegedeeld dat de totale investering ten behoeve van de renovatie momenteel f 116.624,04 bedraagt en dat over dat bedrag een subsidie van f 62.985,65 wordt gevraagd. Verder is daarbij het voorbehoud gemaakt dat de werkzaamheden nog niet zijn voltooid en niet is te voorspellen in hoeverre de afronding met aanvullende kosten gepaard zal gaan.

Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.

Standpunten van partijen.

Eisers hebben in beroep aangevoerd dat sprake is van rechtsongelijkheid. Volgens eisers stelt verweerder voor elke eigenaar een maximum subsidie van f 50.000,- beschikbaar, zodat voor vergelijkbare panden met meer dan twee eigenaren een maximale bijdrage van meer dan f 100.000,- kan worden verleend.

Verder menen eisers dat de ongegrondverklaring van hun bezwaar dat ten onrechte geen subsidie is verleend voor de vervanging van een aantal kozijnen niet deugdelijk is gemotiveerd en dat die motivering voorts onbegrijpelijk, onrechtvaardig en onjuist is. Volgens eisers zijn alle voorzieningen die op basis van het plan van aanpak zijn uitgevoerd, subsidiabel. Eisers hebben er in dit verband op gewezen dat de architect en de inspecteur van de Dienst Stadsontwikkeling collega's zijn, dat een koehandel tussen beiden heeft plaatsgevonden met betrekking tot de te vervangen kozijnen en dat eisers in de periode tussen de vaststelling van de subsidiabele kosten en de indiening van de subsidieaanvraag onder grote psychische druk gestaan hebben ten gevolge van de dreiging door verweerder met een aanschrijving tot woningverbetering.

Eisers hebben voorts aangegeven dat het onaannemelijk is dat kozijnen van dezelfde leeftijd zich in een verschillende staat van onderhoud bevinden. In de praktijk is volgens eisers gebleken dat een dergelijk verschil niet was te geven.

Eisers hebben verder in beroep aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte het recht voorbehoudt de subsidie na 15 jaar terug te vorderen indien niet aan de onderhoudsplicht wordt voldaan. Eisers menen dat deze sanctie onevenredig zwaar is en dat het is onredelijk om de subsidieontvanger, wanneer de investering na een periode van 15 jaar al geheel is afgeschreven, alsnog te straffen. Daar komt bij dat eisers niet weten welke eisen verweerder over een periode van 15 jaar aan het onderhoud van hun woning gaat stellen. Hierdoor ontstaat rechtsonzekerheid. Daarnaast creëert verweerder met deze voorwaarde voor uitbetaling een nieuwe, niet op de Woningwet berustende, sanctie.

Verder menen eisers dat verweerder zijn zorgplicht heeft verwaarloosd. Verweerder heeft de verwachting gewekt dat hij zich de belangen van eisers aantrok. Gedurende de periode waarin het project loopt bleek niet alleen dat daar niet automatisch op vertrouwd mocht worden, maar ook dat een beroep op de zorgplicht tevergeefs was.

Ter zitting heeft eiser [eiser 1] nog aangevoerd dat hij benadeeld is door verweerder, doordat hij niet in de gelegenheid is gesteld bezwaar te maken tegen de aanwijzing van het gebied waarin zijn woning ligt als woningverbeterings-gebied en tegen de indeling van zijn woning in blok I2, en eisers dientengevolge de keuze om al dan niet deel te nemen aan het blokverbeteringsproject is ontnomem.

Verder heeft hij naar voren gebracht dat hij bezwaren van morele aard heeft om in het kader van het beroep op het gelijkheidsbeginsel de eigenaars van een vergelijkbare woning, die tezamen meer dan f 100.000,- aan subsidie kunnen krijgen, met naam te noemen.

Daarnaast heeft hij aangegeven dat de totale renovatiekosten thans worden beraamd op f 117.000,- en dat door de inspanningen van eisers de subsidiabele kosten zijn gedaald onder f 100.000,-.

Tot slot heeft hij opgemerkt dat, hoewel sprake was van vrijwillige deelname aan het project en de stichting die ten behoeve van de gezamenlijke aanpak van de renovatie door de eigenaars is opgericht, in de praktijk geen keuzemogelijkheid bestond, omdat degene die niet wilde deelnemen door verweerder werd gedreigd met een aanschrijving tot woningverbetering. Hoewel verweerder tot een dergelijke aanschrijving bevoegd was, maakte verweerder hiervan volgens hem eerder geen gebruik.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Verordening een subsidieverdeling per juridische eenheid c.q. per woning kent en niet een verdeling van het per eigenaar beschikbare bouwvolume of oppervlakte. Op grond van de Verordening hebben eisers recht op een maximale bijdrage van f 100.000,-, op grond van artikel 1.6, eerste lid, van de Verordening te verhogen tot f 110.000,-. Volgens verweerder ontbreekt iedere grondslag voor een extra subsidie op basis van de totale kosten van de renovatie van de woning van eisers.

Voor zover eisers een beroep wensen te doen op het gelijkheidsbeginsel, is verweerder van mening dat dit beroep niet kan slagen, omdat eisers hebben verzuimd aan te geven voor welke vergelijkbare woning een hogere maximaal subsidiebedrag is gehanteerd.

Wat betreft het niet subsidiëren van een aantal kozijnen heeft verweerder aangevoerd dat het uitgangspunt van het Programma van Eisen is dat een gesubsidieerde ingreep sober en doelmatig moet plaatsvinden en dat het Programma uitdrukkelijk aangeeft dat het vervangen van goede ramen niet om reden van plaatsing van dubbel glas gesubsidieerd kan worden.

Met betrekking tot de voorwaarde voor verlening en vaststelling van de subsidie dat de woning gedurende 15 jaar deugdelijk zal worden onderhouden conform een door verweerder goedgekeurd onderhoudsplan, heeft verweerder naar voren gebracht dat de Verordening hem de bevoegdheid geeft voor het verlenen van subsidie onder voorwaarden. Verweerder wil met het stellen van de voorwaarde van een onderhoudsplan voorkomen dat er opnieuw grote achterstanden in het onderhoud ontstaan.

Verder meent verweerder dat het aanwijzingsbesluit van de raad van 2 juni 1997 geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is, aangezien hier geen rechtsgevolgen uit voortvloeien. Weliswaar is een mogelijk gevolg van de aanwijzing dat een aanschrijving tot woningverbetering volgt, maar dat behoeft niet het geval te zijn. Gelet hierop zijn eisers volgens verweerder terecht niet in de gelegenheid gesteld hiertegen bezwaar of beroep in te stellen.

Ter zitting heeft verweerder nog naar voren gebracht dat voor eisers geen verplichting bestond om aan het project of voornoemde stichting deel te nemen en dat eisers eerst een aanvraag om subsidie hebben ingediend, nadat was besloten dat het project doorgang zou vinden.

Wettelijk kader.

Ingevolge artikel 1.4, eerste lid, van de Verordening is verweerder bevoegd om in het belang van de stadsvernieuwing steun aan particuliere natuurlijke personen of rechtspersonen toe te kennen.

In het derde lid van dat artikel is bepaald dat verweerder voorwaarden kunnen verbinden aan het toekennen van steun.

In artikel 1.6, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat verweerder bevoegd is van de in de Verordening genoemde getallen binnen een marge van 10% af te wijken, indien dat in een bijzonder geval in het belang van zowel de aanvrager als de stadsvernieuwing is en er geen dringende redenen zijn voor het aanhouden van de in de Verordening genoemde getallen.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan verweerder in bijzondere gevallen, waarin toepassing van het bepaalde in het eerste lid ontoereikend zou zijn voor toekenning van een bijdrage, in het belang van de stadsvernieuwing afwijken van deze verordening.

In artikel 2.22, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat ten behoeve van het complex- of projectmatig treffen van voorzieningen aan het casco van een woning en daarmee rechtstreeks samenhangende voorzieningen in actiegebieden ten laste van het daarvoor beschikbare budget geldelijke steun kan worden verleend of vastgesteld, indien de woning voorkomt in het jaarprogramma voor blokverbeteringsprojecten, en dat de geldelijke steun wordt berekend over de bij de vaststelling van de geldelijke steun door verweerder goedgekeurde kosten van de voorzieningen.

Ingevolge artikel 2.23, derde lid, van de Verordening komen bedragen waarmee de kosten van voorzieningen f 100.000,- te boven gaan niet voor subsidie in aanmerking.

In artikel 2.28 van de Verordening is bepaald dat de geldelijke steun wordt verleend en vastgesteld onder meer onder de voorwaarde dat gedurende 15 jaar de woning zal worden onderhouden overeenkomstig een door verweerder goed te keuren onderhoudsplan.

Beoordeling van het geschil.

De rechtbank stelt vast dat verweerder op grond van de artikelen 1.4, eerste en derde lid, en artikel 2.22, eerste lid, van de Verordening bevoegd is om in het kader van de stadsvernieuwing ten behoeve van de verbetering van het casco van een particuliere woning geldelijke steun te verlenen tot een bedrag van f 100.000,-, dan wel een hoger bedrag indien volgens verweerder sprake is van een bijzonder geval waarin toepassing moet worden gegeven aan het bepaalde in artikel 1.6, eerste of tweede lid, van de Verordening, en om aan die subsidieverlening voorwaarden te verbinden.

Voorts komen op grond van artikel 2.22, eerste lid, van de Verordening slechts die kosten van voorzieningen die door verweerder zijn goedgekeurd voor subsidie in aanmerking.

Verweerder heeft van voornoemde bevoegdheid gebruikt gemaakt door aan eisers subsidie te verlenen voor de goedgekeurde kosten van de te treffen voorzieningen tot een maximum van f 110.000,-. Dit laatste bedrag bestaat uit voornoemd maximumbedrag van f 100.000,-, en een verhoging met 10% op grond van artikel 1.6, eerste lid, van de Verordening. Verweerder heeft geen grond gezien om met toepassing van het tweede lid van artikel 1.6 de maximale subsidiabele kosten in het geval van eisers op een hoger bedrag dan f 110.000,- vast te stellen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarmee niet buiten de grenzen van een redelijke bevoegdheidsuitoefening is getreden. De rechtbank ziet in hetgeen door eisers in dit verband is aangevoerd geen grond om tot een ander oordeel te komen. Zij overweegt in dit verband het volgende.

Het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel kan niet tot de conclusie leiden dat aan eisers een hogere subsidie dan f 110.000,- moet worden verleend, reeds hierom dat eisers dit beroep niet hebben geconcretiseerd. Dat eisers om morele redenen geen andere eigenaren bij naam willen noemen, doet hier niet aan af. Daar komt bij dat de rechtbank evenmin op grond van de overgelegde stukken en hetgeen door verweerder in beroep is aangevoerd heeft kunnen constateren dat verweerder gelijke gevallen verschillend behandelt, in die zin dat voor sommige - met het pand van eisers vergelijkbare - panden een subsidie van meer dan f 110.000,- kan worden verleend.

De stelling van eisers dat de door verweerder goedgekeurde kosten te laag zijn vastgesteld, omdat verweerder ten onrechte de vervanging van een aantal kozijnen niet noodzakelijk heeft geacht en voorts te lage eisen aan de kwaliteit van de gebruikte materialen heeft gesteld, kan de rechtbank niet volgen. De door verweerder goedgekeurde kosten van voorzieningen zijn gebaseerd op een door de inspecteur van de Dienst Stadsontwikkeling in overleg met de door eisers ingeschakelde architect opgestelde lijst van noodzakelijke voorzieningen. De rechtbank is niet gebleken dat deze lijst niet op deskundige en zorgvuldige wijze is tot stand gekomen. Hetgeen door eisers is opgemerkt betreffende de verhouding tussen de inspecteur c.q. de gemeente en de architect acht de rechtbank daartoe onvoldoende.

Evenmin acht de rechtbank aangetoond dat verweerder bij de vaststelling van de te gebruiken materialen en de daarmee verbonden kosten niet op zorgvuldige wijze te werk is gegaan en als gevolg daarvan de subsidiabele kosten te laag heeft vastgesteld.

De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat, ook indien verweerder de vervanging van alle kozijnen noodzakelijk zou hebben geacht en zou zijn uitgegaan van hogere materiaalkosten, de maximale subsidie op grond van artikel 2.23, derde lid, en artikel 1.6, eerste lid, van de Verordening - behoudens ingeval toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 1.6, tweede lid, van de Verordening - niet meer dan f 110.000,- zou kunnen bedragen. Dat sprake is van een zodanig bijzonder geval dat verweerder toepassing had moeten geven aan het tweede lid van artikel 1.6 van de Verordening is de rechtbank niet gebleken. Gelet hierop zou van een subsidie voor alle door eisers gemaakte renovatiekosten - door eisers beraamd op circa f 117.000,- - geen sprake kunnen zijn.

Het aan de verlening en vaststelling van de subsidie door verweerder verbinden van de voorwaarde dat de woning gedurende 15 jaar deugdelijk wordt onderhouden conform een door verweerder goedgekeurd onderhoudsplan, kan de rechterlijke toets eveneens doorstaan. In artikel 2.28 van de Verordening is bepaald dat de subsidie wordt verleend en vastgesteld - onder meer - onder genoemde voorwaarde. Verweerder is voorts tot het verbinden van voorwaarden aan de verlening en vaststelling van de subsidie op grond van het bepaalde in artikel 1.4, derde lid, van de Verordening bevoegd. De rechtbank is van oordeel het stellen van de betreffende voorwaarde om te voorkomen dat achterstallig onderhoud optreedt niet onredelijk moet acht. Dat verweerder daarnaast - in beginsel wanneer reeds sprake is van achterstallig onderhoud - een eigenaar van een woning kan aanschrijven achterstallig onderhoud te plegen, doet hier niet aan af.

Ten aanzien van het bezwaar van eisers dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld rechtsmiddelen aan te wenden tegen eerder in het besluitvormingstraject genomen besluiten, bijvoorbeeld het aanwijzingsbesluit van 2 juni 1997, en dat hen dientengevolge de keuze om al dan niet deel te nemen aan het project is ontnomen, merkt de rechtbank op dat eisers, nadat was besloten het blokverbeteringsproject doorgang te laten vinden, een aanvraag voor subsidie hebben gedaan, hoewel deelname aan het project niet verplicht was.

Hetgeen overigens door eisers in beroep naar voren is gebracht geeft de rechtbank evenmin aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen, nu eisers zich daarbij met name richten tegen de wijze waarop invulling is gegeven aan het blokverbeteringsproject - en het daaraan voorafgaande traject - en niet zo zeer tegen de hoogte van de verleende subsidie en/of de daaraan verbonden voorwaarden.

De door eisers aangevoerde bezwaren kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Aangezien ook overigens geen aanleiding bestaat om te oordelen dat het bestreden besluit niet in stand kan worden gelaten, dient het beroep van eisers ongegrond te worden verklaard.

Gelet op het vorenoverwogene ziet de rechtbank geen aanleiding verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Er wordt dan ook als volgt beslist.

3. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr J.G.Th. Engelberts, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 10 december 1999.

de griffier:

R.C. Stijnen

het lid van de enkelvoudige kamer:

J.G.Th. Engelberts

Afschrift verzonden op: Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.