Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:1999:AA4840

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-12-1999
Datum publicatie
16-01-2002
Zaaknummer
97/2744 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 27
Werkloosheidswet 24
Werkloosheidswet 24
Werkloosheidswet 24
Werkloosheidswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Reg. nr: 97/2744 WW

UITSPRAAK van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen:

A,

wonende te B,

eiser,

tegen

Het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), gevestigd te Amsterdam,

verweerder.

1.VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij besluit van 30 juli 1997 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen verweerders primaire besluit van 28 maart 1997 ongegrond verklaard. Bij dit primaire besluit heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat op eisers uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 24 februari 1997 een maatregel wordt opgelegd van 35% gedurende 26 weken.

Namens eiser is tegen het besluit van 30 juli 1997 op 28 augustus 1997 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft op 9 oktober 1997 de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 24 november 1998 waar eiser is verschenen, bijgestaan door mr P.H. Ruijzendaal, advocaat te Zeist. Verweerder, ambtshalve opgeroepen bij gemachtigde is verschenen bij M.C. Frissart-Kallenbach, juridisch medewerkster van de afdeling Bezwaar en Beroep van het districtskantoor Utrecht van GAK Nederland B.V.

Na de behandeling ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder verzocht enkele vragen te beantwoorden.

Bij brief van 28 januari 1999 heeft verweerder de vragen beantwoord en daarbij een stuk overgelegd.

Bij brief van 17 februari 1999 heeft de griffier van de rechtbank partijen medegedeeld dat de verdere behandeling van het beroep door de enkelvoudige kamer van de rechtbank is verwezen naar een meervoudige kamer.

Vervolgens heeft de rechtbank, na daartoe verkregen toestemming van partijen, bepaald dat een nadere zitting achterwege wordt gelaten.

2. OVERWEGINGEN

In geschil is de door verweerder met ingang van 24 februari 1997 op eisers WW-uitkering toegepaste maatregel van 35% gedurende 26 weken.

feiten

Eiser is op 17 maart 1990 in dienst getreden bij een X restaurant van Y B.V., gevestigd te Z. In de loop van zijn dienstverband heeft eiser zich ontwikkeld tot floormanager. Eiser heeft een MAVO-diploma, een jaar MTS, een middenstandsdiploma en opleidingscertificaten bij cursussen van X behaald. In februari 1995 is eiser uitgevallen voor dit werk vanwege situatieve arbeidsongeschiktheid. In verband met deze arbeidsongeschiktheid heeft eiser gedurende de maximale termijn een uitkering ingevolge de Ziektewet en aansluitend met ingang van 5 februari 1996 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% ontvangen. Het dienstverband met X is op 30 september 1996 beëindigd. Verweerder heeft eiser met ingang van 11 november 1996 niet langer arbeidsongeschikt geacht en hem per die datum een WW-uitkering toegekend op basis van 38 arbeidsuren per week.

In de maanden november en december 1996 heeft eiser gedurende een wisselend aantal uren per week gewerkt via uitzendbureaus. Vanaf 21 december 1996 is eiser via uitzendbureau Manpower gaan werken op 5 dagen per week voor vier tot zes uur per dag. Daarnaast heeft eiser met ingang van 6 januari 1997 voor de duur van 6 maanden een arbeidsovereenkomst met schoonmaakbedrijf P gesloten met een proeftijd van twee maanden. De overeengekomen werktijd was 2 uur per dag, 5 dagen per week. Op 14 februari 1997 heeft eiser ontslag genomen bij schoonmaakbedrijf P. Op 17 februari 1997 heeft eiser zich ziekgemeld. In verband hiermee heeft verweerder hem met ingang van deze datum uitgesloten van het recht op WW-uitkering. Eiser is met ingang van 24 februari 1997 hersteld verklaard. Op 25 februari 1997 heeft eiser blijkens een van het loketbezoek opgemaakt rapport aangegeven dat hij ontslag bij P heeft genomen in de proeftijd, omdat hij het schoonmaakwerk niet motiverend vond. Op 3 maart 1997 heeft verweerder telefonisch om inlichtingen gevraagd bij schoonmaakbedrijf P over eisers ontslagname. In het van dit telefoongesprek opgestelde rapport staat vermeld dat eiser op vrijdag niet is komen opdagen, dat hij nadat de werkgever telefonisch contact met hem heeft opgenomen op zaterdag weer is komen werken en dat de werkgever een en ander met eiser heeft besproken waarna eiser heeft gezegd dat hij het werk niet fijn vond en ontslag heeft genomen.

Op 26, 27 en 28 februari 1997 heeft eiser via uitzendbureau Manpower 6 uur per dag werkzaamheden verricht, waarna de opdracht was beëindigd. Met ingang van 11 maart 1997 is eiser via Randstad uitzendbureau gaan werken als productiemedewerker bij Q. Met ingang van 26 maart 1997 is eiser via Randstad uitzendbureau als magazijnmedewerker gaan werken bij R b.v.

Bij besluit van 28 maart 1997 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat vanwege zijn ontslagname bij werkgever P met ingang van 24 februari 1997 een maatregel op zijn uitkering wordt toegepast van 35% gedurende 26 weken over zijn WW-uitkering op basis van 38 arbeidsuren per week. Tegen dit besluit is namens eiser op 25 april 1997 bezwaar gemaakt.

In het kader van de bezwaarprocedure is eiser op 18 juni 1997 in aanwezigheid van zijn gemachtigde gehoord. Vervolgens heeft verweerder bij het thans bestreden besluit eisers bezwaren ongegrond verklaard.

standpunten van partijen

De gemachtigde van eiser acht de door verweerder opgelegde maatregel ten onrechte, primair omdat er geen sprake is van verwijtbare werkloosheid. Daarbij is gesteld dat eiser gedurende de voor dit geding relevante periode 6 januari tot en met 14 februari 1997 -gedurende een belangrijk deel van deze periode- twee deeltijdbanen had en wel voor 2 uur per dag, vijf dagen per week bij schoonmaakbedrijf P en voor vier tot zes uur per dag gedurende vijf dagen per week via het Uitzendbureau Manpower. Indien eiser niet ziek zou zijn geworden op 17 februari 1997, zou hij in zijn visie via Manpower een voltijdse functie hebben gekregen. Na zijn herstel is eiser weer intensiever op zoek gegaan naar een baan met meer uren per week, hetgeen via uitzendbureau Randstad is gelukt. De minimale baan bij schoonmaakbedrijf P was echter niet aan te houden. Eiser ontkent dat hij bij het schoonmaakbedrijf heeft meegedeeld dat hij niet gemotiveerd was voor het werk.

Subsidiair heeft eisers gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat verweerder vanwege eisers ernstige financiële omstandigheden had moeten afzien van het opleggen van een maatregel. Bovendien is het volgens de gemachtigde van eiser niet uitgesloten dat de sanctieproblematiek bij eiser zorgt voor een terugval op het gebied van zijn psychische gezondheid. Daarbij heeft hij een brief van eisers behandelend psychiater van het Riagg van 9 augustus 1996 overgelegd.

Daarnaast heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat gezien eisers arbeidsverleden het voor de hand ligt dat eiser een nieuwe baan in de horeca zoekt en niet in het schoonmaakwerk.

In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat uit het contract tussen eiser en werkgever P blijkt dat eiser voor bepaalde tijd, te weten een half jaar is aangenomen en dat eiser in de proeftijd ontslag heeft genomen. Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 24, derde lid, van de WW heeft verweerder gesteld dat er sprake kan zijn van zodanige bezwaren aan de voortzetting van de dienstbetrekking dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van de werknemer kan worden gevergd. Naar het oordeel van verweerder voldoen de door eiser in bezwaar aangevoerde omstandigheden -het werk was niet passend, de verdiensten laag, eiser had kans op ander werk en vond het werk niet motiverend- niet aan bovenvermeld criterium. Verweerder acht eiser derhalve verwijtbaar werkloos.

Met betrekking tot de hoogte van de opgelegde sanctie heeft verweerder onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 24 van de WW gesteld dat bij verwijtbare werkloosheid de uitkering blijvend geheel geweigerd wordt, tenzij het niet nakomen van de verplichtingen de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. Volgens verweerder is van een dergelijke omstandigheden sprake indien -onder meer- een blijvend gehele weigering meer arbeidsuren betreft, dan de dienstbetrekking waaruit men verwijtbaar werkloos is geworden, hetgeen bij eiser het geval is.

beoordeling van het bestreden besluit

In artikel 24, eerste lid en onder a, van de WW is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt. In onderdeel b, ten tweede, van dat artikellid is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft, doordat hij nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.

Artikel 27, eerste lid, van de WW bepaalt dat indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, ten derde, opgelegd, niet is nagekomen het Lisv de uitkering blijvend of geheel weigert, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het Lisv de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35.

Ingevolge artikel 27, tweede lid, van de WW weigert het Lisv, indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder ten tweede, opgelegd, niet is nagekomen, de uitkering blijvend over het aantal uren waarover het recht op uitkering zou zijn geëindigd indien de werknemer de betreffende arbeid zou hebben aanvaard of verkregen.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser door uit het dienstverband met P van 10 uur per week ontslag te nemen, verwijtbaar werkloos is geworden. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser had kunnen blijven werken bij P en dat eiser ter zitting heeft aangegeven dat hij het schoonmaakwerk niet motiverend vond. Dat eiser via Manpower een volledige baan had kunnen krijgen als hij niet op 17 februari 1997 ziek zou zijn geworden, acht de rechtbank -nu eiser dit zonder nadere onderbouwing eerst ter zitting heeft aangevoerd- onvoldoende aangetoond. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser destijds zowel aan verweerder als aan P respectievelijk zijn gebrek aan motivering en het niet fijn vinden van het werk als redenen voor ontslagname heeft meegedeeld. De rechtbank is van oordeel dat uit deze motivering voor zijn ontslagname niet blijkt van zodanige bezwaren aan voortzetting van de dienstbetrekking met P dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van eiser gevergd kon worden.

Met betrekking tot de opgelegde maatregel acht de rechtbank allereerst van belang vast te stellen of verweerder terecht en op goede gronden een maatregel van 35% gedurende 26 weken heeft opgelegd op de WW-uitkering op basis van 38 arbeidsuren, terwijl eiser verwijtbaar werkloos is geworden uit een dienstbetrekking van 10 uren per week

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het systeem van de WW dat het recht op WW-uitkering afhangt van het aantal uren waarover arbeid is verloren: het arbeidsurenverlies. Over die uren bestaat indien aan alle voorwaarden wordt voldaan in beginsel recht op uitkering. In geval van eiser is in verband met de aanvaarding van de dienstbetrekking bij P het recht op WW-uitkering gedeeltelijk, voor 10 uren, beëindigd. Vervolgens wordt eiser uit deze dienstbetrekking weer werkloos en kan worden geconstateerd dat hij voor het werk bij P geen nieuw recht op WW-uitkering heeft opgebouwd zodat zijn gedeeltelijk beëindigde WW-uitkering in beginsel voor 10 uur herleeft. De herleving van zijn recht op WW-uitkering als gevolg van die beëindigde dienstbetrekking strekt zich derhalve niet uit over 38 uren op basis waarvan eiser destijds WW-uitkering is toegekend, maar is beperkt tot 10 uren.

Gelet op deze systematiek van vaststelling van het recht op WW-uitkering waarbij het arbeidsurenverlies bepalend is voor dat recht acht de rechtbank het opleggen van een maatregel op de WW-uitkering op basis van 38 uren, terwijl het gaat om verwijtbare werkloosheid bij herleving van het WW-recht voor 10 uren, in strijd met artikel 24, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel b, van de WW. Immers de maatregel wordt dan ook toegepast op uren waarover eiser niet verwijtbaar werkloos is. De rechtbank ziet hier een analogie met het bepaalde in artikel 27, tweede lid, juncto artikel 24, eerste lid, onderdeel b, ten tweede, van de WW. Op grond van het tweede lid van artikel 27 van de WW wordt, indien een werknemer verwijtbaar nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt, de uitkering geweigerd over het aantal uren waarover het recht zou zijn geëindigd indien de werknemer de betreffende arbeid zou hebben aanvaard of verkregen.

Dat Gak Nederland b.v. als uitvoeringsinstelling van verweerder als bestendige gedragslijn of beleid voert dat een maatregel van 35% gedurende 26 weken wordt opgelegd, indien een blijvend gehele weigering meer uren zou betreffen dan de dienstbetrekking waaruit men verwijtbaar werkloos is geworden, kan aan het voorgaande niet afdoen. Dat voormelde systematiek in de WW ertoe kan leiden dat in andere situaties als die van eiser de gevolgen van de maatregel zwaarder kan zijn dan in het door Gak Nederland b.v. gevoerde beleid, kan hieraan evenmin afdoen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder ten onrechte een maatregel heeft opgelegd op het recht op WW-uitkering op basis van 38 uren. Het bestreden besluit komt dan ook wegens strijd met de systematiek van de WW in samenhang bezien en zoals neergelegd in de artikelen 16, 20, 24 en 27 van de WW voor vernietiging in aanmerking. Ter voorlichting van eiser merkt de rechtbank op dat het voorgaande niet betekent dat verweerder bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar geheel af dient te zien van het opleggen van een maatregel. Daarbij merkt de rechtbank ten aanzien van eisers beroep op een dringende reden op grond waarvan afgezien zou moeten worden van het opleggen van een maatregel, op dat de rechtbank voorshands niet is gebleken van een dergelijke reden. Het enkele bestaan van financiële problemen acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Eisers financiële problemen bestonden al ten tijde van het opleggen van een maatregel en niet duidelijk is -zoals eiser suggereert- dat eiser door de opgelegde maatregel vanwege een huurschuld zijn woning heeft moeten opgeven. Verder blijkt uit de overgelegde brief van de psychiater niet dat eisers psychische problemen voortkomen uit zijn financiële problemen.

Gelet op het vorenoverwogene is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op f 1420,- als kosten van verleende rechtsbijstand en op f 14,- als reiskosten.

De rechtbank beslist als volgt.

3. BESLISSING

De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat het Lisv het door eiser betaalde griffierecht ad f 55,- aan hem vergoedt,

veroordeelt verweerder in de kosten van eiser in dit geding ten bedrage van f 1434,- te betalen door het Lisv aan de griffier van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr J. Ebbens als voorzitter en mrs M.C.M. van Laar en P.K. Nihot als leden, en in het openbaar uitgesproken op 21 december 1999.

De griffier: Het lid van de

meervoudige kamer :

mr S. Meurs mr J. Ebbens

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002,

3500 DA Utrecht.