Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:1999:AA4805

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-12-1999
Datum publicatie
16-01-2002
Zaaknummer
98/903 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel 38
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Reg. nr.: 98/903 AW

UITSPRAAK van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen:

A, wonende te B,

e i s e r e s,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

v e r w e e r d e r.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE.

Bij besluit van 6 april 1998 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit van 8 januari 1998 ongegrond verklaard. Bij dit primaire besluit heeft verweerder eiseres kennis gegeven van zijn beslissing dat eiseres gedurende de periode van 1 februari 1998 tot 1 maart 1998 aanspraak kan maken op loonsuppletie ingevolge artikel 38 van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO).

Eiseres heeft tegen eerstgenoemd besluit op 1 mei 1998 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Nadien heeft eiseres nadere stukken in het geding gebracht. Bij brief, ter griffie van de rechtbank ingekomen op 27 juli 1998, heeft eiseres overgelegd een brief van verweerder van 18 juni 1998, inhoudend het primaire besluit tot weigering om, naar aanleiding van het verzoek om loonsuppletie van 22 mei 1998, per 1 maart 1998 loonsuppletie toe te kennen. Eiseres heeft de rechtbank verzocht dit besluit mee te nemen in de onderhavige procedure.

Verweerder heeft bij brief van 11 juni 1998 de op het geding betrekking hebbende stukken en een verweerschrift overgelegd. Nadien heeft verweerder nadere stukken overgelegd.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 oktober 1999. Eiseres is in persoon verschenen. Verweerder is verschenen bij mr C. van den Berg, juridisch medewerker van USZO te Groningen.

2. OVERWEGINGEN.

In dit geding heeft de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder terecht en op goede gronden het bezwaar van eiseres tegen verweerders besluit haar loonsuppletie toe te kennen gedurende de periode 1 februari 1998 tot (niet later dan) 1 maart 1998, ongegrond heeft verklaard. Daarbij gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden, zoals die blijken uit de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting.

Bij besluit van 23 oktober 1995 heeft verweerder eiseres terzake van haar ontslag per 30 augustus 1995 voor de periode van 30 augustus 1995 tot 1 maart 1998 een uitkering toegekend ingevolge het BWOO. Deze uitkering is vanaf 14 augustus 1996 beëindigd wegens ziekte van eiseres. Eiseres heeft aansluitend ziekte-uitkering ontvangen. In verband met het einde van deze ziekte-uitkering op 6 februari 1997 is met ingang van die datum de omvang van de BWOO-uitkering vastgesteld op 32,49 uur en in verband met door eiseres gewerkte uren per 10 februari 1997 op 20,49 uur.

Bij brief van 30 december 1997 heeft eiseres verweerder medegedeeld dat zij met ingang van 1 februari 1998 een aanstelling voor een jaar met uitzicht op een vast dienstverband heeft bij de X Stichting te Y, tegen een lager inkomen dan de betrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan. Om die reden heeft zij verzocht om loonsuppletie.

Bij besluit van 8 januari 1998 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat zij van

1 februari 1998 tot 1 maart 1998 aanspraak kan maken op loonsuppletie, met dien verstande dat de loonsuppletie terstond wordt beëindigd indien zij opnieuw werkloos wordt dan wel niet meer voldoet aan de gestelde voorwaarden.

In haar bezwaarschrift tegen dit primaire besluit heeft eiseres aangevoerd dat de einddatum van de loonsuppletie moet zijn 25 juni 1998. In verband met ziekte van

14 augustus 1996 tot 6 februari 1997 is de einddatum van de BWOO-uitkering, en volgens eiseres dus ook van de loonsuppletie, verschoven van 1 maart 1998 naar

25 juni 1998.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat uit artikel 38 BWOO volgt dat loonsuppletie slechts kan worden toegekend voor de vastgestelde uitkeringsduur, te weten tot 1 maart 1998. De loonsuppletie kan niet worden toegekend voor de duur van de verlengde BWOO-uitkering, die in het geval van eiseres loopt tot 1 maart 1999. Nu de ziekte van eiseres niet heeft geleid tot wijziging van de data 1 maart 1998 en 1 maart 1999, kan de loonsuppletie volgens verweerder slechts worden toegekend tot 1 maart 1998.

In beroep heeft eiseres - samengevat - aangevoerd dat de einddatum van de loonsuppletie - 1 maart 1998 - wegens de langdurige ziekte van eiseres zou moeten worden opgeschort tot omstreeks 1 juni 1998. Eiseres heeft geen bezwaar gemaakt tegen de beschikking van 15 april 1997, waarin als einddatum van de BWOO-uitkering 1 maart 1998 werd genoemd, omdat zij redelijkerwijs niet kon inzien welke gevolgen de vermelding van deze einddatum had. Eiseres stelt dat een medewerkster van de administratie van verweerder haar desgevraagd had medegedeeld dat de einddatum van de werkloosheidsuitkering in verband met ziekte was opgeschort met vijf maanden, dus tot ongeveer 1 augustus 1998.

Ter zitting heeft eiseres onder meer verklaard dat haar BWOO-uitkering bij hernieuwde werkloosheid is herleefd, met als einddatum 25 juli 1998.

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting onder meer uiteengezet dat met het woord (uitkerings)duur in artikel 38 BWOO wordt bedoeld de op de eerste werkloosheidsdag vastgestelde uitkeringsduur. Opschorting van de uitkeringsduur kan volgens verweerder met betrekking tot de loonsuppletie niet plaatsvinden. Verweerders gemachtigde heeft desgevraagd erkend dat 1 maart 1998 niet de juiste einddatum is van de BWOO-uitkering, nu die einddatum met toepassing van artikel 25 BWOO na de eindiging wegens ziekte, voorzover die langer heeft geduurd dan drie maanden, opschuift. De einddatum 1 maart 1998 is derhalve van rechtswege niet te handhaven, aldus de gemachtigde.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 24 BWOO bepaalt de duur van de loongerelateerde uitkering, te rekenen vanaf de eerste dag waarop het recht op uitkering is ontstaan. De uitkeringsduur is, afhankelijk van het arbeidsverleden, ten minste zes maanden en ten hoogste vijf jaar.

Ingevolge artikel 25, eerste lid BWOO, voor zover hier van belang, eindigt het recht op uitkering na gehele beëindiging van dat recht zoveel later dan de in artikel 24, eerste en tweede lid BWOO genoemde periode als de periode tussen de eindiging en herleving van het recht op uitkering heeft geduurd. Het tweede lid bepaalt dat voor de vaststelling van de periode tussen de eindiging en de herleving van het recht op uitkering telkens nadat het recht op uitkering geheel is geëindigd wegens ziekte de eerste drie maanden waarin de betrokkene een uitkering wegen ziekte ontvangt buiten beschouwing worden gelaten.

Artikel 38, eerste lid BWOO, voor zover hier van belang, bepaalt dat de betrokkene wiens recht op uitkering geheel of gedeeltelijk wordt beëindigd of verminderd wegens het aanvaarden van een betrekking, gedurende de voor hem op de eerste werkloosheidsdag overeenkomstig artikel 24, eerste en tweede lid vastgestelde uitkeringsduur loonsuppletie ontvangt zolang de uitkeringsduur nog niet is verstreken.

De rechtbank stelt voorop dat, nu verweerders gemachtigde ter zitting heeft aangegeven dat de einddatum van de BWOO-uitkering 1 maart 1998 van rechtswege niet in stand kan blijven, aangenomen mag worden dat verweerder eiseres alsnog in kennis zal stellen van de juiste einddatum van de BWOO-uitkering. Voor het thans bestreden besluit heeft het gewijzigde standpunt van verweerder met betrekking tot

de - verschoven - einddatum van de BWOO-uitkering geen gevolgen.

In de visie van verweerder is immers de op de eerste werkloosheidsdag vastgestelde einddatum van de uitkeringsduur van belang welke volgens het toekenningsbesluit

1 maart 1998 was.

Met betrekking tot de vraag of verweerder de einddatum van de loonsuppletie op de juiste wijze heeft vastgesteld overweegt de rechtbank het volgende.

In artikel 38 is de loonsuppletie gekoppeld aan de ingevolge artikel 24 vastgestelde uitkeringsduur. Deze uitkeringsduur wordt uitgedrukt in tijdseenheden, te rekenen vanaf de eerste werkloosheidsdag. In het geval van eiseres is dat twee en een half jaar. De duur van de BWOO-uitkering waarop een betrokkene aanspraak heeft, is, eenmaal vastgesteld, een gegeven en is alleen aan wijziging onderhevig in gevallen die in het BWOO zijn vastgelegd. Het einde van de uitkeringsduur kan bij de vaststelling van de eerste werkloosheidsdag en de toekenning van de uitkering wel worden aangegeven, maar dit kan niet meer dan een indicatie voor de werkelijke einddatum van de uitkering zijn, nu de einddatum van factoren afhankelijk is die ten tijde van de toekenning allerminst vaststaan, zoals al dan niet tijdelijke werkhervatting of ziekte. Nu de loonsuppletie expliciet is gekoppeld aan de uitkeringsduur, zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 24 BWOO, valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat "uitkeringsduur" in artikel 38 BWOO niet zou moeten worden opgevat in de zin van uitkeringsduur in artikel 24. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de duur van het recht op loonsuppletie de ingevolge artikel 24 vastgestelde uitkeringsduur volgt. Verweerder heeft noch in de Nota van Toelichting bij het BWOO noch in de jurisprudentie enig aanknopingspunt kunnen aanwijzen ter onderbouwing van de juistheid van zijn standpunt dat de einddatum van het recht op loonsuppletie bij de toekenning van de uitkering definitief komt vast te staan en dat opschorting van de loonsuppletie is uitgesloten.

Nu vaststaat dat de uitkeringsduur van de aan eiseres toegekende BWOO-uitkering op 1 maart 1998 nog niet was verstreken en niet in geschil is dat zij op die datum voldeed aan de overige voorwaarden voor toekenning van loonsuppletie, heeft verweerder ten onrechte bij het primaire besluit de einddatum van de toegekende loonsuppletie bepaald op 1 maart 1998. Het bestreden besluit, waarbij het bezwaar van eiseres tegen de in het primaire besluit opgenomen einddatum van de loonsuppletie ongegrond is verklaard, komt dan ook wegens strijd met artikel 38, eerste lid BWOO voor vernietiging in aanmerking.

Ten aanzien van het verzoek van eiseres om het besluit van verweerder van 18 juni 1998 mee te nemen in onderhavige beroepsprocedure, overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 6:18, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt, dat het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering brengt in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.

Artikel 6:19, eerste lid van de Awb bepaalt, dat indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoetkomt.

De rechtbank stelt vast dat het besluit van 18 juni 1998 geen intrekking of wijziging van het bestreden besluit inhoudt. Derhalve kan het beroep van eiseres niet mede gericht worden geacht tegen het besluit van 18 juni 1998. Nu eiseres tegen dat besluit bezwaar heeft ingesteld en verweerder zijn besluitvorming heeft aangehouden in afwachting van de uitspraak van de rechtbank in de onderhavige zaak, dient verweerder thans op dat bezwaar alsnog een besluit te nemen.

Gelet op het vorenoverwogene is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op

f 9,-- als reiskosten van eiseres naar de zitting. Van andere te vergoeden kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door eiseres betaalde griffierecht ad

f 55,-- aan haar vergoedt,

veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in dit geding ten bedrage van

f 9,--, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Aldus vastgesteld door mr M.C.M. van Laar, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 21 december 1999.

De griffier: Het lid van de

enkelvoudige kamer:

E. van Kerkhoven. M.C.M. van Laar.

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.