Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3974

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-03-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
95/3998 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Reg. nr.: 95/3998 AOW

UITSPRAAK van de arrondissementsrechtbank te Utrecht,

meervoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken,

in het geding tussen:

A. te B

e i s e r e s,

en

het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, gevestigd te Amstelveen,

v e r w e e r d e r.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE.

Bij besluit van 18 oktober 1995 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen verweerders primaire besluit van 16 juni 1995 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd waarbij op het aan eiseres toegekende ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) een korting van 60% is toegepast wegens 30 niet verzekerde jaren in de periode van 1 januari 1957 tot [. . .] januari 1987.

Namens eiseres heeft mr G.G.A.J. Adang, advocaat te Utrecht, tegen eerstgenoemd besluit bij brief van 28 november 1995 beroep ingesteld bij deze rechtbank en nadien de gronden van het beroep ingediend.

Bij schrijven van 30 mei 1996 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van deze rechtbank van 24 maart 1997, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Adang voornoemd als haar raadsman, en verweerder is verschenen bij gemachtigde J.A. Schimmel.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest en heeft de rechtbank onder toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek heropend.

Vervolgens is het geding behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 23 september 1997, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Adang voornoemd, en verweerder niet is verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek opnieuw heropend en een nadere vraag aan verweerder gesteld. Deze vraag heeft verweerder bij brief van 23 april 1998 beantwoord.

Nadat partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat verder onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2. OVERWEGINGEN.

In dit geding staat de rechtbank voor de beantwoording van de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden zijn besluit heeft gehandhaafd om op het per 1 mei 1995 aan eiseres toegekende ouderdomspensioen ingevolge de AOW een korting van 60% toe te passen wegens 30 niet verzekerde jaren in de periode 1 januari 1957 tot [. . .] januari 1987.

Ter beantwoording van deze vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Eiseres, geboren op [. . .] 1930 te Polen, woont sinds [. . . ] januari 1987 in Nederland. Zij is op [. . .] januari 1987 gehuwd met B, geboren op [. . .] 1923. Sinds [. . .] maart 1993 heeft eiseres de Nederlandse nationaliteit.

Bij formulier, gedateerd 10 april 1995, heeft zij bij verweerder een ouderdoms-pensioen ingevolge de AOW aangevraagd. Op dit formulier heeft zij de vraag of zij na haar 15e verjaardag buiten Nederland heeft gewerkt ontkennend beantwoord. Nadien heeft eiseres aangevoerd dat eiseres tot 1987 in de jaren 1960 t/m 1979 en in 1983 in Polen werkzaam is geweest en dat aan haar in 1993 in Polen een pensioen is toegekend, dat door haar dochter wordt geïnd. Volgens mededelingen van haar gemachtigde ter zitting van 23 september 1997 heeft zij alleen recht op het Poolse pensioen als zij in Polen woont. Eiseres verricht voorts sinds 1992 werkzaamheden bij de bloemenveiling te Aalsmeer.

Bij het primaire besluit van 16 juni 1995 heeft verweerder eiseres met ingang van 1 mei 1995 een ouderdomspensioen ingevolge de AOW toegekend, berekend naar 40% van het bedrag voor een gehuwde met een partner ouder dan 65 jaar. Tegen dat besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid op het bezwaar te worden gehoord. Daarop heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen.

Verweerder heeft daarin onder meer overwogen dat eiseres in eerdergenoemde periode van 30 jaar niet verzekerd is geweest en dat het namens haar gedane beroep op de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden, de Franse Republiek en de Volksrepubliek Polen met betrekking tot de positie op het gebied der sociale zekerheid van werknemers of met hen gelijkgestelden die in Nederland, Frankrijk en Polen werkzaam zijn geweest, van 28 april 1966, Trb. 1966, nr. 163, (hierna: de Overeenkomst) juncto Verdrag no. 48 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende het instellen van een internationaal stelsel van behoud van aanspraken en verkregen rechten, voortvloeiende uit de ouderdoms- en invaliditeits- en de weduwen- en weezenverzekering, van 22 juni 1935, Stb. 1939, 17, (hierna: IAO-Verdrag no. 48) geen doel treft.

Verweerder wijst er in dit verband op dat Polen IAO-Verdrag no. 48 op 10 augustus 1973 heeft opgezegd en dat dit Verdrag dientengevolge op 10 augustus 1974 voor Polen buiten werking is getreden. Als gevolg daarvan is de Overeenkomst ingevolge artikel 13, lid 2 van de Overeenkomst per laatstgenoemde datum opgehouden van kracht te zijn, aldus verweerder.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij gedurende de bedoelde periode van 30 jaar in Polen van staatswege voor een ouderdomspensioen verzekerd is geweest. Zij stelt dat de tijdvakken gedurende welke zij in Polen verzekerd is geweest, op grond van artikel 3, lid 1 van de Overeenkomst moeten worden opgeteld bij het tijdvak gedurende hetwelk zij in Nederland ingevolge de AOW verzekerd is geweest. Eiseres is van mening dat IAO-Verdrag no. 48 niet is opgehouden van kracht te zijn, ook al geldt de Overeenkomst niet meer.

Subsidiair stelt eiseres dat in ieder geval de tijdvakken waarop zij in Polen verzekerd is geweest tot de datum van opzegging door Polen van IAO-Verdrag no. 48 dienen te worden meegerekend.

Meer subsidiair doet eiseres een beroep op artikel II, lid 1 van het Verdrag van Handel en Scheepvaart tusschen Nederland en Polen, van 30 mei 1924, Stb. 1925, 198, waarbij eiseres tevens verwijst naar de preambule van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek Polen inzake de handelsscheepvaart van 21 mei 1971, Trb. 1971, nr. 112, waarin wordt verwezen naar het hiervoor genoemde Verdrag van Handel en Scheepvaart tussen Nederland en Polen. Eiseres wijst voorts op diverse andere landen waarvan de onderdanen recht hebben op AOW-pensioen over de tijdvakken dat deze onderdanen in hun land van oorsprong verbleven.

Verweerder stelt in het verweerschrift dat eiseres zich niet met succes kan beroepen op de door haar aangehaalde verdragen. Verweerder wijst op de opzegging door Polen van IAO-Verdrag no. 48 waardoor de Overeenkomst zijn werking heeft verloren. Eiseres kan volgens verweerder voorts geen rechten aan de Overeenkomst ontlenen met betrekking tot de periode tot 10 augustus 1974, gelet op de strekking van de artikelen 3 en 4 van de Overeenkomst die slechts zien op de zogenaamde wachttijd. Voorts acht verweerder het niet aannemelijk dat artikel II van het Verdrag van Handel en Scheepvaart ertoe strekt elk onderscheid naar nationaliteit tussen Nederlandse onderdanen en Poolse onderdanen die zich op Nederlands grondgebied bevinden, weg te nemen. Daarnaast blijkt volgens verweerder uit de preambule van dit verdrag dat dit beoogt de handelsbetrekkingen tussen beide landen te bevorderen. Aangezien het verdrag uit 1924 dateert, kan het niet de bedoeling van partijen zijn geweest het meestbegunstigingsbeginsel van artikel II uit te breiden tot de sociale zekerheid, aldus verweerder.

In zijn brief van 23 april 1998 stelt verweerder zich op het standpunt dat geen van de in IAO-Verdrag no. 48 vervatte bepalingen eiseres aanspraak kan geven op verhoging van het AOW-pensioen met inachtneming van in Polen vervulde tijd-vakken. Verweerder wijst erop dat artikel 2 van dit Verdrag slechts betrekking heeft op het samentellen van tijdvakken voor de opening van het recht teneinde te voldoen aan wachtperioden in de nationale wetgeving. Dit blijkt volgens verweerder uit artikel 3 van dit Verdrag waarin staat dat, indien er met inachtneming van samengetelde tijdvakken recht bestaat op een uitkering, de hoogte van de uitkering berekend wordt op basis van de nationale regelgeving.

De rechtbank overweegt het volgende.

In artikel 6, lid 1 van de AOW is bepaald dat als verzekerde ingevolge deze wet wordt aangemerkt de persoon die nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en

a. ingezetene is,

b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

Ingevolge het tweede lid van artikel 6 van de AOW kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring van verzekerden. Dit is geschied in het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 van 3 mei 1989, Stb. 1989, 164, zoals nadien gewijzigd (hierna: het Besluit).

De rechtbank overweegt dat eiseres in de periode van 1 januari 1957 tot [. . . ] januari 1987 geen ingezetene van Nederland was. Evenmin was zij in deze periode terzake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting onderworpen. Voorts is gesteld noch gebleken dat zij in die periode aan een van de voorwaarden voor verzekering ingevolge de volksverzekeringen zoals genoemd in het Besluit voldeed. Uit het vorenstaande vloeit voort dat eiseres in de periode van 1 januari 1957 tot [. . .] januari 1987 niet verzekerd was ingevolge artikel 6 van de AOW noch op grond van enige bepaling van het Besluit.

Met betrekking tot de vraag of eiseres met vrucht een beroep kan doen op de bepalingen van de Overeenkomst juncto IAO-Verdrag no. 48 overweegt de rechtbank het volgende.

Blijkens de preambule van de Overeenkomst hebben de regeringen van Nederland, Frankrijk en Polen met het sluiten van de Overeenkomst destijds beoogd "voor hun onderdanen, die achtereenvolgens een dienstbetrekking hebben vervuld in Nederland, Frankrijk en Polen, de mogelijkheid te scheppen de rechten uit te oefenen, voortvloeiende uit de tijdvakken van verzekering vervuld krachtens de stelsels van sociale zekerheid in elk van deze landen", daarbij rekening houdende met een aantal met name genoemde akten.

De toelichtende nota bij de Overeenkomst (brief van de minister van Buitenlandse Zaken van 15 augustus 1966 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal (zitting 1965- 1966, 8702) vermeldt onder meer het volgende: "Gebleken is, dat een aantal Poolse onderdanen zowel in Nederland als in Frankrijk werkzaam is geweest, en dat de duur van de werkzaamheden in een van deze landen op zich genomen niet voldoende lang is geweest om door samenstelling van tijdvakken (...) tot opening van rechten ingevolge de Poolse sociale verzekeringswetgeving te geraken. (...) Het is derhalve wenselijk ten behoeve van deze personen, die in de drie landen tijdvakken van verzekering hebben vervuld, de mogelijkheid te openen, dat met de totaliteit van deze tijdvakken wordt rekening gehouden. (...) Hoewel de overeenkomst is gesloten hoofdzakelijk met het oog op de toepassing van de Poolse wetgeving, is zij op het wederkerigheidsbeginsel gebaseerd. Zij is, zoals overigens reeds uit het intitulé blijkt, van toepassing op de onderdanen van de drie staten, die achtereenvolgens op het grondgebied van deze drie staten als loontrekkenden of daarmede gelijkgestelden werkzaam zijn geweest."

De rechtbank overweegt dat uit de tekst van de Overeenkomst alsmede uit de toelichtende nota onmiskenbaar blijkt dat de Overeenkomst alleen geldt voor werknemers (of daarmee gelijkgestelden) die achtereenvolgens in de drie betrokken landen werkzaam zijn geweest. Nu vaststaat dat eiseres in een van die drie landen, namelijk in Frankrijk, niet werkzaam is geweest, moet geconcludeerd worden dat zij reeds op die grond geen rechten kan ontlenen aan de Overeenkomst.

De rechtbank overweegt voorts dat IAO-Verdrag no. 48 door Polen is opgezegd en dientengevolge voor Polen op 10 augustus 1974 buiten werking is getreden. Eiseres kan derhalve aan dit Verdrag in elk geval ten aanzien van de periode sedert die datum geen rechten ontlenen.

Artikel 22, lid 1 van IAO-Verdrag no. 48 bepaalt dat de opzegging van het verdrag door een Lid geen invloed zal hebben op de verplichtingen van de verzekerings-instellingen van dat Lid, voorzover die verplichtingen voortvloeien uit rechten die reeds bestonden voordat de opzegging in werking trad.

Ingevolge lid 2 van artikel 22 gaan de aanspraken, gehandhaafd krachtens het onderhavige Verdrag, niet verloren door de opzegging. De verdere handhaving wordt voor het tijdvak na de datum waarop het Verdrag ophoudt van kracht te zijn, geregeld door de eigen wetgeving van de betrokken instelling.

Ingevolge artikel 93 van de Grondwet hebben verdragsbepalingen die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden, binnen de Nederlandse rechtsorde verbindende kracht. De artikelen 2 tot en met 5 van IAO-Verdrag no. 48 bevatten een regeling bij samenloop van sociale zekerheidsaanspraken die niet noodzakelijk een nadere uitwerking in nationale wetgeving behoeft en dan ook een ieder verbindend in de zin van artikel 93 van de Grondwet is.

Artikel 2 van IAO-Verdrag no. 48 geeft regels voor de samentelling van vervulde verzekeringstijdvakken. Lid 1 bepaalt dat ten aanzien van de personen die, welke hun nationaliteit ook zij, verzekerd zijn geweest bij verzekeringsinstellingen van twee of meer Leden, de tijdvakken gedurende welke zij verzekerd zijn geweest door elk der betrokken instellingen worden samengeteld op de wijze als in de volgende bepalingen aangegeven.

Ingevolge artikel 2, lid 2 worden voor het behoud van aanspraken samengeteld:

a. de tijdvakken waarover bijdrage is betaald;

b. de tijdvakken gedurende welke, zonder dat een bijdrage betaald behoeft te worden, de aanspraken krachtens de wetgeving, op de verzekerde gedurende die tijdvakken van toepassing, behouden blijven;

c. de tijdvakken gedurende welke een uitkering in geld wordt verstrekt krachtens de invaliditeits- en ouderdomsverzekering van een ander Lid;

d. de tijdvakken gedurende welke een uitkering in geld wordt verstrekt door een andere tak van de sociale verzekering van een ander Lid, voorzover een overeenkomstige uitkering, volgens de wetgeving van toepassing op de instelling die de samentelling verricht, de aanspraken zou handhaven.

Lid 3 bevat regels voor de samentelling van verzekeringstijdvakken onder meer om vast te stellen of aan de voorwaarden met betrekking tot de wachttijd of het vereiste aantal bijdragen is voldaan.

Artikel 3 van IAO-Verdrag no. 48 luidt als volgt:

"1. Elke verzekeringsinstelling, te wier opzichte de rechthebbende aan de voorwaarden voor toekenning voldoet, berekent, daarbij rekening houdende met het totaal van de tijdvakken van verzekering, het bedrag van de uitkeering volgens de wetgeving, die op haar van toepassing is.

2. De uitkeeringen of de bestanddeelen der uitkeeringen, welke afhankelijk zijn van den duur der verzekering en vastgesteld worden uitsluitend in verhouding tot de tijdvakken vervuld onder de wet van toepassing op de instelling, die tot uitkeering gehouden is, ondergaan geen vermindering."

De rechtbank overweegt dat het bij de AOW niet gaat om aanspraken, verkregen in de bewuste tijdvakken in het verleden, maar om korting over niet verzekerde tijdvakken op de aanspraak bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. De hierboven aangehaalde bepalingen van IAO-Verdrag no. 48 schrijven niet voor dat elders vervulde verzekeringstijdvakken moeten worden gelijkgesteld met verzekerde tijdvakken in Nederland. Voor een vergelijking met op het Gemeenschapsrecht gebaseerde fictieve verzekeringstijdvakken ziet de rechtbank, gelet op het specifieke karakter van het Gemeenschapsrecht met als een van de grondbeginselen het bevorderen van het vrij verkeer van werknemers en zelfstandigen, geen aanleiding, nu dit grondbeginsel niet ten grondslag ligt aan IAO- Verdrag no. 48.

Voorts zijn de bepalingen inzake de samentelling van tijdvakken ook onvoldoende toegesneden op de complexe vraagstelling of uit die samentelling ook een verzekeringsfictie voortvloeit.

IAO-Verdrag no. 48 heeft in het onderhavige geval geen betekenis voor het behoud van aanspraken door middel van een opening van recht als bedoeld in artikel 2, lid 3 van het Verdrag.

Voorts komt aan artikel 3 in het onderhavige geval niet meer betekenis toe dan dat slechts de Nederlandse tijdvakken in aanmerking dienen te worden genomen.

Nu verweerder het aan eiseres toegekende ouderdomspensioen heeft vastgesteld in overeenstemming met de bepalingen van de AOW en van een vermindering van dit pensioen geen sprake is, kan niet geoordeeld worden dat het ouderdomspensioen van eiseres naar een te laag bedrag is vastgesteld. Niet is gebleken van een overeenkomst als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tussen Nederland en Polen welke betrekking zou hebben op de aanspraken van eiseres.

Het beroep van eiseres op IAO-Verdrag no. 48 kan derhalve niet leiden tot een hoger bedrag aan AOW-pensioen.

Met betrekking tot het beroep van eiseres op de tussen Nederland en Polen gesloten Overeenkomst inzake handelsscheepvaart, ter uitwerking van het op 5 juni 1925 in werking getreden Verdrag tussen beide landen, overweegt de rechtbank tot slot dat bedoeld verdrag in artikel IX, neergelegd in een protocol van 30 mei 1924, bepaalt:

"De verdragsluitende Partijen verbinden zich de Poolsche onderdanen, welke als werklieden in Nederland arbeiden, resp. de Nederlandsche onderdanen, welke als werklieden in Polen arbeiden, wederzijds voor wat betreft de uitoefening van hun vak en de sociale verzekering, te behandelen op den voet van volstrekte gelijkheid met de nationale werklieden."

Gezien deze bewoordingen doelt dit artikel, en niet zozeer artikel II betreffende de meestbegunstigingsclausule, op de gelijke behandeling van werknemers ten aanzien van de sociale verzekering. Artikel IX wordt primair verstaan als een bepaling inzake de gelijke behandeling naar nationaliteit. De rechtbank laat thans in het midden of deze bepaling op eiseres van toepassing is, nu aan dit artikel naar het oordeel van de rechtbank hoe dan ook niet rechtstreeks aanspraken kunnen worden ontleend vanwege het ontbreken van nauwkeurige voorschriften voor de concrete tenuitvoerlegging van het daarin neergelegde beginsel van gelijke behandeling. Met name valt uit dit artikel niet af te leiden dat de verdragsluitende partijen samentelling van tijdvakken voor de berekening van het ouderdomspensioen in de door eiseres bepleite zin hebben beoogd. Het beroep van eiseres op dit verdrag kan dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet slagen.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank de in de eerste alinea van deze rubriek geformuleerde vraag bevestigend dient te beantwoorden en dat de door eiseres aangevoerde bezwaren niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Aangezien de rechtbank ook overigens geen aanleiding ziet te oordelen dat het bestreden besluit niet in stand kan worden gelaten, komt het beroep voor ongegrondverklaring in aanmerking. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen reden om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

recht doende,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr P.K. Nihot, voorzitter, en mrs I.J.B. Corbey en M.C.M. van Laar, leden van de meervoudige kamer,

en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 1999.

De griffier: De voorzitter van de meervoudige

kamer:

mr M. Schiphorst. P.K. Nihot.

Afschrift verzonden op: 30 maart 1999

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.