Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3491

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-04-1999
Datum publicatie
07-07-2003
Zaaknummer
AWB 99/479 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2000, 593
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

sector bestuursrecht

nr. AWB 99/479 VV

Uitspraak van de president van de rechtbank te Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

1. Carpet-Land b.v.

2. Fontainebleau Vastgoed b.v., gevestigd te Amsterdam,verzoeksters,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij besluit van 4 maart 1999, verzonden 8 maart 1999, heeft verweerder verzoekster gelast niet tot vestiging (ingebruikname) van een kantoor in het bedrijfsperceel St. Laurensdreef 49 te Utrecht over te gaan, aan welke last een dwangsom is verbonden ter hoogte van f. 100.000,--. Verweerder heeft daarbij bepaald dat de last met onmiddellijke ingang in werking treedt.

1.2 Bij brief van 17 maart 1999 is namens verzoeksters bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het besluit.

1.3 Bij brief van dezelfde datum is namens verzoeksters een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de president van deze rechtbank.

1.4 Het verzoek is op 29 maart 1999 ter zitting behandeld, waar voor verzoeksters is verschenen mr J.E.M. Polak, advocaat te Amsterdam.

Voorts zijn verschenen mr J.J. Krimpenfort, bedrijfsjurist, en J.H.P. Snater, directeur van verzoekster sub 1.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr H.P. de Keijzer, ambtenaar van de gemeente Utrecht.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voorzover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt bij verweerder tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

2.4 Voor het terrein, gelegen aan de Franciscusdreef hoek St. Laurensdreef, is op 15 december 1972 een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfsruimte. Voorts is bij besluit van 20 augustus 1975 een bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk veranderen van het betreffende gebouw, te weten het indelen van het gebouw door middel van scheidingswanden ten behoeve van kantoorruimte. Bij besluit van 25 april 1975 was reeds door verweerder ontheffing verleend van het op dit perceel rustende verbod tot het uitoefenen van detailhandel en ontheffing van de in artikel 352 van de Bouwverordening vervatte verbodsbepaling voor een gebruik van het gebouw anders dan het bestemmingsplan aangeeft. In het in geding zijnde pand is op de benedenverdieping - Franciscusdreef 60-62 – momenteel een detailhandelsvestiging van verzoekster sub 1 gevestigd.

2.5 Bij brief van 17 februari 1999 is namens verzoekster sub 1 aan verweerder medegedeeld dat zij op een termijn van twee weken na genoemde datum de eerste verdieping van het in geding zijnde bedrijfspand - St. Laurensdreef 49 - zal gaan betrekken en er haar hoofdkantoor gaat vestigen. Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

2.6 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de vestiging van een (zelfstandig) kantoor in het bedrijfsperceel St. Laurensdreef 49 in strijd is met de voorschriften van het bestemmingsplan Overvecht. Verweerder stelt voorts dat er grote behoefte bestaat aan extra accommodatie op de Utrechtse bedrijventerreinen, zodat het gemeentelijk beleid erop gericht is de vestiging van kantoren op bedrijventerreinen tegen te gaan. Ten slotte stelt verweerder dat het uitgesloten moet worden geacht dat voor de vestiging van het hoofdkantoor in het betreffende bedrijfsperceel met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling wordt verleend.

2.7 Namens verzoeksters is - kort samengevat - aangevoerd dat een bouwvergunning is verleend voor de bouw van kantoorruimte op de eerste verdieping van het in geding zijnde pand in weerwil van de bepalingen van het destijds geldende bestemmingsplan en dat uit de geldende jurisprudentie volgt dat in een dergelijke situatie deze bouwvergunning een impliciete vrijstelling van het gebruiksverbod inhoudt, die prevaleert boven de geldende gebruiksvoorschriften.

Voorts is aangevoerd dat het gebruik van de verdieping als kantoorruimte niet is gestaakt, omdat het sinds augustus 1994 als kantoorruimte te huur is aangeboden en de inrichting van de verdieping ononderbroken geschikt is gebleven voor gebruik als kantoorruimte. Verzoeksters stellen zich op het standpunt dat de kantoorbestemming, die voortvloeit uit de verleende bouwvergunning, niet ongedaan gemaakt is bij de vaststelling van het geldende bestemmingsplan, omdat dit plan tot doel had bestaande rechten te eerbiedigen. Verweerder had volgens verzoeksters niet de intentie het gebruik als kantoorruimte te beëindigen, onder meer blijkende uit het feit dat de gemeente Utrecht het pand in de periode 1992-1994 zelf als kantoorruimte in gebruik heeft gehad.

Uit de jurisprudentie blijkt volgens verzoeksters dat het bestaand gebruik, indien niet aannemelijk is dat dit gedurende de planperiode zal worden beëindigd, in beginsel als zodanig dient te worden bestemd. Verzoeksters kan – zo stellen zij – niet worden tegengeworpen dat zij gedurende de bestemmingsplanprocedure geen bezwaar hebben gemaakt, omdat zij het pand op dat moment nog niet in gebruik hadden. Zij menen dat verweerder geen beroep kan doen op de bestemming industrie, omdat de bepaling in het bestemmingsplan onverbindend moet worden geacht jegens verzoeksters.

Verzoeksters stellen voorts dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:4 en 3:46 van de Awb, omdat verweerder stelt er geen bezwaar tegen te hebben als de eerste verdieping als onzelfstandige kantoorruimte wordt gebruikt. Verzoeksters menen verder dat er een verband is met de detailhandelsvestiging van Carpet-Land op de begane grond.

Ten slotte stellen verzoeksters dat verweerder een vrijstellingsmogelijkheid heeft op grond van artikel 9, derde lid, onder a en artikel 62, tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan.

2.8 Ter plaatse geldt het - op 18 december 1987 in werking getreden – bestemmingsplan Overvecht, waarin het betreffende perceel de bestemming "industrie" heeft.

Artikel 9, eerste lid, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan bepaalt dat de op de kaart voor “industrie” aangewezen gronden bestemd zijn voor de vestiging van industriële, ambachtelijke, groothandels- en vervoersbedrijven (..?) de daarvoor nodige bouwwerken, waaronder dienstwoningen en open terreinen, waaronder parkeerplaatsen.

Het derde lid van artikel 9, aanhef en onder a, bepaalt dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het eerste lid ten behoeve van detailhandelsbedrijven, die door de benodigde terrein- of vloeroppervlakte, dan wel door de aard of omvang van de te verhandelen goederen bezwaarlijk in een woongebied of winkelcentrum kunnen worden ondergebracht, echter met uitzondering van bedrijven als warenhuizen, cash- en carrybedrijven, discount-houses en consumentenmarkten.

Ingevolge artikel 62, eerste lid, is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken, op een wijze of tot een doel strijdig met de bij dit plan ter plaatse aangegeven bestemming, onverminderd het bepaalde in artikel 64, leden 4, 5, 6 en 7.

Het tweede lid bepaalt dat burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen, indien strikte toepassing van het bepaalde in het eerste lid leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen gerechtvaardigd wordt.

2.9 Niet in geschil en voldoende aannemelijk is dat de eerste verdieping met het adres St. Laurensdreef 49 in de periode 1975 tot en met 1990 is verhuurd als kantoorruimte aan beheersstichting "De Gagel". Als vaststaand kan worden aangenomen dat verzoekster sub 2 in 1990 eigenares van het gehele pand is geworden. Voorts is niet in geschil en voldoende aannemelijk dat de betreffende kantoorruimte in de periode 1992 tot en met 31 juli 1994 verhuurd is ten behoeve van kantoorruimte van de openbare bibliotheek te Utrecht.

2.10 Ter zitting heeft verweerders gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat er expliciet noch impliciet door het verlenen van de bouwvergunning op 20 augustus 1975 voor het gebruik van de eerste verdieping als kantoorruimte vrijstelling is verleend ingevolge artikel 352 van de Bouwverordening. Verweerder stelt dat de gemeente ten tijde van het verlenen van de bouwvergunning van mening was dat de betreffende kantoorruimte binnen de bedrijfsbestemming van het gehele gebouw viel, waardoor de vestiging van zogenaamde onzelfstandige kantoorruimte kon worden toegestaan. Verweerder stelt dat het kantoorgedeelte ten tijde van de totstandkoming van het nieuwe bestemmingsplan weliswaar als kantoor in gebruik was, maar dat het nieuwe gebruik als zelfstandig kantoor niet onder het overgangsrecht valt, omdat het gebruik als zelfstandig kantoor sinds 31 juli 1994 niet meer plaatsvindt. Verweerder meent dat hiermee de uit de jurisprudentie af te leiden termijn van achttien maanden, gehanteerd bij de bepaling van het vervallen van de aanspraken op voortzetting van het gebruik volgens het overgangsrecht na een onderbreking daarvan, ruimschoots overschreden is. Verweerder voert aan dat in het geval van verzoeksters geen sprake is van onzelfstandige kantoorruimte, omdat er slechts een zeer beperkte directe relatie bestaat tussen de reeds aanwezige detailhandelsvestiging en de vestiging van het hoofdkantoor. Verweerder stelt ten slotte dat het gebruik van de begane grond ten behoeve van detailhandel - dat slechts op grond van het overgangsrecht is toegestaan - door de vestiging van het hoofdkantoor wellicht versterkt wordt.

2.11 Gebleken is dat op 20 augustus 1975 bouwvergunning is verleend voor de indeling van het in geding zijnde gebouw ten behoeve van kantoorruimte. De bouwvergunning is verleend aan Brumy b.v., die destijds het gehele pand in eigendom had. Ter zitting is een afschrift van een gedeelte van de in 1975 gesloten huurovereenkomst overgelegd. Partijen bij deze huurovereenkomst waren beheersstichting "De Gagel" en - door middel van een lasthebber - Brumy b.v. Uit de overeenkomst blijkt dat de eerste verdieping en een deel van de begane grond van het in geding zijnde pand sedert 1 februari 1975 zijn verhuurd als kantoorruimte aan beheersstichting "De Gagel". Uit de gedingstukken – onder meer het besluit van 25 april 1975 waarbij de vrijstelling op grond van artikel 352 van de Bouwverordening is verleend - wordt voorts afgeleid dat ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst de benedenverdieping was verhuurd aan Karwei Utrecht b.v. Gesteld noch gebleken is dat de gebruiker van de op de eerste verdieping gelegen kantoorruimte - "De Gagel" - op enigerlei wijze in relatie stond tot de op de begane grond gevestigde doe-het-zelfmarkt "Karwei", anders dan als medehuurder.

Op grond van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de bouwvergunning van 20 augustus 1975 is verleend met het oog op de bouw van een zelfstandige kantoorruimte op de eerste verdieping en een gedeelte van de begane grond van het gebouw Franciscusdreef hoek St. Laurensdreef.

2.12 Uit de jurisprudentie - bijvoorbeeld de namens verzoeksters reeds genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 april 1996, AB 1996, 321 - moet worden afgeleid dat een bouwvergunning, desbewust verleend in weerwil van de voorschriften van het bestemmingsplan met het oog op bedrijfsuitoefening, in zoverre mede dient te worden aangemerkt als een impliciete vrijstelling van het algemene gebruiksverbod neergelegd in de planvoorschriften.

2.13 Aangezien de op 20 augustus 1975 verleende bouwvergunning is verleend met het oog op het gebruik van de eerste verdieping van het pand als kantoorruimte, wordt geconcludeerd dat met de verlening van deze bouwvergunning tevens - impliciet - vrijstelling is verleend voor het gebruik van de eerste verdieping van het pand in afwijking van de ingevolge het toenmaals vigerende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in hoofdzaak Overvecht" geldende bestemming "showroom".

Daargelaten wat er zij van de - namens verzoeksters betwiste – verbindendheid van het voorschrift in het thans vigerende bestemmingsplan, inhoudende de bestemming "industrie" voor het in geding zijnde perceel, kan in elk geval bezwaarlijk worden aangenomen dat dit bestemmingsvoorschrift evenbedoelde aan de bouwvergunning van 1975 verbonden te achten (impliciete) vrijstelling haar werking zou hebben ontnomen. Noch de planbepalingen noch de toelichting daarop bieden enig aanknopingspunt voor de stelling dat zulks zou zijn beoogd.

Gelet op het verhandelde ter zitting moet worden aangenomen dat gebruik overeenkomstig de destijds verleende bouwvergunning nog steeds mogelijk is. Niet gebleken is dat de verleende bouwvergunning inmiddels is ingetrokken. Weliswaar staat de verdieping sedert het vertrek van de laatste huurder op 31 juli 1994 leeg, doch het pand is sindsdien te huur aangeboden als kantoorruimte en niet gebleken is voorts dat de indeling van de verdieping als kantoorruimte sedert 31 juli 1994 is gewijzigd. Het één en ander leidt ertoe dat ook ten tijde in geding meergenoemde vrijstelling van kracht was.

2.14 Bij de vorenstaande benadering is niet uit het oog verloren dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 3 maart 1999, nr. H01.99.004/P90 en K01.99.0022 (niet gepubliceerd) doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het gestaakt geweest zijn van een met het bestemmingsplan strijdig gebruik bij de beantwoording van de vraag of een weigering van een bouwvergunning voor de herbouw van een door brand verloren gegane drukkerij kan berusten op het in een overgangsbepaling van de planvoorschriften neergelegd verbod het met het bestemmingsplan strijdige gebruik te hervatten indien dat gebruik gedurende tenminste twee jaar is gestaakt. Uit de motivering van deze uitspraak blijkt niet dat daarmede beoogd is te breken met de lijn van de jurisprudentie van genoemde Afdeling als onder 2.12 aangeduid. Niet valt voorts uit te sluiten dat de casus van het desbetreffende geding te ver afwijkt van die in de onderhavige zaak om genoemde uitspraak te dezen richting gevend te achten. Zo gaat het in het onderhavige geval niet om (het weigeren van een) nieuwe bouwvergunning en is evenmin sprake van een in de overgangsbepalingen van het bestemmingsplan opgenomen uitdrukkelijk hervattingsverbod.

2.15 Gelet op het vorenoverwogene wordt geoordeeld dat verweerder niet bevoegd was tot de bestreden lastgeving onder oplegging van een dwangsom. Het bestreden besluit zal derhalve wegens strijd met artikel 5:32 in verbinding met artikel 5:21 van de Awb niet in stand gelaten kunnen worden. De overige bezwaren van verzoeksters hoeven gezien het voorgaande geen bespreking meer.

2.16 Alles overwegende en in aanmerking nemende dat het aan het bestreden besluit klevende gebrek niet in het kader van de heroverweging in de bezwarenprocedure kan worden hersteld, dient het bestreden besluit te worden geschorst.

2.17 Gelet op het vorenstaande is er aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die verzoeksters in verband met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op f. 1.420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand. Van overige kosten is niet gebleken.

2.18 Beslist wordt dan ook als volgt.

3. BESLISSING

De president:

3.1schorst het besluit van 4 maart 1999;

3.2 veroordeelt verweerder in de kosten van verzoeksters in het geding, ten bedrage van f. 1.420,--;

3.3 bepaalt dat het door verzoeksters betaalde griffierecht ad f. 450,- - wordt vergoed;

3.4 wijst de gemeente Utrecht aan als de rechtspersoon die de onder 3.2 en 3.3 vermelde kosten dient te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr C. Slothouber, fungerend president,

en in het openbaar uitgesproken op 12 april 1999.

De griffier: De president:

mr A.G.J.M. de Weert mr C. Slothouber

Afschrift verzonden aan partijen op: