Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:1995:ZF1958

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-05-1995
Datum publicatie
13-06-2002
Zaaknummer
94/1824 AAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 24 mei 1994 heeft de enkelvoudige kamer van deze rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van verweerder van 5 februari 1993 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voorzover verweerder daarbij de aanvraag van eiseres had afgewezen en verweerder opgedragen een nieuw besluit terzake te nemen. Bij die uitspraak is tevens beslist om het onderzoek ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek om vergoeding van schade van eiseres te heropenen als bedoeld in artikel 8:73, tweede lid van de Awb.

Vervolgens is de verdere behandeling van het verzoek van eiseres om toekenning van schadevergoeding verwezen naar de meervoudige kamer.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 1995/151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Reg. nr. 94/1824 AAW

UITSPRAAK

van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], e i s e r e s,

en

HET BESTUUR VAN DE NIEUWE ALGEMENE BEDRIJFSVERENIGING, gevestigd te Amsterdam, v e r w e e r d e r.

I. PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 24 mei 1994 heeft de enkelvoudige kamer van deze rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van verweerder van 5 februari 1993 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voorzover verweerder daarbij de aanvraag van eiseres had afgewezen en verweerder opgedragen een nieuw besluit terzake te nemen. Bij die uitspraak is tevens beslist om het onderzoek ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek om vergoeding van schade van eiseres te heropenen als bedoeld in artikel 8:73, tweede lid van de Awb.

Vervolgens is de verdere behandeling van het verzoek van eiseres om toekenning van schadevergoeding verwezen naar de meervoudige kamer.

Verweerder heeft tegen de voormelde uitspraak van 24 mei 1994 geen hoger beroep ingesteld, doch zich bij die uitspraak neergelegd.

Van de zijde van eiseres is verzocht om vergoeding van de immateriële schade veroorzaakt door het door verweerder genomen door deze rechtbank vernietigde besluit van 5 februari 1993. Met betrekking tot dit verzoek heeft de vader van eiseres, zijnde haar wettelijk vertegenwoordiger, bij brief van 15 april 1994 zijn standpunt uiteengezet.

Verweerder heeft zijn standpunt ter zake -desverzocht- op 2 december 1994 uiteengezet.

Het verzoek van eiseres is behandeld ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 14 februari 1995, alwaar eiseres is verschenen bij haar wettelijk vertegenwoordiger J. van der Stouwe voornoemd.

Verweerder heeft zich daar doen vertegenwoordigen door mr J.A.B.

Verver, juridisch medewerkster bij het distriktskantoor Utrecht van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor.

Aanwezig en gehoord is voorts J. Kooi, wonende te Wijk bij Duurstede en werkzaam als ambulant onderwijskundig begeleider op de school voor slechtzienden Bartimeus te Zeist, die door de wettelijk vertegenwoordiger van eiseres ter zitting is meegebracht als getuigedeskundige.

II. MOTIVERING

In dit geding staat ter beoordeling het verzoek van eiseres om verweerder te veroordelen tot vergoeding van in verband met het door verweerder genomen besluit van 5 februari 1993 geleden immateriële schade.

a. Grondslag voor schadevergoeding en de beoordelingscriteria

De vordering tot vergoeding van immateriële schade van eiseres is gebaseerd op artikel 8:73, eerste lid van de Awb, luidende als volgt:

"1. Indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, kan zij, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij de door haar aangewezen rechtspersoon veroordelen tot vergoeding van de schade die partij lijdt."

In de Awb worden de begrippen schade en gronden voor vergoeding niet nader bepaald.

Ten aanzien van een op artikel 8:73, eerste lid van de Awb gebaseerd verzoek om schadevergoeding zijn de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot onrechtmatige daad en schadevergoeding niet rechtstreeks van toepassing.

Uit de wetsgeschiedenis van de Awb blijkt dat met de regeling in de Awb geen wijziging is beoogd van het geldende materiële schadevergoedingsrecht. De criteria die de administratieve rechter zal hanteren bij de beantwoording van de vraag of er aanspraak op schadevergoeding bestaat, zijn dezelfde als de criteria die de civiele rechter hanteert bij de afdoening van geschillen terzake van de onrechtmatige overheidsdaad (zie M.v.T. blz. 149 en M.v.A. blz. 56).

De rechtbank zal dan ook bij de inhoudelijke beoordeling van het onderhavige op artikel 8:73 van de Awb gebaseerd verzoek aansluiting zoeken bij de desbetreffende bepalingen in het civiele recht en de ter zake gevormde jurisprudentie.Inachtneming van de bepalingen van het civiele recht acht de rechtbank temeer op zijn plaats, nu de wetgever terzake van de vergoeding van schade, die een betrokkene door een besluit van een overheidsorgaan heeft geleden, de betrokkene de keus laat deze te vorderen bij de bestuursrechter dan wel bij de civiele rechter. De rechtbank acht het niet wenselijk dat een dergelijke vordering afhankelijk van de rechtsingang tot een verschillende afweging en daarna mogelijk tot een verschillend resultaat zal leiden.

Voor de beoordeling van het onderhavige verzoek is van belang dat naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (bijv. HR 31 mei 1991, NJ 1993, 112) ingeval een overheidslichaam een beschikking neemt en handhaaft die naderhand door de bestuursrechter wordt vernietigd wegens strijd met een algemeen verbindend voorschrift of met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, moet worden aangenomen dat dat overheidslichaam een onrechtmatige daad heeft begaan jegens de door die beschikking getroffene.

Daarmee is in beginsel de schuld van het overheidslichaam gegeven, zelfs wanneer het overheidslichaam geen enkel verwijt treft.

Een bedrijfsvereniging is in dit verband gelijk te stellen met een overheidslichaam. (zie: HR 12-6-92, NJ 1993, 113) Hetzelfde geldt indien een overheidslichaam erkent dat zijn besluit onrechtmatig is en te kennen geeft het om die reden niet meer te willen handhaven.

Ter zake van de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad van het overheidslichaam, geregeld in de artikel 6:162 e.v. van het Burgerlijk Wetboek (BW), heeft de betrokkene jegens dat lichaam aanspraak op vergoeding van schade.

Het verzoek om vergoeding van schade van eiseres tegen de achtergrond van het voorgaande beoordelend moet de rechtbank allereerst vaststellen dat het besluit van verweerder van 5 februari 1993 -voor zover verweerder daarbij de in geding zijnde aanvraag van eiseres heeft afgewezen- door deze rechtbank is vernietigd wegens strijd met de AAW en dat verweerder verplicht is een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak.

In het licht van het vorenstaande moet worden vastgesteld dat verweerder met het besluit van 5 februari 1993 onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiseres.

b. Inhoudelijke beoordeling van het verzoek om vergoeding van immateriële schade.

In het onderhavige geval heeft eiseres in verband met het onrechtmatig handelen van verweerder als hiervoor aangegeven verzocht om vergoeding van schade, niet bestaande in vermogensschade, maar in ander nadeel, te weten immateriële schade.

Voor de beoordeling van dit verzoek acht de rechtbank het noodzakelijk hieronder -kort- de relevante feiten en omstandigheden aan te geven.Eiseres, geboren [...] 1980, heeft een zeer beperkt gezichtsvermogen. Aan het rechteroog is zij blind, terwijl de visus van haar linkeroog een correctie van min 14 behoeft.

Om te kunnen lezen dient zij de desbetreffende tekst zeer dicht bij dit oog te brengen.

Eiseres heeft het reguliere basisonderwijs gevolgd. Daarbij heeft ze gebruik gemaakt van een speciale tafel, welke diende ter voorkoming van nek- en rugklachten, die haar leeshouding anders teweeg had kunnen brengen. Om het reguliere voortgezette onderwijs te kunnen volgen diende eiseres naar het oordeel van de vereniging "Bartimeus" te Zeist te beschikken over in hoogte en helling verstelbare tafels.

In overleg met genoemde vereniging heeft eiseres vervolgens op 29 april 1992 aan verweerder gevraagd om haar bij wijze van voorziening 10 van dergelijke tafels, waarvan 1 tekentafel, te verstrekken voor het volgen van de lessen in de diverse lokalen van de christelijke scholengemeenschap "[school]" te [plaats], waar eiseres in augustus 1992 onderwijs wilde gaan volgen en ook is gaan volgen.

Vanaf augustus 1992 is door de ouders van eiseres door middel van het lenen/huren van tafels van naburige basisscholen voorzien in de behoefte van eiseres aan 10 tafels.

Bij het door deze rechtbank vernietigde besluit van 5 februari 1993 heeft verweerder eiseres 4 van de door haar gevraagde tafels verstrekt, waarvan 1 tekentafel. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat deze school uit 2 gebouwen bestaat, waarvan het een één verdieping en het andere twee verdiepingen telt.

Eiseres vordert thans van verweerder een bedrag van f 1000,-- tot f 1250,-- bij wege van vergoeding van immateriële schade.

Van de zijde van eiseres is ter ondersteuning van haar vordering -samengevat- onder meer aangevoerd:

-dat het telkens met behulp van medeleerlingen moeten verplaatsen van de tafels een stigmatiserend effect voor eiseres heeft;

-dat de ouders van eiseres grote extra inspanningen hebben moeten leveren om te voorzien in de benodigde tafels door het lenen en huren van nabijgelegen basisscholen;

-dat deze tafels door die scholen weer zouden kunnen worden teruggevorderd, welke onzekere factor een grote bron van spanning vormde;

-dat verweerder bewust volledig voorbij is gegaan aan de zorgvuldigheid, waarmee destijds is gekozen voor het reguliere basisonderwijs en dat door de houding van verweerder acht jaar regulier basis-onderwijs teniet zou worden gedaan en alsnog wegens het ontbreken van de noodzakelijke voorzieningen naar het speciale onderwijs zou moeten worden uitgeweken.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gevraagde vergoeding van schade niet toewijsbaar is.

Daartoe is van de zijde van de gemachtigde van verweerder ter terechtzitting van de rechtbank met name betoogd dat ingevolge het bepaalde in artikel 6:106 van het BW de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien -onder lid 1 sub a- de aansprakelijke persoon (het bestuursorgaan) het oogmerk had "ander nadeel" (smart) toe te brengen. Van een dergelijk oogmerk van de bedrijfsvereniging bij de beslissing van 5 februari 1993 kan -aldus verweerder- geen sprake zijn. Met het besluit van 5 februari 1993 -zo is namens verweerder verder ter terechtzitting betoogd- heeft hij slechts beoogd de AAW naar beste eer en geweten uit te voeren.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 6:106, eerste lid BW is bepaald in welke gevallen ander nadeel dan vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komt.

Ingevolge artikel 6:106, eerste lid BW heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;

b. indien de benadeelde letsel heeft opgelopen, in zijn eer en goede naam is geschaad of op ander wijze in zijn persoon is aangetast;

c.indien het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene en toegebracht is aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of een bloedverwant tot in de tweede graad van de overledene, mits de aantasting plaatsvond op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer en goede naam.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval niet gezegd kan worden dat verweerder bij het nemen van het besluit van 5 februari 1993 het oogmerk had nadeel als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder a BW toe te brengen, zodat dit artikelonderdeel in dit geval niet tot vergoeding als door eiseres beoogd kan leiden.

Vastgesteld wordt voorts dat onderdeel c van artikel 6:106 eerste lid BW in het onderhavige geval toepassing mist en derhalve evenmin tot vergoeding van immateriële schade kan leiden.

Beoordeeld dient alsdan nog te worden of eiseres recht op schadevergoeding heeft op grond van het bepaalde in onderdeel b van artikel 6:106, eerste lid BW en met name of eiseres als gevolg van het bestreden besluit van 5 februari 1993 op andere wijze (dan door letsel of schade in eer en goede naam) in haar persoon is aangetast.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van vorenbedoeld artikelonderdeel moet worden afgeleid dat de wetgever hier het oog heeft gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer als ook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene.Gelet op de gedingstukken en het ter terechtzitting verhandelde moet worden vastgesteld, dat de ouders van eiseres zich voor de overgang van eiseres van het regulier basis-onderwijs naar het regulier middelbaar onderwijs grote inspanningen hebben moeten getroosten met name om de voor eiseres benodigde tafels te lenen/huren van omliggende basisscholen, waaronder ook van de basisschool welke eiseres had doorlopen, en waar de door haar destijds gebruikte tafeltjes op dat moment niet werden benut.

Als gevolg van deze en haar eigen inspanningen heeft eiseres het reguliere vervolgonderwijs tot nu toe -met goede resultaten- kunnen volgen.

Gelet op de omstandigheid dat door de ouders van eiseres -met grote inspanningen- zelf is gezorgd voor de voor haar benodigde tafels teneinde het regulier vervolgonderwijs te kunnen volgen, kan niet worden gezegd dat eiseres op school is gestigmatiseerd als gevolg van het door verweerder -achteraf ten onrechte- niet verstrekken van het door eiseres gevraagde aantal tafels.

Voor zover (met name bij de aanvang van het schooljaar) tafels verplaatst moesten worden en eiseres daarbij werd geconfronteerd met onaangename reacties van medeleerlingen, althans voor hulp van medeleerlingen afhankelijk was, levert dat naar het oordeel van de rechtbank niet op een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid onder b BW.

De overige van de zijde van eiseres ter verkrijging van vergoeding van immateriële schade van verweerder aangevoerde feiten en omstandigheden zien met name op de door de ouders van eiseres en anderen geleverde extra-inspanningen teneinde eiseres toch regulier voortgezet onderwijs te kunnen laten volgen en zijn niet gelegen in een aantasting van de persoon van eiseres.

Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank, hoeveel waardering zij ook heeft voor de door eiseres en haar ouders in het onderhavige kader geleverde inspanningen, niet worden gezegd dat eiseres als gevolg van het besluit van verweerder van 5 februari 1993 in haar persoon is aangetast in de zin van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b BW.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de slotsom dat de vordering van eiseres tot vergoeding van immateriële schade moet worden afgewezen.

Beslist wordt daarom als volgt.

3. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

Recht doende,

Wijst het verzoek van eiseres tot vergoeding van immateriële schade af.

Aldus gewezen door mr P.B.M.J. van der Beek-Gillessen als voorzitter en mrs M. ter Brugge en G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr M. Schiphorst als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 1995.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.