Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BZ6850

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
10-04-2013
Zaaknummer
251963 - EX RK 12-169
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Korte samenvatting: Deelgeschil. Zaak leent zich niet voor deelgeschil omdat er buiten een verzoek om een aanvullend voorschot niet wordt verzocht om andere geschilpunten op te lossen. Een beslissing in deelgeschil kan dus niet kan bijdragen aan het totstandkomen van een vaststellingsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 251963 / EX RK 12-169

Beschikking deelgeschil letselschade van 12 december 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. A.W. Braam te Maren-Kessel, gemeente Oss,

tegen

de onderlinge waarborgmaatschappij

ONDERLINGE VERZEKERING MAATSCHAPPIJ ZLM U.A.,

gevestigd te Goes,

advocaat mr. J.C. van den Dries te Goes.

Verzoeker zal hierna [eiser] worden genoemd, verweerster zal ZLM worden genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift

- het verweerschrift

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 31 oktober 2012 met de daarbij overgelegde stukken.

2. De feiten

2.1. In de zomer van het jaar 2000 is [eiser] slachtoffer geworden van een verkeersongeval, veroorzaakt door een verzekerde van ZLM. [eiser] heeft hierbij letsel opgelopen. ZLM heeft als WAM-verzekeraar aansprakelijkheid erkend voor de schade die dit ongeval heeft veroorzaakt.

2.2. In totaal heeft ZLM aan [eiser] naast bedragen aan buitengerechtelijke kosten tot op heden een voorschot uitgekeerd van € 400.000,00.

3. Het verzoek

2.3. [eiser] verzoekt - samengevat - de rechtbank te bepalen dat:

1. ZLM binnen twee weken na deze uitspraak aan hem een nader voorschot van

€ 77.000,00 voldoet en met ingang van 1 januari 2013 jaarlijks een voorschot van

€ 60.000,00,

2. ZLM de kosten van rechtsbijstand van [eiser] voldoet ter hoogte van

€ 18.945,59 en voor de toekomst daarvoor een budget beschikbaar stelt van

€ 25.000,00,

3. de kosten van deze procedure door ZLM betaald dienen te worden.

2.4. [eiser] heeft aan zijn verzoek het volgende ten grondslag gelegd.

2.4.1. Vanaf 2000 voeren partijen overleg over de hoogte van de schade van [eiser] als gevolg van het ongeval. In maart 2010 heeft ZLM echter de verdere onderhandelingen en bevoorschotting eenzijdig en zonder waarschuwing stopgezet. Hierna was verder overleg niet langer mogelijk en om die reden heeft [eiser] voor het nader vaststellen van de medische causaliteit een procedure gestart om te komen tot een voorlopig deskundigenbericht. Partijen zijn in afwachting van de resultaten daarvan, die in de loop van 2013 worden verwacht. Hierna zijn nadere deskundigenberichten niet uit te sluiten en de definitieve afwikkeling van de schade kan mogelijk nog verdere tijd in beslag nemen. [eiser] ontvangt slechts een uitkering van beperkte hoogte, zodat hij zonder verdere bevoorschotting van ZLM zijn lopende verplichtingen niet langer kan nakomen en dus tijdens het traject van schadevaststelling acuut in zijn financiële voortbestaan wordt bedreigd. Dit kan ook weer leiden tot secundaire victimisatie. ZLM handelt daarmee in strijd met haar maatschappelijke verantwoordelijkheid. Door [eiser] verder te bevoorschotten, levert ZLM een bijdrage aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, nu zij daarmee [eiser] in staat stelt het traject van schadeafhandeling voort te zetten.

2.4.2. De jaarschade van [eiser] bedraagt in ieder geval € 60.000,00, zoals onderbouwd in zijn schadestaten. Rekening houdend met pensioenschade leidt dit tot een totaal bedrag aan alleen toekomstschade van € 1.350.000,00. Om deze reden is een bedrag van € 77.000,00 over 2012 en daarna € 60.000,00 per jaar als nader voorschot geëigend.

2.5. ZLM heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen van [eiser]. Voor zover van belang zal de rechtbank deze weren verderop nader bespreken.

3. De beoordeling

2.6. ZLM heeft aangevoerd dat het verzoek onder 1 niet geschikt is voor de behandeling in deelgeschil en om die reden moet worden afgewezen. De rechtbank stelt voorop dat krachtens artikel 1019z van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een verzoek moet worden afgewezen voor zover een beslissing in de deelgeschilprocedure onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Het is de rechtbank in dat kader duidelijk dat partijen meer dan 10 jaar hebben onderhandeld om te komen tot de vaststelling van de schade van [eiser]. Deze onderhandelingen zijn echter vastgelopen. Partijen verschillen fundamenteel van mening over een aantal voor de schadevaststelling essentiële punten, zoals de vraag of [eiser] (nog) beperkingen heeft en of er sprake is van causaal verband tussen het ongeval en zijn huidige (gebrek aan) verdienvermogen. [eiser] heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij tot op heden door het ongeval in zijn functioneren beperkt is, met name ten aanzien van het hooggekwalificeerde werk dat hij voor het ongeval deed. ZLM meent op haar beurt dat [eiser] slechts in geringe mate beperkingen heeft. ZLM acht ook het causaal verband tussen het ongeval en het verlies van de werkkring van [eiser] na het ongeval doorbroken, omdat hij toen door zijn eigen opstelling een arbeidsconflict heeft uitgelokt met zijn werkgever. Dezelfde opstelling - en niet enig ongevalsgevolg - heeft er volgens ZLM toe geleid dat [eiser] tot op heden geen nieuwe werkkring heeft gevonden. Om die reden stelt ZLM zich op het standpunt dat zij de schade van [eiser] met de betalingen tot en met 2010 al (meer dan) volledig vergoed heeft.

2.7. De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade leidt de rechtbank af dat de wetgever de mogelijkheid heeft voorzien dat de deelgeschilrechter naast materiële geschilpunten ook procedurele geschillen tussen partijen kan beslechten, waaronder het beslissen over het al dan niet toekennen van een voorschot. In de memorie van toelichting werd op dit punt namelijk opgemerkt: “Behalve vaststellingen over de materiële rechtsverhouding tussen partijen, kan het verzoek ook gericht zijn op het verkrijgen van een rechterlijk oordeel over de wijze waarop partijen zich bij het regelen van de schade dienen te gedragen. Het gaat dan dus niet om vragen van aansprakelijkheid of schadeomvang, maar om aspecten van het schaderegelingsproces. Deze meer «procedurele» aspecten kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op […], maar ook op de vraag of de aangesproken partij een vergoeding voor bepaalde kosten al dan niet mag uitstellen (de verschuldigdheid als zodanig betreft uiteraard de materiële rechtsverhouding)”. (Kamerstukken II, 2007/08, 31 518, nr. 3, p. 19). Ook op onder meer pagina 14 van deze memorie van toelichting, alsmede bij de beantwoording van vragen van de Tweede Kamer op dit punt (Kamerstukken II, 2008/09, 31 518, nr. 8, p. 2) heeft de minister uitdrukkelijk de mogelijkheid genoemd dat in een deelgeschilprocedure kan worden beslist over de toekenning van een voorschot.

2.8. [eiser] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat juist het vaststellen van een nader voorschot een vaststellingsovereenkomst dichterbij kan brengen omdat hij als letselschadeslachtoffer bij het uitblijven daarvan in acute financiële nood komt. Ook de wetgever heeft gedacht aan de situatie dat de deelgeschilrechter tot het oordeel kan komen dat “redelijkerwijs niet van de benadeelde partij gevergd kan worden dat een voorschotbetaling uitblijft”, ook in het geval waarbij de verschuldigdheid van (de hoogte van) de schadevergoeding nog niet definitief vaststaat (Kamerstukken II, 2007/08, 31 518, nr. 3, p. 14). De rechtbank is echter van oordeel dat enkel het beslissen over een nader voorschot - zoals [eiser] dat heeft verzocht - zonder dat er daarnaast in ieder geval op bepaalde punten wordt beslist over de uitgangspunten van de schadevaststelling, onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Immers, een dergelijke beslissing maakt geen einde aan enig tussen partijen bestaand (materieel) geschilpunt (zoals de vaststelling van de beperkingen of het causaal verband) en zodoende wordt er dus geen beslissing genomen waarmee partijen hun vastgelopen onderhandelingen weer vlot kunnen trekken. Dit laatste zou mogelijk kunnen veranderen als de uitkomst van het voorlopig deskundigenbericht de patstelling omtrent de beperkingen van [eiser] doorbreekt, maar dat is in dit deelgeschil (nog) niet aan de orde. Het verzoek onder 1 kan naar het oordeel van de rechtbank dus niet bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 1019z Rv en zal worden afgewezen.

2.9. Nog afgezien van het hiervoor overwogene zou ook bij een inhoudelijke beoordeling van het verzoek - met analoge toepassing van artikel 223 Rv - voldoende aannemelijk moeten zijn dat [eiser] een aanspraak heeft op schadevergoeding die de al door ZLM betaalde voorschotten overstijgt. Zijn stellingen daaromtrent zijn gegrond op het standpunt dat hij ongevalsgerelateerde klachten heeft die hem nog steeds vrijwel geheel beletten in zijn verdienvermogen. ZLM heeft gemotiveerd en met stukken onderbouwd betwist dat (nog) sprake is van dergelijke beperkingen. [eiser] heeft zelf aangevoerd dat voor de definitieve vaststelling van de beperkingen afgewacht dient te worden op het nog uit te brengen rapport van de medisch deskundigen in het kader van het voorlopige deskundigenbericht en dat voor het bepalen van zijn verlies aan verdienvermogen mogelijk nog andere deskundigen zullen moeten worden aangezocht. Met inachtneming van het feit dat ook het causaal verband tussen het ongeval en de gestelde beperkingen tussen partijen nog niet vaststaat, betekent dit dat voor de rechtbank op dit moment onvoldoende aannemelijk is dat [eiser] een vorderingsrecht heeft dat de hem al verstrekte substantiële voorschotten zal overstijgen. Mede gelet op de al betaalde bevoorschotting (laatstelijk een bedrag van EUR 115.000,000 in maart 2010) is bovendien uit hetgeen [eiser], na gemotiveerde betwisting daarvan van de zijde van ZLM, ter onderbouwing van zijn financiële nood heeft overgelegd, te weten slechts één bankafschrift waaruit een (fors) negatief saldo blijkt, op zichzelf niet af te leiden dat er op dit moment sprake is van een situatie waarin van hem redelijkerwijs niet langer kan worden verwacht dat nadere bevoorschotting uitblijft. Het verzoek onder 1 is ook om deze redenen niet toewijsbaar.

2.10. [eiser] heeft zijn verzoek tot (de rechtbank begrijpt:) (begroting en) veroordeling van ZLM in de kosten zoals genoemd onder 2 (€ 18.945,59), uitgesplitst. Een bedrag van € 9.930,45 hiervan ziet op de kosten van zijn advocaat vanaf het stopzetten van de bevoorschotting door ZLM tot het entameren van de deelgeschilprocedure. De rechtbank zal deze kosten afwijzen. Nu in deze procedure niet komt vast te staan of [eiser] boven de al door ZLM betaalde voorschotten aanspraak kan maken op een hogere schadevergoeding, is op dit moment niet te beoordelen of deze buitengerechtelijke kosten in redelijkheid zijn gemaakt. Ditzelfde geldt voor het bedrag van € 25.000,00 aan toekomstige buitengerechtelijke kosten en dit verzoek zal dus ook worden afgewezen.

2.11. [eiser] heeft gesteld dat het bedrag van € 9.015,14 van de kosten zoals genoemd onder 2. ziet op de kosten van zijn advocaat voor het voeren van deze deelgeschilprocedure. De rechtbank overweegt dat, nu ZLM aansprakelijk is voor de schade van [eiser], deze kostenveroordeling in beginsel toewijsbaar is, indien deze kosten redelijk zijn en in redelijkheid zijn gemaakt. Dit laatste is niet het geval indien de deelgeschilprocedure onnodig of onterecht is ingesteld zoals ZLM heeft betoogd. De rechtbank acht dit echter niet het geval. In de rechtspraak is tot op heden nog niet voldoende uitgekristalliseerd of in een deelgeschilprocedure kan worden beslist over het (enkel) toekennen van een nader voorschot. Om die reden kan niet gezegd worden dat het verzoek onterecht is ingesteld, ondanks dat het is afgewezen. De rechtbank acht daarbij het aantal van in totaal 37 door de advocaat van [eiser] in rekening gebrachte uren niet redelijk, gelet op de, ondanks de grootte van het dossier, relatieve eenvoud van de uiteindelijk aan de orde gestelde vraag. De rechtbank zal dit aantal uren in redelijkheid vaststellen op 20. Nu ZLM geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van het uurtarief van mr. Braam (EUR 195,00), noch tegen de kantoorkosten (5%) en de hierover verschuldigde BTW, zal de rechtbank deze vergoeding conform het verzoek begroten op (20 x EUR 195,00 x 1,05 x 1,19) = EUR 4.873,05 inclusief BTW, waarbij de rechtbank aansluit bij het in het verzoekschrift gehanteerde BTW- percentage. Deze kosten zullen worden toegewezen.

2.11.1. Nu onder 2 al is verzocht om ZLM te veroordelen in de kosten van de advocaat van [eiser] inzake deze deelgeschilprocedure, begrijpt de rechtbank dat het verzoek onder 3 nog slechts ziet op een veroordeling van ZLM in het door [eiser] betaalde griffierecht. Gelijk de rechtbank hiervoor heeft overwogen, zal ook deze kostenveroordeling worden toegewezen, waarbij de rechtbank de totale kosten van dit deelgeschil begroot op (EUR 4.873,05 + EUR 267,00) = EUR 5.140,31.

2.12. [eiser] heeft de rechtbank verzocht deze beschikking niet te publiceren. Nu in deze beschikking na anonimisering geen eenvoudig tot zijn persoon of (voormalige) werkkring herleidbare gegevens zijn opgenomen en de beschikking dienstig kan zijn voor de verdere ontwikkeling van de jurisprudentie inzake deelgeschillen, wijst de rechtbank dit verzoek af. Deze beschikking zal daarom geanonimiseerd worden gepubliceerd conform de daarvoor door deze de rechtbank gehanteerde richtlijn.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt ZLM om aan [eiser] te betalen de kosten van dit deelgeschil, begroot op een bedrag van EUR 5.140,31 (vijfduizend honderdveertig euro en eenendertig eurocent),

3.2. wijst de verzoeken voor het overige af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Rietveld en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2012.