Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BY9070

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-12-2012
Datum publicatie
22-01-2013
Zaaknummer
AWB-12_2726
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat er in bezwaar sprake is geweest van een volledige heroverweging als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb. De verzekeringarts bezwaar en beroep (B&B) heeft enkel een zeer summiere beschouwing gegeven waarin slechts de bevindingen van de primaire verzekeringsarts worden herhaald. Het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen worden in stand gelaten aangezien verweerder in beroep de gebreken voldoende heeft hersteld met de aanvullende rapporten van de verzekeringsarts B&B en arts B&B.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/2726

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2012 in de zaak tussen

[eiseres], te Eindhoven, eiseres

(gemachtigde: mr. P.A.M. de Haan-van de Laak),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. W.J.C. Rademakers).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres per 12 juli 2012 geschikt geacht tot het verrichten van haar arbeid en de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) beëindigd.

Bij besluit van 9 augustus 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2012. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiseres is tot en met 31 juli 2011 werkzaam geweest als doktersassistente voor (gemiddeld)

24 uur per week. Met ingang van 6 september 2011 heeft eiseres zich vanuit de Werkloosheidswet (WW) ziek gemeld vanwege een chirurgische ingreep met complicaties.

2. Blijkens de gedingstukken ligt aan het bestreden besluit verweerders standpunt ten grondslag dat eiseres, rekening houdend met haar medische beperkingen, met ingang van 12 juli 2012 in staat wordt geacht haar werk als doktersassistente te verrichten.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van verweerder onzorgvuldig is geweest. Verweerder heeft haar beperkingen onderschat en gelet op haar beperkingen is eiseres ongeschikt voor de maatgevende arbeid, aldus eiseres.

4. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, recht op ziekengeld.

5. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) wordt onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de CRvB van 30 mei 2012 (LJN: BW6932). In dit geval gaat het dus om het werk als doktersassistente voor (gemiddeld) 24 uur per week.

6. De verzekeringsarts heeft op 5 juli 2012 (als vervolg op de rapporten van 16 november 2011, 13 januari 2012, 9 februari 2012 en 3 april 2012) een rapport van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek uitgebracht. Dit onderzoek bestond uit een dossieronderzoek, het afnemen van een anamnese en een aanvullend psychisch en lichamelijk onderzoek. Op grond daarvan heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat eiseres per 12 juli 2012 weer in staat is haar arbeid te verrichten. Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) de gegevens uit het dossier van eiseres en de door eiseres aangevoerde bezwaren bestudeerd en eiseres gezien op de hoorzitting van 7 augustus 2012. Op grond daarvan heeft de verzekeringsarts B&B geconcludeerd dat er geen aanleiding is de medische grondslag waarop het primaire besluit is gebaseerd te herzien.

7. Ingevolge artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vindt in bezwaar een heroverweging van het primaire besluit plaats op grondslag van het bezwaar. Op grond van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb dient de beslissing op het bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van het besluit op bezwaar wordt vermeld.

8. Gelet op het voorgaande diende er in bezwaar een volledige heroverweging plaats te vinden. Als uitgangspunt heeft daarbij te gelden dat het besluit op bezwaar wordt genomen met inachtneming van de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar en de op dat moment geldende rechts- en beleidsregels. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken van een volledige heroverweging. Hiertoe acht de rechtbank relevant dat de verzekeringsarts B&B een zeer summiere beschouwing heeft gegeven waarin slechts de bevindingen van de primaire verzekeringsarts worden herhaald. De beschouwing eindigt met de mededeling dat er geen nieuwe medische argumenten door eiseres naar voren zijn gebracht op grond waarvan een andere visie dan die van de primaire verzekeringsarts noodzakelijk is. Dat duidt erop dat er slechts sprake is geweest van een marginale toetsing van het rapport van de primaire verzekeringsarts. Gelet hierop is niet voldaan aan het vereiste van een volledige heroverweging als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb. Nu het bestreden besluit wat betreft de medische grondslag verwijst naar het rapport van de verzekeringsarts B&B, is dit besluit gelet op het voorgaande niet deugdelijk gemotiveerd als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de artikelen 7:11 en 7:12 van de Awb.

9. De rechtbank is, gelet op het navolgende, van oordeel dat verweerder de gebreken in beroep voldoende heeft hersteld en dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

10. De verzekeringsarts B&B en de arts B&B hebben in beroep het beroepschrift met de onderliggende stukken bestudeerd. Zij hebben, blijkens hun rapport van 12 oktober 2012, hierin geen aanleiding gezien om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Daarnaast hebben de verzekeringsarts B&B en de arts B&B ook de in de beroepsfase door eiseres overgelegde medische informatie bestudeerd. Blijkens het rapport van 15 november 2012 heeft dit niet geleid tot een wijziging van het eerder ingenomen standpunt. In voornoemde rapporten hebben de verzekeringsarts B&B en de arts B&B opnieuw naar de medische situatie van eiseres op de datum in geding gekeken en naar aanleiding daarvan hun eigen beschouwing gegeven. Zij hebben voldoende gemotiveerd waarom zij geen aanleiding zien om het standpunt dat eiseres per 12 juli 2012 geschikt is haar eigen arbeid te verrichten te herzien. Gelet op deze nadere rapporten is er thans sprake van een volledige heroverweging en is het bestreden besluit thans van een deugdelijke motivering voorzien.

11. De rechtbank is van oordeel dat voornoemde verzekeringsgeneeskundige rapporten, in tegenstelling tot hetgeen eiseres stelt, voldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen.

Dat de verzekeringsarts zijn conclusies heeft gebaseerd op een volgens eiseres maar enkele minuten durend gesprek, doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank ziet in de duur van het gesprek geen grond voor het oordeel dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Voor zover het gesprek inderdaad maar enkele minuten heeft geduurd, is van belang dat de verzekeringsarts naast het gesprek ook nog ander onderzoek heeft verricht. Bovendien hebben de verzekeringsarts B&B en de arts B&B daarna nog een uitgebreid onderzoek verricht, waarbij zij tot dezelfde conclusie zijn gekomen als de verzekeringsarts.

Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat het onderzoek door de verzekeringsarts niet volledig is geweest omdat de verzekeringsarts niet de werking van de nieuwe medicatie, te weten Tramadol, heeft afgewacht. De verzekeringsarts B&B en de arts B&B hebben hierover in beroep aangevoerd dat Tramadol de pijn binnen één uur vermindert. Gelet daarop hoefde er geen periode afgewacht te worden om de werking vast te stellen, aldus verweerder. De rechtbank is ook van oordeel dat de verzekeringsarts de werking van Tramadol niet hoefde af te wachten. Naast hetgeen verweerder hierover heeft aangevoerd, speelt daarbij ook mee dat de medicatie juist is bedoeld ter vermindering van de klachten van eiseres en dus niet tot het aannemen van méér beperkingen kan leiden.

Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat het onderzoek onzorgvuldig is doordat niet het resultaat is afgewacht van het op de hoorzitting aangekondigde onderzoek. De rechtbank is van oordeel dat de enkele mededeling van eiseres op de hoorzitting dat er bij haar op 2 augustus 2012 een bioptie heeft plaatsgevonden vanwege het vermoeden van een basaalcelcarcinoom, niet met zich brengt dat het onderzoek onzorgvuldig is te achten. De verzekeringsarts B&B heeft in zijn rapport van 7 augustus 2012 melding gemaakt van de mogelijkheid dat eiseres een basaalcelcarcinoom zou hebben. In hun rapport van 12 oktober 2012 hebben de verzekeringsarts B&B en arts B&B aangegeven dat het gaat om een milde aandoening die goed behandelbaar is. Bovendien is de gezondheidstoestand van eiseres op de datum in geding, te weten 12 juli 2012, relevant en kan met een verslechtering in de gezondheidstoestand van na deze datum in dit kader geen rekening worden gehouden. Eiseres heeft geen medische informatie in het geding gebracht op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat zij op de datum in geding al klachten ondervond ten gevolge van het later geconstateerde basaalcelcarcinoom.

12. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de verzekeringsartsen de klachten en beperkingen van eiseres hebben onderschat. Door eiseres is bij brief van 8 november 2012 medische informatie in het geding gebracht. De verzekeringsarts B&B en de arts B&B hebben in hun rapport van 15 november 2012 op deze informatie gereageerd. Zij hebben geconcludeerd dat uit de ingebrachte informatie geen nieuwe objectiveerbare medische feiten naar voren komen en dat zij gelet daarop geen aanleiding zien om hun eerder ingenomen standpunt te wijzigen. De rechtbank heeft geen reden om aan deze conclusie te twijfelen.

13. De rechtbank voegt daaraan toe dat psycholoog Leijten in zijn brief van 2 november 2012 heeft aangegeven dat hij eiseres in staat acht om 20 tot 24 uur per week te werken. Van eiseres wordt ook niet verwacht dat zij meer uren gaat werken, aangezien haar eigen werk het werk als doktersassistente betreft voor (gemiddeld) 24 uur per week. In dat opzicht is er dus ook geen sprake van een overschrijding van de belastbaarheid van eiseres.

14. De rechtbank wijst er nog op dat bij een beoordeling van de aanspraken op een ZW-uitkering de eigen opvatting van een betrokkene over de ervaren beperkingen niet doorslaggevend is. Bepalend is of er op medische gronden en naar objectieve maatstaven gemeten sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van de eigen arbeid.

15. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiseres per 12 juli 2012 geschikt te achten is voor haar arbeid.

16. Aangezien de rechtbank het bestreden besluit vernietigt wegens strijd met de artikelen 7:11 en 7:12 van de Awb, is het beroep van eiseres gegrond.

17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

18. De rechtbank ziet in de gegrondverklaring van het beroep aanleiding verweerder ook te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. De proceskosten in beroep stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,00.

•?1 punt voor het verschijnen ter zitting;

•?waarde per punt € 437,00;

•?wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42,00 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 437,00, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.S. Klerk, rechter, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2012.

griffier rechter

Aschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.