Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BY7529

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
28-12-2012
Zaaknummer
Awb 12 / 3030T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voormalige agrarische bedrijfswoning. Wet plattelandswoningen. Artikel 1.1a van de Wabo (nieuw).

Samenvatting:

De rechtbank is van oordeel dat een feitelijk en juridisch afgesplitste agrarische bedrijfswoning kan worden bewoond als burgerwoning op basis van het overgangsrecht. Deze woning geniet bescherming tegen de milieuhinder van het naastgelegen agrarisch bedrijf ook al is de woning in het geldende bestemmingsplan als bedrijfswoning bij dit agrarisch bedrijf bestemd. Partijen hebben op zitting aangegeven in te stemmen met een aanduiding van de woning als voormalige agrarische bedrijfswoning in de zin van het per 1 januari 2013 geldende artikel 1.1a van de Wabo. Ingevolge de Wet plattelandswoningen is daartoe een nader besluit noodzakelijk. De rechtbank ziet hierin aanleiding verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen door middel van het nemen van een nieuw besluit waarbij, na een daartoe strekkende aanvulling van de aanvraag van vergunninghoudster, door verweerder tevens een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid onder c in samenhang met artikel 2.12, eerste lid onder a sub 3, van de Wabo, wordt verleend voor de aanduiding van de betreffende woning als (voormalige) agrarische bedrijfswoning als bedoeld in artikel 1.1a Wabo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5051
Milieurecht Totaal 2013/2573

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/3030T

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2012 in de zaak tussen

[eiseres 1] en [eiseres 2], te Erp, eisers

(gemachtigde: mr. H.G.M. van der Westen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veghel, verweerder

(gemachtigde: mr. L.A. Muller en mr. R.A.M. ter Heine).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen Maatschap [naam A],

te Erp, vergunninghoudster

(gemachtigde mr. M.M. Breukers).

Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2012 (verder: het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen, slopen en milieu voor het gedeeltelijk slopen en oprichten van een jongveestal, het veranderen van een vleesvarkens- en rundveehouderij en het in werking hebben na de verandering van de gehele inrichting, op het perceel [adres A] te Erp.

Eisers, woonachtig aan de [adres B] te Erp, hebben tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is ter zitting van de voorzieningenrechter van 5 november 2012 ingetrokken.

Het onderzoek ter zitting heeft, gelijktijdig met de behandeling van de zaken AWB 12/2294, AWB 12/3243 en AWB 12/1639 plaatsgevonden op 11 december 2012. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghoudster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Het onderzoek is heropend.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1 Eiseres, [eiseres 1], en een van de maten van vergunninghoudster, [naam A], zijn broer en zus. Eiseres woont sinds 30 mei 1991 op het adres [adres B] te Erp (in de woning waar voorheen de ouders woonden) en de broer woont op het adres [adres A]. Tot 25 oktober 1990 exploiteerden vader en zoon [naam A] een agrarisch/melkveebedrijf aan de [adres A]. In 1990 heeft vader het bedrijf met toebehoren overgedragen aan zoon [naam A]. In dezelfde periode heeft eiseres de eigendom verworven van de percelen waarop de woning [adres B] is gelegen. De woning [adres B] is sindsdien feitelijk niet meer in gebruik als bedrijfswoning. Sindsdien exploiteert vergunninghoudster het agrarisch bedrijf aan de [adres A] alleen.

1.2 Bij brief van 15 september 2011 heeft vergunninghoudster verweerder verzocht handhavend op te treden, onder meer tegen het gebruik door zijn zus van de agrarische bedrijfswoning op het perceel [adres B] als burgerwoning. Bij besluit van 30 november 2011 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Het hiertegen gerichte bezwaar is ongegrond verklaard. Het beroep van vergunninghoudster tegen dit besluit is geregistreerd bij de rechtbank onder zaaknummer AWB 12/1639.

2. In het bestreden besluit is omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen, slopen en milieu voor het gedeeltelijk slopen en oprichten van een jongveestal, het veranderen van een vleesvarkens- en rundveehouderij en het in werking hebben na de verandering van de gehele inrichting, op het perceel [adres A] te Erp. Met betrekking tot de activiteit milieu zijn de volgende veranderingen vergund:

- uitbreiding van de inrichting met een jongveestal met 70 stuks jongvee;

- omzetten huisvestingsysteem melkkoeien van beweiden naar permanent opstallen;

- om te voldoen aan het Besluit huisvesting worden de stallen 1 en 3 voorzien van het emissiearme stalsysteem BWL 2010.01 (drijvende ballen in het mestoppervlak);

- omdat een gedeelte van de loods/jongveestal gesloopt wordt, wijzigt de maatvoering van de loods;

Er wordt een doorgang van stal 6 naar stal 7 gerealiseerd, met een mengvoer keuken.

Het aantal vleesvarkens blijft gelijk en volgens de vergunning blijft ook de geurbelasting gelijk. Ingevolge de verleende vergunning maakt de woning van eisers aan de [adres B] onderdeel uit van de inrichting van vergunninghoudster.

3.1 Eisers stellen dat hun woning ten onrechte tot de inrichting van vergunninghoudster wordt gerekend. Het gevolg hiervan is dat hun woning geen bescherming geniet tegen de geur- en geluidoverlast van het bedrijf van vergunninghoudster. Eisers stellen dat het gebruik van de woning aan de [adres B] als burgerwoning onder de beschermende werking van het overgangsrecht valt en dat de woning als burgerwoning bescherming zou moeten genieten tegen de milieuhinder van het bedrijf van vergunninghoudster..

3.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het gebruik van de woning aan de [adres B] als burgerwoning onder de beschermende werking van het overgangsrecht valt. De woning is echter bestemd als bedrijfswoning bij het bedrijf van vergunninghoudster en gelet op deze juridisch-planologische status komt de woning aan de [adres B] geen bescherming toe tegen de inrichting van vergunninghoudster, omdat de woning daar onderdeel van uitmaakt.

3.3 Vergunninghoudster is van mening dat het gebruik van de woning aan de [adres B] als burgerwoning niet onder de beschermende werking van het overgangsrecht valt en dat reeds daarom de woning geen bescherming geniet.

3.4 Ten aanzien van de vraag of het gebruik van de woning aan de [adres B] als burgerwoning onder de beschermende werking van het overgangsrecht valt, overweegt de rechtbank als volgt.

3.5 Op 7 december 1993 is het bestemmingsplan “Buitengebied Erp” vastgesteld. Vast staat dat het gebruik van de woning [adres B] als burgerwoning in strijd was met de op grond van dit bestemmingsplan geldende bestemming. Op grond van artikel 17 van dat plan mocht met het plan strijdig gebruik dat bestond op het moment dat het plan rechtskracht verkreeg, worden voortgezet. Op 12 maart 2002 is het bestemmingsplan “Landelijk Gebied” vastgesteld (verder: het geldende bestemmingsplan). Ingevolge dit bestemmingsplan rust op het betreffende perceel de bestemming “Agrarische bedrijven”. Op het perceel mogen twee agrarische bedrijfswoningen aanwezig zijn. Ingevolge het in artikel 27 opgenomen algemene gebruiksverbod is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken in strijd met de bestemming. Ingevolge het in artikel 26, lid 2 opgenomen overgangsrecht mag het gebruik van gronden dat in strijd is met de gebruiksbepalingen en dat reeds plaats vond voor de datum waarop het plan onherroepelijke rechtskracht heeft verkregen, worden voortgezet. Ingevolge lid 3 geldt dit niet voor gebruik dat al in strijd was met het tot die datum geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan en waartegen wordt of rechtens alsnog kan worden opgetreden.

3.6 Naar het oordeel van de rechtbank dient het overgangsrecht in het geldende bestemmingsplan aldus te worden uitgelegd dat het bestaand gebruik niet onder het overgangsrecht van het thans geldende bestemmingsplan valt, als het ziet op gebruik dat in strijd was met het vorige bestemmingsplan, waaronder tevens moet worden begrepen gebruik dat niet onder de beschermende werking van het overgangsrecht van het vorige plan viel. Het gebruik dat wel onder de beschermende werking van het overgangsrecht van het vorige plan valt, valt tevens onder het overgangsrecht van het geldende plan. Steun voor deze uitleg vindt de rechtbank in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: ABRvS) van 27 februari 2008 (LJN: BC5236) en van 15 december 2010 (LJN: BO7343). De verwijzing van vergunninghoudster naar de “second opinion reikwijdte overgangsrecht” van dr. J.W. van Zundert van 18 oktober 2012 leidt niet tot een ander oordeel. In dit stuk wordt verwezen naar de geldende lijn in uitspraken van de ABRvS omtrent de vaststelling van bestemmingsplannen, dat de gemeenteraad bestaand gebruik dat in strijd was met het vorige plan (illegaal gebruik) niet onder het overgangsrecht behoort te brengen, zie de uitspraak van 10 november 2004 (LJN: AR5459). Deze rechtspraak betekent niet geen betekenis toekomt aan een bestaand gebruik dat in een onherroepelijk geworden bestemmingsplan opnieuw onder het overgangsrecht is gebracht. Dat het overgangsrecht in het geldende bestemmingsplan onverbindend zou zijn, volgt de rechtbank evenmin gelet op de omstandigheid dat het betreffende overgangsrecht bijna woordelijk overeenkomt met het bepaalde in art. 3.2.2, vierde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit argument van vergunninghoudster faalt.

3.7 De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de woning aan de [adres B] onderdeel uitmaakt van de inrichting en daardoor geen bescherming geniet tegen het bedrijf van vergunninghoudster.

3.8 Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (verder: de Wgv) is een geurgevoelig object een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In haar uitspraak van 8 juli 2009 (LJN: BJ1911) heeft de ABRvS in rechtsoverweging 2.4.2 overwogen dat een redelijke uitleg van de Wgv meebrengt dat – anders dan in de uitspraak van 28 januari 2009 is gedaan – bij de vaststelling van de mate van bescherming van een agrarische bedrijfswoning die is afgesplitst van een nog in werking zijnde veehouderij, aansluiting wordt gezocht bij de juridisch-planologische status van die woning. Uit de uitspraak van de ABRvS van 15 december 2010 (LJN BO7343) blijkt dat hiervan sprake is als het gebruik weliswaar in strijd is met de bestemming maar wordt beschermd door het overgangsrecht.

3.9 In onderhavig geval is het gebruik van de woning aan de [adres B] als burgerwoning juridisch planologisch toegestaan. Hierboven is overwogen dat dit gebruik valt onder de beschermende werking van het overgangsrecht. De woning aan de [adres B] heeft in functioneel opzicht al jaren geen binding meer met het agrarisch bedrijf en is al in het begin van de jaren ’90 zowel in juridische als feitelijke zin afgesplitst van het bedrijf van vergunninghoudster. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de woning aan de [adres B] onderdeel uitmaakt van de inrichting en geen bescherming geniet. De woning geniet wel bescherming tegen de milieuhinder van het bedrijf van vergunninghoudster. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de hierboven genoemde uitspraak van de ABRvS van 15 december 2010 waar een soortgelijke situatie aan de orde is geweest. Verweerder heeft aangevoerd dat de uitspraak van 15 december 2010 niet meer de heersende lijn is van de ABRvS en heeft hierbij verwezen naar uitspraken van de ABRvS van 22 augustus 2012 (LJN: BX5287) en 16 mei 2012 (LJN: BW5921). De zaak in de uitspraak van 22 augustus 2012 betrof een agrarische bedrijfswoning die in het verleden is afgesplitst maar waarop nog altijd de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-“ rust. Nu de woning planologisch nog steeds bij de inrichting hoort komt daaraan geen bescherming toe tegen geurhinder, afkomstig van die inrichting, aldus de ABRvS. Uit de uitspraak valt echter niet af te leiden in hoeverre het gebruik van de woning als burgerwoning werd beschermd onder het overgangsrecht. Dit valt in ieder geval niet af te leiden uit de weergave van de standpunten van partijen, temeer omdat de ABRvS in de uitspraak benadrukt dat appellanten zijn uitgegaan van het verkeerde bestemmingsplan. Daarom kan uit deze uitspraak niet worden afgeleid of het hier een situatie betreft zoals in onderhavige zaak alsmede in de uitspraak van 15 december 2010. Het standpunt van verweerder dat de ABRvS een andere lijn is gaan volgen, is bovendien in het geheel niet uit de uitspraak van 22 augustus 2012 af te leiden, terwijl de ABRvS een dergelijke wijziging wel pleegt te benadrukken. De uitspraak van 16 mei 2012 betrof een bestemmingsplanprocedure waarin de ABRvS slechts oordeelde dat het gebruik als burgerwoning dat viel onder het overgangsrecht van het voorheen geldende bestemmingsplan bij het nieuwe bestemmingsplan niet positief hoeft te worden bestemd als ter plaatse geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Uit deze uitspraak kan evenmin worden afgeleid dat de burgerwoning onder het voorheen geldende bestemmingsplan geen bescherming toekomt. De rechtbank concludeert dat het standpunt van verweerder, en daarmee het bestreden besluit, berust op een onjuiste uitleg van de Wgv.

3.10 Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat de woning aan de [adres B] is gelegen binnen de geurcontour van de inrichting aan de [adres A] en dat sprake is van een toename van het aantal dieren. Daarom had de omgevingsvergunning moeten worden geweigerd gelet op artikel 3, derde lid, van de Wgv. Tevens heeft verweerder ten onrechte nagelaten te de geluidhinder van de inrichting op de woning van eisers te beoordelen, temeer nu ten aanzien van geluidhinder niet de planologische status maar de feitelijke status bepalend is voor de mate van bescherming. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

4.1 Met ingang van 1 januari 2013 zal de Wet plattelandswoningen (Stb. 2012/493) in werking treden. De volledige titel luidt: “Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en enkele andere wetten om de planologische status van gronden en opstallen bepalend te laten zijn voor de mate van milieubescherming alsmede om de positie van agrarische bedrijfswoningen aan te passen (plattelandswoningen)”. De Wet leidt tot toevoeging van enkele artikelen aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Wgv. Ingevolge de wetsgeschiedenis van de Wet plattelandswoningen wordt een plattelandswoning aangeduid als een voormalige agrarische bedrijfswoningen.

Aan de Wabo wordt artikel 1.1a toegevoegd. Dit artikel luidt als volgt: “Een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, die op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning door een derde bewoond mag worden, wordt met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen beschouwd als onderdeel van die inrichting, tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald.” Verder wordt een lid aan artikel 2.14 van de Wabo toegevoegd en dit luidt als volgt: Bij de toepassing van het eerste lid worden gronden en bouwwerken in de omgeving van de inrichting in aanmerking genomen overeenkomstig het bestemmingsplan, de beheersverordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning.

Aan artikel 2 van de Wgv wordt een lid toegevoegd, luidend: In afwijking van het eerste lid is artikel 1.1a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van overeenkomstige toepassing op het nemen van een beslissing als bedoeld in dat lid. De eerste volzin is niet van toepassing op gevallen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, voor zover het betreft een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij.

4.2 De Wet plattelandswoningen kent geen overgangsrecht en heeft na inwerkingtreding onmiddellijke werking. De rechtbank is van oordeel dat deze wet het mogelijk maakt om de woning van eisers door middel van een daartoe genomen besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan of door middel van een omgevingsvergunning te beschouwen als onderdeel van de inrichting. Als gevolg van een dergelijk besluit zou de woning van eisers geen bescherming meer genieten tegen de geur en geluidoverlast van de inrichting van vergunninghoudster. Ter zitting hebben eisers verklaard desondanks geen bezwaar te hebben tegen de aanduiding van hun woning als een voormalige agrarische bedrijfswoning. Eisers hebben deze aanduiding zelfs voorgesteld als definitieve oplossing van het geschil met vergunninghoudster. Vergunninghoudster heeft verklaard bereid te zijn de aanvraag van haar omgevingsvergunning op dit onderdeel aan te vullen.

4.3 Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de enkele aanduiding van de woning aan de [adres B] als bedrijfswoning en het gegeven dat de huidige bewoning onder het overgangsrecht valt in het geldende bestemmingsplan niet voldoende is maar dat een nieuw besluit dient te worden genomen, temeer nu de woning aan de [adres B] op dit moment wel bescherming geniet. Gelet op het uitgangspunt van het wetsvoorstel dat geen verlaging van beschermingsniveau plaatsvindt, is een nader besluit noodzakelijk. De rechtbank merkt overigens op dat in de wetsgeschiedenis nadrukkelijk is overwogen dat personen vrijwillig kunnen kiezen voor een aanduiding. Bovendien volgt uit de wetsgeschiedenis (TK 33078, nr. 3 p. 9) dat uit de aanduiding in het bestemmingsplan of daartoe strekkende omgevingsvergunning duidelijk moet worden dat de woning tevens bewoond mag worden door iemand die geen functionele binding heeft met het agrarisch bedrijf en dat staat niet uitdrukkelijk in het geldende bestemmingsplan. De enkele inwerkingtreding van de Wet plattelandswoning leidt daarom niet tot het oordeel dat na 1 januari 2013 de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven.

4.4 Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Ter zitting is besproken dat er een mogelijkheid is om het gebrek te herstellen door middel van het nemen van een nieuw besluit waarbij, na een daartoe strekkende aanvulling van de aanvraag van vergunninghoudster, door verweerder tevens een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid onder c in samenhang met artikel 2.12, eerste lid onder a sub 3, van de Wabo, wordt verleend voor de aanduiding van de woning aan de [adres B] als (voormalige) agrarische bedrijfswoning als bedoeld in artikel 1.1a Wabo. Alle partijen hebben ter zitting laten weten gebruik te willen maken van deze mogelijkheid. De rechtbank geeft voor het herstel de volgende aanwijzingen.

4.5 De rechtbank is van oordeel dat bij het nemen van het nieuwe besluit de voorbereidingsprocedure in afdeling 3.4 van de Awb moet worden gevolgd. De rechtbank wijst verweerder er ten overvloede op dat het nieuwe besluit eerst zijn werking kan krijgen indien het op de voorgeschreven wijze bekend wordt gemaakt. In het nieuwe besluit zal moeten zijn voorzien in een verantwoording van het woon- en leefklimaat van de woning van de [adres B]. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op 16 weken na verzending van deze tussenuitspraak.

4.6 Verweerder heeft ter zitting al aangegeven gebruik te willen maken van de gelegenheid het gebrek te herstellen. De rechtbank verzoekt verweerder dit binnen twee weken na verzending van de tussenuitspraak schriftelijk te bevestigen. Desgevraagd hebben eisers aangegeven dat zij geen bezwaar hebben tegen voortzetting van de bouw van de jongveestal als vergunninghoudster haar beroep in de procedure AWB 12/1639 zal intrekken. Vergunninghoudster heeft aangegeven dit beroep te zullen intrekken als verweerder zijn bereidheid om gebruik te maken van de geboden gelegenheid heeft bevestigd. Er van uitgaande dat in deze standpunten geen wijziging komt, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening waarbij het thans bestreden besluit wordt geschorst. Dat betekent dat het bestreden besluit nog steeds in werking is en dat vergunninghoudster verder kan gaan met de bouw van de jongveestal. De rechtbank wijst vergunninghoudster ten overvloede er op dat dit geheel voor eigen risico van vergunninghoudster is.

4.7 De rechtbank overweegt dat het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak. Zij zal het in beginsel in strijd met de goede procesorde achten als nieuwe geschilpunten worden ingebracht.

4.8 De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen 16 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en

mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen en mr. E.H.M. Harbers , leden, in aanwezigheid van

mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

19 december 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.