Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BY7155

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-12-2012
Datum publicatie
24-12-2012
Zaaknummer
01/845184-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte overloopt een persoon die in zijn woning heeft ingebroken. Daarna mishandelt verdachte het slachtoffer, sluit hem op in zijn schuur en houdt de inbreker daar anderhalf uur gegijzeld. Voor een deel van de mishandeling heeft verdachte een geslaagd beroep op noodweer gedaan. Daarnaast is bij verdachte ook ongeveer 209 gram hasj gevonden.

Verdachte wordt voor deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 210 dagen waarvan 111 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een werkstraf van 120 uur. De vordering van de inbreker als benadeelde partij, bestaande uit immateriële schade, wordt niet ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/845184-12

Datum uitspraak: 24 december 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 december 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 9 augustus 2012. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 04 juni 2012 te 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk één of meer personen, genaamd [slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk (een) ander(en), te weten [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2], te dwingen iets te doen of niet te doen, te weten het betalen van geld, immers heeft hij, verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of het lichaam van diedie [slachtoffer] geslagen en/of gestompt en/of

- die [slachtoffer] opgetild en/of (vervolgens) een woning binnen gedragen/gebracht en/of

- door middel van het door de situatie ontstane verschil in verhoudingen die [slachtoffer] bewogen zijn kleding uit te trekken en/of een schuur en/of een woning binnen te gaan en/of

- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, stekende bewegingen naar, althans in de richting van, die [slachtoffer] gemaakt, althans een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, aan die [slachtoffer] getoond en/of

- met een verhit strijkijzer bewegingen gemaakt in de richting van die [slachtoffer] en/of

- met een verhit strijkijzer in/op het gezicht, althans op/tegen het hoofd, van die [slachtoffer] geslagen, althans een verhit strijkijzer tegen het gezicht/hals van die [slachtoffer] gehouden en/of

- heet water uit een verhit strijkijzer op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] gespoten/gesproeid en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer] gericht, althans aan die [slachtoffer] getoond en/of

- (daarbij) aan die [slachtoffer] medegedeeld dat hij, verdachte, zijn, verdachtes, geld terug moest en dat hij, verdachte, die [slachtoffer] anders zou schieten en/of dat die [slachtoffer] zich niet mocht bewegen en dat hij, verdachte, die [slachtoffer] anders

zou neerschieten, althans (een) mededeling(en) van gelijke aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer] opgesloten in een schuur en/of

en/of (daarbij) meermalen, althans éénmaal, de moeder van die [slachtoffer], te weten [betrokkene 1], gebeld en medegedeeld dat

- hij, verdachte, haar zoon, te weten voornoemde [slachtoffer], vasthield en had aangehouden voor inbraak in zijn, verdachtes, woning en/of

- hij, verdachte, 2500 euro schade had en dat dat betaald moest worden en dat hij, verdachte, anders de politie zou bellen en/of

- haar zoon, te weten voornoemde [slachtoffer], opgesloten was in de schuur en/of

- hij, verdachte, wilde weten wie de andere man was en dat hij, verdachte, haar zoon, te weten voornoemde [slachtoffer], dan pas zou laten gaan

- zij voor geld moest zorgen of dan maar de verzekering moest gaan bellen omdat hij, verdachte, schade had, althans (een) mededeling(en) van gelijke aard en/of strekking

en/of (daarbij) de zus van die [slachtoffer], te weten [betrokkene 2], gebeld en medegedeeld dat zij moest uitzoeken wide de andere jongen was waarmee die [slachtoffer] had ingebroken;

(Artikel 282a Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 04 juni 2012 te 's-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en / of beroofd gehouden, door tezamen en in vereniging met die ander(en), althans alleen toen en aldaar voornoemde [slachtoffer] opzettelijk en wederrechtelijk

- meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen en/of te stompen en/of

- die [slachtoffer] op te tillen en/of (vervolgens) een woning binnen te dragen/brengen en/of

- door middel van het door de situatie ontstane verschil in verhoudingen die [slachtoffer] te bewegen zijn kleding uit te trekken en/of een schuur en/of een woning binnen te gaan en/of

- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, stekende bewegingen naar, althans in de richting van, die [slachtoffer] te maken, althans een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, aan die [slachtoffer] te tonen en/of

- met een verhit strijkijzer bewegingen te maken in de richting van die [slachtoffer] en/of

- met een verhit strijkijzer in/op het gezicht, althans op/tegen het hoofd, van die [slachtoffer] te slaan, althans een verhit strijkijzer tegen het gezicht/hals van die [slachtoffer] te houden en/of

- heet water uit een verhit strijkijzer op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] te spuiten/sproeien en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer] gericht, althans aan die [slachtoffer] te tonen en/of

- (daarbij) aan die [slachtoffer] mede te delen dat hij, verdachte, zijn, verdachtes, geld terug moest en dat hij, verdachte, die [slachtoffer] anders zou schieten en/of dat die [slachtoffer] zich niet mocht bewegen en dat hij, verdachte, die [slachtoffer] anders zou neerschieten, althans (een) mededeling(en) van gelijke aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer] op te sluiten in een schuur;

(Artikel 282 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 04 juni 2012 te 's-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer])

- meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt en/of

- met een verhit strijkijzer in/op het gezicht, althans op/tegen het hoofd, van die [slachtoffer] heeft geslagen, althans een verhit strijkijzer tegen het gezicht/hals van die [slachtoffer] heeft gehouden en/of

- heet water uit een verhit strijkijzer op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft gespoten/gesproeid en/of

waardoor voornoemde die [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(Artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 04 juni 2012 te 's-Hertogenbosch opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 0,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- 6 pillen (ongeveer 2 gram), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of MDA en/of MDEA,

zijnde cocaïne en/of MDA en/of MDMA en/of MDEA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(Artikel 2C juncto 10 Opiumwet)

4.

hij op of omstreeks 04 juni 2012 te 's-Hertogenbosch opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 209,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(Artikel 3C juncto 10 Opiumwet)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Inleiding

Op 4 juli 2012 omstreeks 16.35 uur krijgen politieambtenaren van de regiopolitie Brabant-Noord de opdracht te gaan naar de woning aan de [adres 2] te Den Bosch waar de bewoner een woninginbreker zou hebben aangehouden. Ter plaatse treffen de politieambtenaren de woninginbreker aan, slechts gekleed in onderbroek en T-shirt.

Op het politiebureau vertelt de woninginbreker, genaamd [slachtoffer], dat hij vanuit zijn woonplaats Den Haag samen met een ander betrokken was bij een woninginbraak in Den Bosch en dat hij toen door de bewoner van dat huis (de latere verdachte) is overlopen, mee naar diens huis is genomen en daar mishandeld is, in het bijzijn van de vriendin van de bewoner en nog drie mannen. Volgens deze [slachtoffer] werd hij anderhalf uur opgesloten in de woning en de schuur van verdachte en is hij daar onder meer van zijn kleding ontdaan, geslagen en geschopt, bedreigd met een mes, een vuurwapen en een heet strijkijzer en zijn hem verwondingen met dat strijkijzer toegebracht. Zijn moeder werd meermalen door verdachte gebeld en gedreigd werd dat haar zoon ([slachtoffer]) pas weg mocht als iemand € 2.500,- zou betalen.

De lezing van verdachte is dat hij boven op zolder met zijn vriendin lag te slapen toen hij een inbreker in zijn huis ontdekte. Hij is onmiddellijk achter die inbreker aangerend. Buiten de woning zag hij een tweede inbreker ([slachtoffer]) in de tuin staan. [slachtoffer] rende weg, maar werd tegengehouden door een vriend van verdachte ([getuige 1]). Verdachte heeft [slachtoffer] mee naar zijn woning getrokken. De vriendin van verdachte ontdekte meteen dat er € 2.500,- en een telefoon waren gestolen. Verdachte heeft niet direct de politie gebeld. Volgens verdachte heeft hij [slachtoffer] ongeveer anderhalf uur in zijn woning, waarvan korte tijd in zijn schuur, opgesloten. Zijn vriendin ([getuige 2]) en een vriend ([getuige 1]) waren toen ook in de woning. Verdachte heeft verklaard dat hij met de moeder van [slachtoffer] heeft gebeld, omdat hij het geld dat door de andere inbreker was gestolen terug wilde hebben en omdat hij de naam van de andere inbreker wilde weten. Hij heeft de moeder van [slachtoffer] ongeveer vier keer aan de lijn gehad, omdat ook zij niet wilde dat hij de politie belde. Toen het niet leek te lukken met het geld, heeft hij de politie gebeld, aldus verdachte. Verdachte erkent dat hij in de woning tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij zijn kleding uit moest, omdat hij wilde weten of deze inbreker wapens bij zich droeg. Er zijn meerdere worstelingen in de woonkamer geweest volgens verdachte, omdat [slachtoffer] wilde vluchten. Verdachte heeft ontkend dat er gebruik is gemaakt van een mes, vuurwapen of strijkijzer.

Bewijs ten aanzien van feit 1 en feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft partiële vrijspraak gevorderd van een gedeelte van de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feitelijkheden.

De officier van justitie acht ten eerste niet bewezen dat de feiten tezamen en in vereniging met een ander of anderen zijn gepleegd. Daarnaast acht de officier van justitie de ten laste gelegde feitelijke handelingen met betrekking tot het mes en het vuurwapen niet bewezen. Ook acht de officier van justitie niet bewezen dat verdachte [slachtoffer] met een strijkijzer heeft geslagen. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van dit gedeelte van de tenlastelegging.

De officier van justitie acht het overige onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De officier van justitie is van mening dat het tegen het gezicht houden van het strijkijzer wordt bewezen door de verklaring van [slachtoffer] en het rapport van The Maastricht Forensic Institute.

Dat er geen schroeiletsel bij [slachtoffer] is geconstateerd, acht de officier van justitie niet relevant voor de bewezenverklaring van het tegen het gezicht houden van het strijkijzer. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat het strijkijzer wellicht slechts kort het lichaam van [slachtoffer] heeft aangeraakt, dan wel dat het strijkijzer niet heel heet was.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 2 ten laste gelegde feit.

De raadsman heeft partiële vrijspraak bepleit van een gedeelte van de onder feit 1 ten laste gelegde feitelijkheden.

De raadsman acht ten eerste niet bewezen dat de feiten tezamen en in vereniging met een ander of anderen zijn gepleegd. Daarnaast acht de raadsman niet bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft geslagen. Voorst acht de raadsman de feitelijke handelingen met betrekking tot het mes, het strijkijzer en het vuurwapen niet bewezen.

De raadsman acht het overige onder feit 1 ten laste gelegde bewezen, nu verdachte dit heeft erkend.

Het oordeel van de rechtbank 1

Partiële vrijspraak

De rechtbank acht, evenals de OvJ en de raadsman, niet wettig en overtuigend bewezen dat de feiten tezamen en in vereniging met een ander of anderen zijn gepleegd.

De rechtbank acht, evenals de OvJ en de raadsman, eveneens niet wettig en overtuigend bewezen de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bedreigingen met het mes en het vuurwapen.

De rechtbank acht voorts niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met een verhit strijkijzer bewegingen heeft gemaakt in de richting van [slachtoffer], [slachtoffer] met dat strijkijzer heeft geslagen, een verhit strijkijzer tegen het gezicht van [slachtoffer] heeft gehouden of heet water op het lichaam van [slachtoffer] heeft gespoten. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging onvoldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen en overweegt daartoe het volgende.

Verdachte en de in de woning aanwezige getuigen [getuige 2] (vriendin van verdachte) en [getuige 1] (vriend van verdachte) ontkennen dat er iets is voorgevallen met een strijkijzer.

[slachtoffer] heeft verklaard dat het strijkijzer hem raakte aan de achterzijde van de rechterkaak en dat de plekjes op zijn arm door het hete water uit het strijkijzer zijn veroorzaakt.

[slachtoffer] is op 4 juni 2012 in het cellenblok door een Forensisch arts van de GGD onderzocht. De arts constateerde op het voorhoofd drie schaafwondjes, op de linker gelaatshelft enkele rode zwellingen, op de rechterzijde van het hoofd op de overgang hals-kaakrand twee kraswonden van ongeveer 3 centimeter en 2 kleine oppervlakkige schuurwondjes van 1 centimeter. Op de linkerarm waren twee roodverkleuringen zichtbaar. Op het linker onderbeen waren oppervlakkige schaafverwondingen zichtbaar.

De arts heeft vastgesteld dat de oppervlakkige letsels passen bij mishandeling. De letsels in het gelaat zouden kunnen zijn ontstaan in een gevecht met de vuist. De wondjes op de arm zouden kunnen zijn veroorzaakt door hete stoom, maar dat kan niet met zekerheid worden gezegd. Er is geen duidelijke blaarvorming.

De rechtbank concludeert dat de door de arts beschreven letsels geen positief bewijs leveren voor mishandeling door een strijkijzer. Ook het rapport van The Maastricht Forensic Institute levert daarvoor naar het oordeel van de rechtbank niet onomstotelijk het bewijs. De rechtbank kan niet uitsluiten dat het celmateriaal dat op het strijkijzer is aangetroffen en dat waarschijnlijk van [slachtoffer] afkomstig is, op een andere wijze dan door aanraking met het gezicht van [slachtoffer] op het strijkijzer terecht is gekomen. [slachtoffer] is immers enige tijd in de woonkamer aanwezig geweest, waar het strijkijzer op de grond stond. Er heeft een worsteling plaatsgevonden in de woonkamer, waarbij volgens verdachte en getuige [getuige 2] verdachte en [slachtoffer] langs het strijkijzer zijn gerold.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van het overige onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft de rechtbank de navolgende bewijsmiddelen in aanmerking genomen.

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 4 juni 2012 samen met een andere jongen naar de woning is gegaan waar hij is aangehouden. [slachtoffer] is aangehouden in de woning aan de [adres 2] te 's-Hertogenbosch.2 De andere jongen brak met een breekijzer de achterdeur van de woning open. [slachtoffer] stond bij de achtertuin van de woning.

Op een gegeven moment zag [slachtoffer] de andere jongen rennen. [slachtoffer] rende daarop ook weg.

Hij werd vastgepakt door een man die bij een speeltuin stond. Hij werd daarop door de eigenaar van voornoemde woning met gebalde vuist op de achterkant van zijn hoofd geslagen. Dit deed hem erg veel pijn. De eigenaar van de woning en de man bij de speeltuin hebben hem opgepakt en zij probeerden hem naar de woning te trekken. De mannen hebben hem vervolgens opgetild, naar de woning gebracht en mee naar binnen genomen.

In de woning zei de eigenaar van de woning op een agressieve manier dat [slachtoffer] zijn kleren moest uittrekken.

De eigenaar van de woning gelastte hem te vertellen met wie hij naar de woning was gekomen. Ook zei hij dat [slachtoffer] het nummer moest geven van een oom of een neef, omdat er € 2.500,- aan hem betaald moest worden. [slachtoffer] zei dat hij alleen het nummer van zijn moeder had. [slachtoffer] werd door de eigenaar van de woning naar een schuur in de tuin gebracht. [slachtoffer] moest in de schuur blijven. De deur van de schuur ging dicht en op slot.

Na ongeveer een kwartier kwam de eigenaar van de woning naar de schuur gelopen. Hij zei tegen [slachtoffer] dat hij de moeder van [slachtoffer] aan de lijn had.

[slachtoffer] hoorde de eigenaar van de woning door de telefoon tegen zijn moeder zeggen dat een vriend van [slachtoffer] € 2.500,- van hem had gestolen en dat er iemand moest komen om dit bedrag terug te betalen. De eigenaar van de woning zei tegen de moeder dat [slachtoffer] pas na de betaling weg mocht. De eigenaar van de woning nam [slachtoffer] mee terug de woonkamer in.3 Daar kreeg [slachtoffer] even later zijn zus aan de telefoon. De zus zei verdachte dat zij geen geld hadden en dat verdachte de politie moest bellen. Verdachte heeft toen de politie gebeld. [slachtoffer] heeft geen informatie gegeven over de identiteit van de man die in de woning heeft ingebroken.

[persoon 1], forensisch arts bij GGD Hart voor Brabant, heeft op 4 juni 2012 het letsel van [slachtoffer] bekeken en als volgt omschreven:

Op het voorhoofd links zitten 3 schaafwondjes met een diameter van ongeveer 1 centimeter.

Op de overgang hals-kaakrand aan de rechterzijde van het hoofd zitten 2 krasverwondingen met een lengte van ongeveer 3 centimeter en 2 kleine oppervlakkige schuurverwondingen met een diameter van 1 centimeter.

De arts stelt vast dat de oppervlakkige letsels passen bij mishandeling. De letsels in het gelaat zouden ontstaan kunnen zijn in een gevecht met de vuist.4

Verdachte heeft verklaard dat er op 4 juni 2012 bij hem, op het adres [adres 1] te 's-Hertogenbosch, is ingebroken. Hij lag boven op zolder met zijn vriendin in bed te slapen. De inbreker heeft € 2.500,- en een GSM gestolen. Verdachte is achter de inbreker aangerend. In de tuin zag hij een tweede inbreker staan. Hij heeft de inbreker die in de tuin stond ([slachtoffer]) mee naar zijn woning getrokken. Er ontstond hierbij een worsteling. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] tijdens deze worsteling mogelijk heeft geslagen.

In de woning heeft verdachte tegen [slachtoffer] gezegd dat hij zijn kleding uit moest doen. Verdachte heeft de jongen in zijn schuur opgesloten. Verdachte heeft [slachtoffer] later terug de woning ingebracht. In de woning heeft een tweede worsteling plaatsgevonden. Verdachte en [slachtoffer] rolden daarbij over de grond en zijn tegen de strijkplank aangekomen. Verdachte heeft tegen [slachtoffer] gezegd dat hij het geld dat zijn vriend had meegenomen terug wilde hebben en vroeg [slachtoffer] naar diens telefoonnummer. Omdat [slachtoffer] dat telefoonnummer niet wist, maar wel het telefoonnummer van zijn moeder, heeft verdachte de moeder van de jongen gebeld. Hij heeft haar ongeveer vier keer aan de lijn gehad. Hij heeft haar gebeld, omdat hij het geld dat door die andere jongen was gestolen terug wilde hebben en omdat hij de naam van die andere jongen wilde weten.5

De moeder van [slachtoffer], [betrokkene 1], heeft verklaard dat zij op 4 juni 2012 werd gebeld door een onbekende man. Deze man zei dat hij haar zoon vasthield en dat hij haar zoon had aangehouden voor een inbraak in zijn woning. De man zei dat hij € 2.500,- schade had en dat hij dat betaald wilde hebben, anders zou hij de politie bellen. Hij vertelde haar dat haar zoon was opgesloten in de schuur. Ze kreeg ook haar zoon aan de lijn en die klonk bang. De man wilde weten wie de man was met wie haar zoon bij hem had ingebroken. Dan pas zou hij haar zoon laten gaan. De man heeft in totaal drie keer gebeld. De eerste keer duurde het telefoongesprek ongeveer een half uur, de tweede keer ongeveer 10 minuten.

De onbekende man zei haar dat ze voor het geld moest zorgen of anders de verzekering moest bellen, omdat hij schade had geleden. In het derde gesprek heeft ze tegen de man gezegd dat ze er niks aan kon doen en ook niets kon regelen en dat de man dan maar de politie moest bellen.6

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 4 juni 2012 verdachte in zijn boxershort achter twee jongens aan zag rennen. Hij heeft een van de jongens vastgepakt. Hij zag dat verdachte de jongen een paar tikken gaf. Verdachte was boos, omdat er bij hem was ingebroken. Hij zag dat verdachte link was. Er is ook een worsteling geweest in de woning. Er is geslagen tijdens de worsteling in de woning, toen die jongen wilde wegkomen, een keer of twee.7

Getuige [getuige 2] heeft over de worsteling in de woonkamer verklaard dat zij heeft gezien dat toen de jongen wilde wegkomen er over en weer geslagen is.8

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank feit 1 en feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna is bewezen verklaard.

Bewijs ten aanzien van feit 3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 3 ten laste gelegde aanwezig hebben van cocaïne.

De officier van justitie acht het aanwezig hebben van 6 pillen bevattende MDMA wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 3 ten laste gelegde aanwezig hebben van cocaïne. De raadsman acht het aanwezig hebben van 6 pillen bevattende MDMA bewezen, nu uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt dat de 6 aangetroffen tabletten MDMA bevatten.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 3 is ten laste gelegd en zal hem daarvan vrijspreken.

Op grond van de stukken waarover de rechtbank beschikt, kan de rechtbank de kenmerknummers uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut niet herleiden naar de onder verdachte in beslag genomen goederen. De rechtbank acht derhalve niet bewezen dat de onder verdachte in beslag genomen goederen cocaïne, dan wel MDMA bevatten.

Op grond van het hiervoor overwogene zal de rechtbank verdachte van het onder 3 ten laste gelegde vrijspreken.

Bewijs ten aanzien van feit 4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 4 ten laste gelegde.

De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de hasjiesj slechts indicatief zijn getest en dat derhalve niet vast staat dat de aangetroffen stof een stof is die verboden is op grond van de Opiumwet.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de hasjiesj zijn gewogen op een niet-geijkte weegschaal en dat daarom enkel het aanwezig hebben van 'een hoeveelheid' hasjiesj bewezen kan worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben gerelateerd dat op 5 juni 2012 de woning gelegen aan de [adres 1] te 's-Hertogenbosch is doorzocht en de navolgende zaken in beslag zijn genomen:

- een blok van vermoedelijk hasj, welke is een zwarte plastic tas was verpakt die op een tafel in de woonkamer lag,

- een blokje van vermoedelijk hasj, 1 ponypak, aangetroffen op een bijzettafel in de woonkamer, en

- gripzakje met klein blokje, vermoedelijk hasj.9

Verdachte heeft verklaard dat het klopt dat het blok in de zwarte plastic tas en het blok aangetroffen op de bijzettafel hasjiesj betroffen. De hasjiesj is zijn eigendom en bestemd voor eigen gebruik.10

Verbalisant [verbalisant 3], gecertificeerd voor het wegen en testen van bewustzijnsveranderende middelen c.q. verdovende middelen, heeft verklaard op 7 juni 2012 in het kader van een onderzoek brokken te hebben onderzocht die in beslag genomen zijn onder verdachte. De ter beschikking gestelde goederen zijn door verbalisant beschreven, gewogen en getest:

- Het brokje had, exclusief verpakkingsmateriaal een totaalgewicht van 0.1 gram.

De test gaf een positieve indicatie op hasjiesj.

- Het brokje had, exclusief verpakkingsmateriaal een totaalgewicht van 4.9 gram.

De test gaf een positieve indicatie op hasjiesj.

- Het blok had, exclusief verpakkingsmateriaal een totaalgewicht van 204,3 gram,

De test gaf een positieve indicatie op hasjiesj.11

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben de in beslag genomen blokken aangemerkt als zijnde vermoedelijk hasj. Verbalisant [verbalisant 3] heeft de blokken getest. Deze tests gaven een positieve indicatie op hasjiesj. Verdachte gebruikt hasjiesj. Verdachte heeft verklaard dat twee blokken van hem waren en inderdaad hasjiesj betroffen. De rechtbank is van oordeel dat hiermee wettig en overtuigend is bewezen dat de in beslag genomen goederen hasjiesj betroffen.

Nu de hasjiesj op een niet-geijkte weegschaal zijn gewogen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte aanwezig heeft gehad 'ongeveer' 209,3 gram hasjiesj.

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna is bewezen verklaard.

De bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 04 juni 2012 te 's-Hertogenbosch [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met het oogmerk [betrokkene 1] te dwingen iets te doen, te weten het betalen van geld, immers heeft hij, verdachte,

- meermalen op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die die [slachtoffer] geslagen en

- die [slachtoffer] opgetild en een woning binnen gebracht en

- door middel van het door de situatie ontstane verschil in verhoudingen die [slachtoffer] bewogen zijn kleding uit te trekken en een schuur en een woning binnen te gaan en

- die [slachtoffer] opgesloten in een schuur,

en daarbij meermalen de moeder van die [slachtoffer], te weten [betrokkene 1], gebeld en medegedeeld dat

- hij, verdachte, haar zoon, te weten voornoemde [slachtoffer], vasthield en had aangehouden voor inbraak in zijn, verdachtes, woning en

- hij, verdachte, 2500 euro schade had en dat dat betaald moest worden en dat hij, verdachte, anders de politie zou bellen en

- haar zoon, te weten voornoemde [slachtoffer], opgesloten was in de schuur en

- hij, verdachte, wilde weten wie de andere man was en dat hij, verdachte, haar zoon, te weten voornoemde [slachtoffer], dan pas zou laten gaan en

- zij voor geld moest zorgen of dan maar de verzekering moest gaan bellen omdat hij, verdachte, schade had.

2.

op 04 juni 2012 te 's-Hertogenbosch opzettelijk mishandelend [slachtoffer] meermalen op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

4.

op 04 juni 2012 te 's-Hertogenbosch opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 209,3 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde

hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft ontslag van alle rechtsgevolgen bepleit voor het onder 2 bewezen verklaarde. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte [slachtoffer] heeft geslagen uit noodweer, dan wel dat er sprake is van noodweerexces.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat er geen sprake is van noodweer, dan wel noodweerexces. De officier van justitie heeft hiertoe gesteld dat er geen sprake was van een noodweersituatie, nu er geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding gaande was op het moment dat verdachte [slachtoffer] sloeg.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte lag samen met zijn vriendin in bed, toen hij werd geconfronteerd met een inbreker die was binnengedrongen in zijn woning.

De rechtbank is van oordeel dat er op het moment van confrontatie sprake was van een noodweersituatie. Het binnendringen in de woning levert een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding op, waartegen verdachte zich mocht verdedigen.

Verdachte is achter de inbreker van zijn woning aangerend. Buiten de woning zag hij een tweede inbreker ([slachtoffer]) in de tuin staan. [slachtoffer] rende weg en werd tegengehouden door [getuige 1]. Toen verdachte [slachtoffer] had ingehaald heeft hij hem geslagen.

Op het moment dat verdachte [slachtoffer] sloeg, was er geen sprake meer van een noodweersituatie. De inbreker had zijn woning inmiddels verlaten en [slachtoffer] werd vastgehouden door zijn vriend [getuige 1].

Nu er naar het oordeel van de rechtbank op het moment van het slaan geen sprake meer was van een noodweersituatie, verwerpt zij het beroep op noodweer.

Ten aanzien van het beroep op noodweerexces overweegt de rechtbank als volgt.

Indien een noodweersituatie reeds is beëindigd, kan er toch sprake zijn van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, indien de gedraging van de verdachte het onmiddellijke gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande aanranding.

Verdachte werd terwijl hij in zijn woning in bed lag, plotseling geconfronteerd met een inbreker. Verdachte is na de confrontatie met de inbreker onmiddellijk uit bed gesprongen en in zijn boxershort en op blote voeten achter de inbreker aangerend. Buiten trof hij [slachtoffer] aan die hij, nadat deze werd vastgehouden door [getuige 1], direct heeft geslagen. [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte zeer boos en link was, omdat er in zijn huis was ingebroken.

Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank het aannemelijk dat de boosheid en het slaan van [slachtoffer] veroorzaakt was door de inbraak in de woning en aldus het onmiddellijke gevolg is geweest van de door de inbraak veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. De rechtbank is van oordeel dat er derhalve sprake is van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging.

Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat er bij verdachte op het tijdstip van het onder feit 2 bewezen verklaarde slaan buiten de woning, sprake was van noodweerexces.

Voor wat betreft het slaan in de woning, overweegt de rechtbank als volgt.

Blijkens de verklaring van [slachtoffer], getuigen [getuige 2] en [getuige 1] heeft verdachte [slachtoffer] ook geslagen in de woning. Er was op dat moment geen sprake meer van een noodweer- of noodweerexcessituatie. Het tegen [slachtoffer] gebruikte geweld was gelet op de ongelijke machtsverhouding tussen verdachte en [slachtoffer] - [slachtoffer] was ontkleed en er waren nog tenminste twee andere personen in de woning - niet noodzakelijk om te voorkomen dat die [slachtoffer] zich aan de aanhouding zou onttrekken. Verdachte had immers na de aanhouding van

[slachtoffer] de politie moeten bellen. Voor de mishandeling in de woning is ontslag van alle rechtsvervolging niet aan de orde.

Met betrekking tot de overige feiten is de rechtbank van oordeel dat er geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die de strafbaarheid van de feiten en/of van verdachte uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen ten aanzien van deze feiten bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist:

- een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, en

- niet-ontvankelijkheid verklaren van de benadeelde partij in de vordering.

De officier van justitie heeft bij het bepalen van zijn strafeis rekening gehouden met de ernst van de feiten, de gevolgen voor het slachtoffer en de justitiële documentatie van verdachte.

De officier van justitie heeft benadrukt dat gepast geweld ter aanhouding is toegestaan, maar dat verdachte veel te ver is gegaan. De officier van justitie is van mening dat verdachte dusdanig buitenproportioneel heeft gehandeld dat een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf gepast is.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zijnde 99 dagen.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf, dan wel een werkstraf op te leggen.

De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat een groot gedeelte van de ten laste gelegde feitelijkheden niet bewezen kunnen worden en hiermee rekening dient te worden gehouden bij het bepalen van de strafmaat.

De raadsman heeft benadrukt dat verdachte een inbreker in zijn woning heeft betrapt en dat het handelen van verdachte het directe gevolg is geweest van deze inbraak. De raadsman is van oordeel dat gezien de omstandigheden van het geval een aanzienlijk lagere straf gepast is dan door de officier van justitie is geëist.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd beoordeelt de rechtbank de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte is geconfronteerd met een inbraak in zijn woning. Verdachte is achter de inbreker aangerend en heeft vervolgens [slachtoffer], die op de uitkijk stond, te pakken gekregen. Hij heeft [slachtoffer] geslagen, gedwongen zijn kleren uit te trekken en anderhalf uur opgesloten in zijn woning en schuur. Deze situatie is zeer beangstigend geweest voor [slachtoffer]. Niet alleen heeft verdachte geweld gebruikt tegen [slachtoffer], hij heeft die [slachtoffer] in een agressieve sfeer anderhalf uur in onzekerheid gelaten over wat er met hem zou gebeuren. Daarnaast heeft verdachte [slachtoffer] vernederd door hem zijn kleren uit te laten trekken. Ook heeft verdachte de moeder van [slachtoffer] angstige momenten bezorgd door haar te bellen en mede te delen dat hij haar zoon vasthield en pas zou laten gaan als zij hem geld zou betalen.

De rechtbank stelt voorop dat het de bewoner van een woning is toegestaan zich te verdedigen tegen personen die zijn woning binnendringen. Ook is het hem toegestaan om inbrekers aan te houden om die over te dragen aan de politie en bij die aanhouding, indien de inbrekers zich verzetten tegen de aanhouding, gepast geweld te gebruiken. Zoals hiervoor bij de bespreking van het beroep op noodweerexces reeds is overwogen kan het, indien de bewoner de grens van de noodzakelijke verdediging overschrijdt, onder omstandigheden zelfs verschoonbaar zijn indien de overschrijding het gevolg is van emoties veroorzaakt door de inbraak.

De rechtbank is echter van oordeel dat verdachte fors de grens van wat nog is toegestaan heeft overschreden toen hij besloot omwille van hem moverende redenen niet de politie te bellen, maar door middel van gijzeling van [slachtoffer] op de wijze zoals hiervoor beschreven, diens moeder te dwingen ervoor te zorgen dat hij schadeloos werd gesteld en [slachtoffer] en zijn moeder te dwingen gegevens over de identiteit van de mededader te verstrekken teneinde op deze mededader verhaal te kunnen halen.

De rechtbank is van oordeel, dat gelet op de ernst van dit feit in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt.

De rechtbank zal echter een aanzienlijk lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie (de rechtbank spreekt verdachte vrij van de mishandeling met het strijkijzer), maar ook omdat de rechtbank de bewezen verklaarde feiten anders waardeert. Hoewel gijzeling een ernstig strafbaar feit is acht de rechtbank in de gegeven situatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden geen recht doen aan de omstandigheden van het geval.

De rechtbank betrekt bij het bepalen van de straf de volgende omstandigheden in het voordeel van verdachte.

Aanleiding voor het tegen [slachtoffer] gebruikte onrechtmatig handelen van verdachte was de inbraak in zijn woning, waarbij [slachtoffer] één van de daders was. De rechtbank overweegt nogmaals dat hierin geen rechtvaardiging kan worden gevonden voor de gijzeling, maar de omstandigheid dat [slachtoffer] even tevoren betrokken was bij de woninginbraak in de woning waar verdachte lag te slapen, kleurt wel de context waarin het gebeuren heeft plaats gevonden en is daarmee in matigende zin van invloed op de strafmaat.

Verder weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee dat de wederrechtelijke vrijheidsberoving een relatief korte tijd heeft geduurd, waarbij de duur van de vrijheidsberoving voor een belangrijk deel verband hield met de duur van de telefoongesprekken met de moeder van [slachtoffer]. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte na anderhalf uur alsnog uit eigen beweging de politie heeft gebeld en dat deze melding uiteindelijk heeft geleid tot zijn aanhouding, waarna hij ruim drie maanden in voorarrest heeft gezeten. Tenslotte betrekt de rechtbank bij de straftoemeting in het voordeel van verdachte dat hij de strafwaardigheid van zijn handelen inziet.

De rechtbank zal een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw te kiezen voor eigenrichting of andere strafbare feiten te plegen.

Tevens acht de rechtbank een werkstraf geïndiceerd.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. De officier van justitie is van mening dat de verdere behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en bij de civiele rechter dient te worden aangebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat het materiële gedeelte van de vordering toegewezen kan worden. De raadsman heeft zich voor het overige gedeelte van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De vergoeding van de immateriële schade door middel van een geldsom wordt beschouwd als een genoegdoening, die weliswaar niet - zoals dat bij vergoeding van vermogensschade het geval is - een herstel betekent, maar waardoor toch een verzachting van het leed kan worden bereikt en het geschokte rechtsgevoel van de getroffene kan worden bevredigd. Het is aan de rechter de schadevergoeding naar billijkheid vast te stellen, waarbij hij met alle omstandigheden van het geval rekening moet houden.

De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij door te gaan inbreken in de privéwoning van een persoon, zelf een spanningsvolle en angstopwekkende situatie heeft gecreëerd. Een inbreker moet erop voorbereid zijn dat de bewoner, wanneer hij de inbreker overloopt, op heftige wijze zal reageren. Het gegeven dat, zoals in de onderhavige zaak, de bewoner in reactie op de inbraak een strafbaar feit dan wel strafbare feiten pleegt, maakt nog niet dat de benadeelde partij recht op schade heeft. De benadeelde partij (de inbreker) zal de schade dienen te onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij zijn vordering vooralsnog onvoldoende onderbouwd en zou behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

De rechtbank zal de benadeelde partij derhalve niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57, 282a, 300

Opiumwet art. 3, 11.

DE UITSPRAAK

De rechtbank

Spreekt verdachte vrij van feit 3:

Verklaart het overige ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:

gijzeling

T.a.v. feit 2:

mishandeling

T.a.v. feit 4:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 aanhef en onder

C, van de Opiumwet gegeven verbod

Verklaart verdachte strafbaar ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 en feit 4.

Legt op de volgende straffen:

T.a.v. feit 1 primair, feit 2 en feit 4:

Gevangenisstraf voor de duur van 210 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank zal een gedeelte van deze gevangenisstraf, voor een gedeelte van 111 dagen, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van 2 jaar.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2 en feit 4:

Werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2 en feit 4:

Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachto[slachtoffer]:

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

Veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot heden

begroot op nihil.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A. de Boer, griffier,

en is uitgesproken op 24 december 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Brabant-Noord, genummerd PL21XO2012058647.

2 Het proces-verbaal van aanhouding van [slachto[slachtoffer] d.d. 4 juni 2012, p. 37 en het proces-verbaal van verhoor van [slachto[slachtoffer] d.d. 5 juni 2012 p. 57-58.

3 Het proces-verbaal van verhoor van [slachto[slachtoffer] d.d. 5 juni 2012, p. 59-61.

4 Rapportage letselbeschrijving d.d. 4 juni 2012, p. 250-251.

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 10 december 2012.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 juni 2012, p. 105-106.

7 Het proces-verbaal van verhoor van [getuig[getuige 1] op 12 juni 2012, p. 95, 96 en 98

8 Het proces-verbaal van verhoor van [getu[getuige 2] d.d. 6 juni 2012, p. 90

9 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juni 2012, p. 115-117.

10 Het proces-verbaal van verhoor verdacht d.d. 7 juni 2012, p. 130.

11 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 juni 2012, p. 188-189.