Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BY6983

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
01/035041-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen gemaximeerde tbs. In het vonnis ontbreekt de overweging dat het misdrijf is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam. Uit de bewezenverklaring en kwalificatie blijkt echter onmiskenbaar dat het een misdrijf is als bedoeld in artikel 38e Sr. Veiligheid van anderen danwel de algemene veiligheid van personen eist niet langer de verlenging van de tbs. Afwijzing verlenging tbs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/035041-99

Uitspraakdatum: 21 december 2012

Beslissing verlenging terbeschikkingstelling

Beslissing in de zaak van:

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946,

verblijvende in de [kliniek].

Het onderzoek van de zaak.

Bij vonnis van de rechtbank van 11 november 1999 is betrokkene ter beschikking gesteld. De rechtbank heeft bij beslissing van 17 december 2009 de verpleging van overheidswege voorwaardelijk beëindigd. De terbeschikkingstelling is steeds verlengd, voor het laatst door het gerechtshof te Arnhem bij beslissing van 25 juni 2012 met een termijn van een jaar

De vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank van 22 oktober 2012, ingekomen op 23 oktober 2012, strekt tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling voor de duur van twee jaren.

Deze vordering is behandeld ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 december 2012.

Hierbij zijn de officier van justitie, een reclasseringsmedewerker als deskundige, de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman gehoord.

In het dossier bevinden zich onder andere:

- het advies van de Reclassering d.d. 26 september 2012;

- het Pro Justitia rapport psychiatrisch onderzoek van A. Boksem, psychiater, d.d. 24 september 2012;

- de beslissing van het gerechtshof te Arnhem van 25 juni 2012;

- het verkorte vonnis van deze rechtbank van 11 november 1999;

- het persoonsdossier van terbeschikkinggestelde.

De beoordeling.

De terbeschikkingstelling is toegepast ter zake van poging tot opzettelijk een ontploffing teweeg brengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is en diefstal door middel van braak en inklimming.

In het advies van de Reclassering is vermeld:

"Conclusie

De reclassering constateert dat de heer [terbeschikkinggestelde] zich het afgelopen jaar aan de opgelegde voorwaarden en afspraken heeft gehouden. Wij vernemen van de instelling waar hij verblijft, [instelling], dat de heer [terbeschikkinggestelde] meer ingebed is, zich begeleidbaar opstelt en initiatieven neemt die er mogelijk op duiden dat hij meer vrede heeft met zijn huidige woonomgeving. (...)

Advies

(...) Uit voorgaande conclusie blijkt dat betrokkene in de huidige setting goed functioneert, waardoor de kans op recidive gering is. De belangrijkste vraag is of de heer [terbeschikkinggestelde] bereid is, om in een vrijwillig kader, bij [instelling], of een soortgelijke instelling, te blijven wonen. Ook als er sprake is van onvrede en/of frustraties richting begeleiding/instelling. De Reclassering zet hier vraagtekens bij (...) Indien betrokkene wel besluit de instelling te verlaten, dan zal de kans op recidive toenemen wanneer betrokkene verzeild raakt in het scenario van een, in de beleving van betrokkene, relatie en er binnen deze relatie sprake is van afwijzing en krenking. Zonder sturing en begeleiding kan een dergelijke situatie leiden tot impulsieve agressieve gedragingen richting de andere persoon.

Bovenstaande afgewogen concludeert de reclassering, specifiek kijkend naar de risico's, dat de maatregel TBS noodzakelijk is om recidiveren te voorkomen. (...) Omdat het huidige beeld naar verwachting niet zal veranderen, en de periode voor de rechtszitting veel onrust geeft bij de heer [terbeschikkinggestelde], adviseert de reclassering een verlenging van 2 jaren."

De terbeschikkinggestelde heeft verklaard, kort en zakelijk weergegeven:

Als de terbeschikkingstelling eindigt, wil ik de psychiatrie in [gemeente] in. Een verlengingszitting geeft wel spanning, maar leidt er anderzijds ook toe dat er gesprekken op gang komen. Er is mij verteld door de reclassering dat de maatregel er mogelijk vanaf zou gaan als ik zou meewerken, maar nu wordt weer een verlenging gevorderd, terwijl ik goed heb meegewerkt. Ik heb er geen zin meer in.

De deskundige, de heer [naam], optredend namens de Reclassering, heeft bij de behandeling ter terechtzitting gepersisteerd bij voornoemd advies.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het met betrokkene het afgelopen jaar beter is gegaan dan voorheen, maar dat de situatie onveranderd is en de reclassering hier moeite mee heeft. De officier van justitie acht een verlenging noodzakelijk, maar zegt moeite te hebben met een verlenging van twee jaren. De officier van justitie vordert een verlenging van de maatregel met één jaar zodat binnen dat jaar wordt gekeken naar de overgang die er zal moeten komen.

Gemaximeerde TBS

Ter terechtzitting heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet langer verlengd kan worden omdat de in 1999 opgelegde terbeschikkingstelling met dwangverpleging is gemaximeerd tot een periode van vier jaar. Hij onderbouwt zijn stelling met een verwijzing naar het arrest 'Van der Velden' van het Europese Hof van de rechten van de mens (EHRM). Ten aanzien van de "evidentie-jurisprudentie" van het Hof Arnhem, de appelrechter ten aanzien van verlengingsbeslissingen van de maatregel terbeschikkingstelling, heeft hij aangevoerd dat deze geen steun vindt in het arrest van het EHRM.

In essentie komt het verweer er op neer dat in het vonnis van 1999 niet is opgenomen dat de terbeschikkingstelling is opgelegd voor een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam voor een of meer personen als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Dit is in strijd met het motiveringsvoorschrift van artikel 359, zevende lid, van het wetboek van Strafvordering (Sv) en leidt tot de conclusie dat verdere verlenging van de terbeschikkingstelling in strijd is met de wet.

De officier van justitie is van oordeel dat uit het vonnis van 1999 blijkt dat de terbeschikkingstelling is opgelegd voor een misdrijf dat gevaar oplevert voor de onaantastbaarheid van het lichaam en dat er derhalve geen sprake is van een gemaximeerde terbeschikkingstelling.

Het oordeel van de rechtbank

Wettelijk kader en jurisprudentie

Het uitgangspunt van het wettelijk systeem is dat de duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging maximaal vier jaar bedraagt. Dit uitgangspunt leidt uitzondering indien er sprake is van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam voor een of meer personen. Alsdan geldt niet de maximumtermijn van vier jaar. Indien de terbeschikkingstelling met dwangverpleging voor een dergelijk misdrijf wordt opgelegd, moet ingevolgde artikel 359, zevende en achtste lid, Sv het vonnis daarvan op straffe van nietigheid de redenen aangeven.

In het arrest 'Van der Velden' van het EHRM van 31 juli 2012 (nr. 21203/10, LJN: BX9093) werd in Straatsburg geklaagd over schending van artikel 5 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechter die de terbeschikkingstelling met dwangverpleging oplegde had niet vastgesteld dat de terbeschikkingstelling werd opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht was tegen of gevaar veroorzaakte voor de onaantastbaarheid van het lichaam voor een of meer personen. Het Hof Arnhem oordeelde bij de betreffende verlengingsbeslissing (in hoger beroep) niettemin dat de oorspronkelijke veroordeling een dergelijk misdrijf betrof. Volgens de klager vond de vrijheidsberoving die het resultaat was van de verlengde maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging aldus niet plaats overeenkomstig de bij wet voorgeschreven procedure ("a procedure prescribed by law") en was die verlenging derhalve in strijd met artikel 5 EVRM.

Het EHRM benadrukte in zijn arrest onder meer een van zijn algemene uitgangspunten:

"(...) where deprivation of liberty is concerned it is particularly important that the general principle of legal certainty be satisfied. It is therefore essential that the conditions for deprivation of liberty under domestic and/or international law be clearly defined and that the law itself be foreseeable in its application, so that it meets the standard of 'lawfulness' set by the Convention, a standard which requires that all law be sufficiently precise to avoid all risk of arbitrariness and to allow the citizen - if need be, with appropriate advice - to foresee, to a degree that is reasonable in the circumstances of the case, the consequences which a given action may entail."(par.31)

Voorts stelde het onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van de artikelen 38e Sr en 359, zevende lid, Sv:

"(...) that the domestic legislature intends the trial court which first imposes the TBS order with confinement in a custodial clinic to consider whether the indictable offence committed is such as to warrant an order of indeterminate length. If the trial court so finds, it must so state in its judgment, giving reasons therefore; if it does not, the order cannot be indeterminate. It is not then for the court which decides on the extension of the order to substitute its own view of the matter for that of the trial court."(par. 33)

Uiteindelijk bereikte het de conclusie dat de vaststelling van het Hof Arnhem bij de verlengingsbeslissing, dat de oorspronkelijke veroordeling plaats had gevonden ter zake van een misdrijf als bedoeld in artikel 38e Sr, in strijd was met de nationale wet en derhalve in strijd met artikel 5 EVRM.

Het Hof Arnhem, de hoogste rechter in Nederland in zaken betreffende de verlenging van terbeschikkingstelling, verwoordt de kern van het arrest 'Van der Velde' zakelijk weergegeven als volgt.

Het is niet aan de verlengingsrechter om door middel van interpretatie van de uitspraak van de opleggingsrechter alsnog vast te stellen of de terbeschikkingstelling al dan niet is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Ontbreekt de voorgeschreven motivering, dan kan de terbeschikkingstelling niet van onbepaalde duur zijn en moet het er dus voor gehouden worden dat de terbeschikkingstelling is gemaximeerd.

In het geval de voorgeschreven motivering in het vonnis waarbij de terbeschikkingstelling is opgelegd ontbreekt, kan slechts worden aangenomen dat de terbeschikkingstelling niet gemaximeerd is tot vier jaar indien op grond van het vonnis zonder meer evident is dat de terbeschikkingstelling is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gevaar oplevert voor de onaantastbaarheid van het lichaam." (LJN: BX8788, Gerechtshof Arnhem, 1 oktober 2012)

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat deze "evidentie-jurisprudentie" zich wel verdraagt met de Europese rechtspraak. De benadering van het Hof Arnhem sluit aan bij de al vele jaren bestaande standaardrechtspraak, die in het arrest 'Van de Velden' wordt weergegeven als algemeen uitgangspunt, over het in het EVRM gebezigde materiële wetsbegrip. Indien uit het vonnis zonder meer evident blijkt dat de maatregel van terbeschikkingstelling niet is gemaximeerd, kan niet worden gesteld dat die verlenging niet voorzienbaar is geweest en dat afbreuk wordt gedaan aan de door artikel 5 EVRM geboden bescherming tegen willekeurige vrijheidsberoving.

Is de terbeschikkingstelling gemaximeerd tot 4 jaar?

In het onderhavige geval is de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd bij vonnis van deze rechtbank van 11 november 1999. De dwangverpleging is op 17 december 2009 voorwaardelijk beëindigd. Indien de in 1999 opgelegde terbeschikkingstelling is gemaximeerd tot vier jaar leidt dit tot de conclusie dat eerdere verlengingen van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging hebben plaatsgevonden in strijd met de wet. De terbeschikkingstelling met dwangverpleging is opgelegd ter zake van de misdrijven:

1. poging tot opzettelijk een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is;

2. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Als feit 1 is bewezen verklaard dat betrokkene

(...) te Helmond (...) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen in perceel [adres], waardoor gemeen gevaar voor goederen, te weten de belendende percelen en levensgevaar voor de zich bij of in die woning bevindende personen te duchten zou zijn geweest, opzettelijk met voormeld oogmerk die woning is binnengedrongen en in die woning de pitten van een aldaar aanwezig gasfornuis heeft opengedraaid, waardoor gas zich verspreidde door de keuken en de woonkamer van dat perceel, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hoewel in het vonnis een nadere overweging, inhoudende dat het misdrijf is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam, ontbreekt, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de bewezenverklaring en kwalificatie onmiskenbaar dat het onder feit 1 bewezen verklaarde feit een misdrijf is als bedoeld in artikel 38e Sr. Dit kan door een ieder zonder meer als evident worden vastgesteld. Er is derhalve in 1999 een maatregel terbeschikkingstelling opgelegd die niet tot vier jaar is gemaximeerd.

Proportionaliteit

Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging strijd oplevert met het beginsel van proportionaliteit. De officier van justitie is van oordeel dat verlenging van de maatregel niet disproportioneel is.

Het oordeel van de rechtbank

De terbeschikkingstelling van betrokkene is ingegaan op 26 november 1999 en loopt dus thans in totaal 13 jaren.

De dwangverpleging is voorwaardelijk beëindigd op 17 december 2009.

Het Hof Arnhem heeft bij herhaling geoordeeld dat bij een afweging tussen de belangen van de terbeschikkinggestelde enerzijds en van de maatschappij anderzijds naar mate de maatregel van terbeschikkingstelling langer duurt, het belang van de terbeschikkinggestelde steeds zwaarder dient te wegen. Met inachtneming hiervan oordeelt de rechtbank als volgt.

De rechtbank neemt het tijdsverloop in relatie tot de ernst van de delicten waarvoor de terbeschikkingstelling is opgelegd mede in aanmerking bij de verlengingsbeslissing. De feiten waarvoor de maatregel is opgelegd betreffen feiten van relatief geringe aard; het is wat betreft het teweeg brengen van een ontploffing bij een poging gebleven.

Betrokkene heeft een lange behandeling achter de rug en is thans uitbehandeld. De rechtbank schat in dat het risico dat betrokkene zich na beëindiging van de terbeschikkingstelling schuldig zal maken aan het plegen van ernstige geweldsdelicten gering is. Er is enig recidivegevaar maar dit is tot een aanvaardbaar niveau teruggebracht. Betrokkene heeft ter terechtzitting meegedeeld zelf psychiatrische hulp te zullen zoeken en de raadsman heeft toegezegd ondersteuning te zullen bieden bij een Rechterlijke Machtiging of een vrijwillige opname.

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank, overeenkomstig het standpunt van de verdediging, van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen niet langer verlenging van de terbeschikkingstelling eist, dat de vordering van de officier van justitie dient te worden afgewezen en dat de terbeschikkingstelling dient te worden beëindigd. Dit betekent dat de rechtbank niet meer toekomt aan beoordeling van de overige meer subsidiair bepleite standpunten zijdens de verdediging.

DE BESLISSING

De rechtbank:

Wijst af de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

Deze beslissing is gegeven door

mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter,

mr. C.A. Mandemakers en mr. N.I.B.M. Buljevic, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. de Bruijn-van der Sluijs, griffier,

en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 december 2012.