Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BY5620

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
13-12-2012
Zaaknummer
01/855092-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

TBS-verlenging met 1 jaar.

Index-feit doodslag. TBS opgelegd 2006.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/855092-05

Uitspraakdatum: 11 december 2012

Beslissing verlenging terbeschikkingstelling

Beslissing in de zaak van:

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende [kliniek]

Het onderzoek van de zaak.

Bij arrest van het gerechtshof te Arnhem van 25 september 2006 is betrokkene ter beschikking gesteld. Deze terbeschikkingstelling is voor het laatst, bij beschikking van deze rechtbank van 23 november 2010 met twee jaar verlengd.

De vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank van 22 oktober 2012 strekt tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling voor de duur van twee jaar.

Deze vordering is behandeld ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 november 2012.

Hierbij zijn de officier van justitie, deskundige en de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman gehoord.

In het dossier bevinden zich onder andere:

- het advies van M.A. van Kessel, GZ-psycholoog en I. van Outheusden, psychiater, clustermanager Behandelzaken FPK, wnd. geneesheer-directeur en plv. hoofd van de inrichting waar betrokkene verblijft, d.d. 27 september 2012;

- een psychiatrisch rapport opgemaakt door M.R. Weeda, psychiater, d.d. 15 oktober 2012 omtrent de geestvermogens van betrokkene;

- een psychologisch rapport opgemaakt door J.J. Baneke, forensisch psycholoog, d.d. 19 oktober 2012, omtrent de geestvermogens van betrokkene;

- de omtrent de terbeschikkinggestelde gehouden wettelijke aantekeningen;

- het persoonsdossier van terbeschikkinggestelde.

De beoordeling.

De terbeschikkingstelling is toegepast ter zake van doodslag, terwijl de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eiste. Het hiervoor genoemde misdrijf betreft een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

In voornoemd advies van het hoofd van de inrichting is onder meer het navolgende gesteld:

Risicotaxatie

Binnen de context van transmuraal verlof verblijft betrokkene inmiddels in de HAT-woning

(aan de kliniek grenzend). In een later stadium kan betrokkene geplaatst worden in een

RIBW in [plaats] in combinatie met een poliklinische behandeling van [instelling].

Binnen deze kaders zal er voldoende structuur zijn en tevens zal er voldoende mogelijkheid

zijn om ervaringen in de buitenwereld te bespreken met begeleiding en behandelaren. Dit

zorgt er voor dat het risico op toekomstig gewelddadig gedrag binnen het kader van

transmuraal verlof als laag wordt ingeschat.

Overwegingen met betrekking tot het onderhavige advies

Patiënt is een inmiddels [leeftijd] man, lijdend aan een psychotische stoornis Niet

Anderszins Omschreven; in de huidige gecontroleerde setting al lange tijd in remissie. In de

aanloop naar het indexdelict is hij in 2005 onder langdurig stressvolle omstandigheden

psychotisch gedecompenseerd na een ernstig brommerongeluk, gevolgd door een lange

revalidatieperiode op [leeftijd] leeftijd, waarbij hij zich emotioneel verwaarloosd heeft

gevoeld door zijn vader. Angst voor herhaling van het (vermeende) seksuele misbruik op

grond van de zowel verbaal als fysiek agressieve benadering door zijn vader heeft

uiteindelijk bijgedragen aan het indexdelict.

De afgelopen twee jaar heeft betrokkene in de cognitieve gedragstherapie en daarbij

gesteund door de vaktherapie en het afdelingsmilieu, geleerd de bij zijn schema’s passende

kerncognities te herkennen, aan te passen of te nuanceren en alternatieven toe te passen.

De huidige stand van zaken is dat de positieve ontwikkeling met name zichtbaar is binnen

individuele contacten en met behandelaren binnen de kliniek.

Grootste aandachtspunt binnen de behandeling is nu, dat de hierboven geschetste

ontwikkeling zich generaliseert naar de context buiten de kliniek. Dit proces staat echter nog

in de kinderschoenen. In deze voor hem mogelijk meer onveilige situaties, is betrokkene

wellicht nog geneigd om in de hierboven beschreven oude patronen terug te vallen en de

strijd aan te gaan bij confrontaties met zijn gedrag. Meer in het algemeen gesproken

kunnen mogelijke confrontaties of conflicten met buitenstaanders/werkgevers, collega’s, die

minder met betrokkene zullen meebewegen, belangrijke tot op heden nieuwe leer- en

oefensituaties voor patiënt opleveren. Deze kan betrokkene vervolgens in de kliniek

bespreken en wat tevens ingebracht kan worden in zijn cognitieve gedragstherapier (CGT).

Het behandelteam acht het noodzakelijk deze fase binnen het kader van transmuraal verlof

nauw te kunnen volgen, alvorens tot de proefverlof fase over te kunnen gaan. Ook het

Adviescollege Verloftoetsing geeft in haar onderbouwing bij de toekenning van het

transmuraal verlof aan: “Het AVT is van oordeel dat de overplaatsing naar een HAT-woning en vervolgens naar een RIBW in één jaar tijd te snel is, zeker nu betrokkene nog geen werk en geen vaste dagbesteding heeft”.

Op het moment dat betrokkene ook onder deze omstandigheden in staat is gebleken zich

voldoende te handhaven, is een aanvraag proefverlof opportuun. Ook in deze fase zal de

kliniek, hoewel wat meer op de achtergrond, nog aanwezig zijn.

Advies

Wij adviseren u de terbeschikkingstelling van patiënt te verlengen met de termijn van twee

jaar.

De terbeschikkinggestelde heeft verklaard, kort en zakelijk weergegeven:

Ik kan mij vinden in een verlenging van de terbeschikkingstelling voor de duur van 1 jaar. Verlenging van de terbeschikkingstelling voor de duur van 2 jaar biedt geen vooruitzicht.

Ik wil naar het RIBW. Eventueel zal ik zelf een huis zoeken. Ik ben op zoek naar werk.

Ik sport buiten de instelling. Op het moment dat ik een goede dagbesteding heb kunnen de proefverloven komen. De kliniek denkt daar ook zo over.

Ik werk nu bij de cliëntenraad.Ik heb ook kritiek op de kliniek. Bepaalde aanvragen hebben zij te laat in behandeling genomen, waardoor er vertraging is ontstaan. Verder zijn er door de kliniek niet altijd de

geschikte middelen ingezet om mij in staat te stellen buiten de kliniek te gaan werken.

Ik heb geen financiële middelen gekregen. Ik werd door de kliniek niet goed geholpen in het doorgroeien. Ik weet nu goed wat ik moet doen of waar ik naar toe moet als ik in de problemen kom. Ik heb veel aan mijzelf gewerkt. Het recidiverisico is dus stukken minder dan voorheen. Ik wil een goed leven opbouwen.

De deskundige I. van Outheusden, psychiater, optredend namens voormelde inrichting, heeft bij de behandeling ter terechtzitting gepersisteerd bij voornoemd advies. Hij heeft voorts het navolgende verklaard, verkort en zakelijk weergegeven:

Het nog te volgen behandeltraject van betrokkene moet stapsgewijs en onder toezicht plaats vinden. Indien de maatregel van terbeschikkingstelling zou vervallen is er een recidiverisico.

Hoewel de uitgebrachte externe rapporten van de psychiater en de psycholoog en het rapport van de kliniek op een aantal punten van elkaar afwijken, ben ik van mening dat in de kern deze rapportages wel met elkaar overeenkomen.

De kliniek is voorstander van geleidelijkheid waarbij niets wordt overgeslagen en dus ook niet het advies van het Adviescollege Verloftoetsing. De kliniek wil een oogje in het zeil houden tijdens de resocialisatie. Dit komt er op neer dat betrokkene aan de slag gaat en werkenderwijs het leven met al zijn problemen leert kennen. Zodoende zal hij sterker worden. Plaatsing naar een meer individuele woonvorm is daarbij niet uitgesloten.

De kliniek ziet niets in een onderzoek naar een mogelijke voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Door de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging zou het toezicht van de kliniek afnemen. Ik zie vooruitgang richting het RIBW-wonen en in de toekomst zelfstandig wonen. Het plan is nu om te zoeken naar een RIBW-woning en naar een dagbesteding voor betrokkene.

De psychiater M.R. Weeda heeft op 15 oktober 2012 een rapport omtrent de geestvermogens van betrokkene opgemaakt. Dit rapport houdt onder meer in:

Bij betrokkene is sprake van een persoonlijkheidsstoornis NAO. Tevens heeft rondom het indexdelict een psychotische stoornis gespeeld en misbruik van cannabis. Momenteel is zeer waarschijnlijk sprake van een geïsoleerde waanstoornis met betrekking tot het seksueel misbruik van vader, echter dit is door onderzoeker niet met zekerheid te stellen en wordt om die reden niet formeel vastgesteld.

(Hoe is het risico op (seksueel) gewelddadig gedrag gestructureerd in te schatten?)

Met gebruikmaking van de HCR-20 als ondersteuning van het klinisch oordeel komt een matig verhoogd risico naar voren wanneer de maatregel van terbeschikkingstelling nu zou worden beëindigd. Bij voortduren van de maatregel is het risico laag.

De persoonlijkheidsstoornis vormt de kernproblematiek en maakt betrokkene kwetsbaar voor het opnieuw ontwikkelen van een psychose. De psychose is uiteindelijk de belangrijkste risicofactor voor geweld want vanuit de persoonlijkheidsproblematiek is nooit eerder of later sprake geweest van gewelddadig gedrag. Een psychose kan worden geluxeerd door hoge stress, heftige emoties van krenking en teleurstelling, en het gebruik van middelen, of een combinatie van deze factoren. Betrokkene is hiertegen beter dan in 2005 beschermd door een combinatie van opgedane kennis en geleerde vaardigheden in de therapie en een steunend netwerk. De kans dat betrokkene echter opnieuw

psychotisch decompenseert en van hieruit agressie zal vertonen is dan ook klein maar niet afwezig. Indien de maatregel nu wordt beëindigd zonder dat er zorgvuldig vorm is gegeven aan de verdere resocialisatie en er samen met betrokkene is gemonitord hoe hij op oplopende stress en veranderingen zal reageren neemt de kans dat betrokkene psychotisch wordt duidelijk toe. De kliniek stelt net als ondergetekende dat het risico op toekomstig gewelddadig gedrag binnen de context van het transmurale verlof laag is. Volgens de risicotaxatie van de kliniek is het risico op toekomstig geweld ‘zonder intensieve begeleiding, vrij in de maatschappij’ matig tot hoog. Dat wijkt enigszins af van de risicotaxatie in onderhavig rapport waar uitgekomen is op een matig risico. Uitgaande van de risicotaxatie van de kliniek de dato begin 2012, bij aanvraag van het transmurale verlof, lijkt de kliniek bet risico op terugval in een psychose als groter in te schatten dan ondergetekende.

Zoals betoogd in onderhavig rapport is het recidiverisico vooral verbonden aan het ontstaan van een psychotische stoornis (uitgebreider dan alleen de vermoedelijk nog steeds spelende waanstoornis waarin de waan gericht is op vader); bij beëindiging van de maatregel nu is op grond van betrokkenes persoonlijkheidsproblematiek te stellen dat de kans op psychische decompensatie groot is, echter de kans dat betrokkene ook daadwerkelijk psychotisch wordt wordt door ondergetekende niet gezien als hoog maar als matig verhoogd.

De klinische behandeling van betrokkene is in feite afgerond. Hij wordt ambulant vervolgd op de forensische polikliniek, hetgeen voortgezet kan worden na beeindigen van de maatregel. Betrokkene lijkt hiertoe duidelijk gemotiveerd. Wat wel nog noodzakelijk is is begeleiding bij het vinden van passende woonruimte en dagbesteding, en monitoring, zowel via de psychotherapeutische behandeling als via de behandelcontacten met de kliniek, van betrokkenes psychisch functioneren in reactie op de onvermijdelijke spanningen die de komende periode van verdere verzelfstandiging met zich mee zal brengen.

Het advies om de maatregel met twee jaar te verlengen wordt door ondergetekende

echter niet onderschreven. Ondergetekende heeft minder zicht op praktische zaken met betrekking tot haalbaarheid en het standpunt van het Adviescollege Verloftoetsing, maar kan op grond van betrokkenes gemaakte progressie, zijn huidige functioneren en zelfstandigheid stellen dat het reëel lijkt om binnen het komende jaar de stap naar een RIBW en passende dagbesteding te maken en de reclassering in te schakelen voor onderzoek naar de mogelijkheden van voorwaardelijke beëindiging van de maatregel.

Dit is ook van belang met het oog op betrokkenes begrijpelijke behoefte aan perspectief.

Op grond van bovenstaande is het advies om de maatregel te verlengen met een jaar.

Het advies is om de maatregel te continueren en in het komende jaar onderzoek te doen naar de mogelijkheid van voorwaardelijke beëindiging.

De psycholoog J.J. Baneke heeft op 19 oktober 2012 een rapport omtrent de geestvermogens van betrokkene opgemaakt. Dit rapport houdt onder meer in:

Betrokkene is mogelijk soms nog wat defensief, maar er zijn geen duidelijke aanwijzingen voor ernstig realiteitsverlies in psychotische zin. Of het seksueel misbruik in betrokkenes jeugd werkelijk heeft plaats gevonden, blijft onduidelijk, en daardoor kan ook

niet goed worden bepaald wat het betekent dat betrokkene (nog steeds) er van overtuigd

is dat dit heeft plaats gevonden. Misbruik van diverse middelen is al vele jaren in remissie, zij het onder (afnemend) toezicht. Er is sprake geweest van een gebrekkige ontwikkeling, die mogelijk geresulteerd heeft in een persoonlijkheidsstoornis met oppositionele

en narcistische trekken, maar deze is dermate sterk afgevlakt dat (in de visie van ondergetekende) er onvoldoende criteria zijn voor de diagnose persoonlijkheidsstoornis. Het

vastgezette been en de daaraan gerelateerde handicap en onmachtsgevoelens kunnen een

negatieve rol spelen bij toenemende stress, maar betrokkene lijkt over het algemeen

goed in staat hiermee om te gaan.

Onderzoeker meent dat de kliniek nog teveel vasthoudt aan een diagnose uit het verleden, en te weinig de actuele ontwikkelingen betrokken heeft bij de diagnostiek.

Het risico op recidive wordt vooral bepaald door het risico op een terugval in een psychose. De psychose tijdens het indexdelict lijkt door zeer specifieke factoren bepaald te

zijn geweest in de periode voorafgaand aan het indexdelict: het ernstige ongeluk, de grte onzekerheid over het ‘redden’ van het been, de afhankelijkheid van vader en anderen,

het middelengebruik en mogelijke herinneringen/herbelevingen van vroegere stressvolle

situaties, zoals moeders ziekte/ziekbed en (mogelijk) seksueel misbruik of als zodanig

geïnterpreteerd gedrag van de kant van vader. De paranoïde ideeën die betrokkene in die

tijd had, generaliseerden zich naar een of meer broers. Van dit alles is al geruime tijd

volstrekt geen sprake meer. De vraag is dan ook op wie betrokkene eventuele gevoelens

van (waanachtige) achterdocht en vijandigheid zal richten (als daar al sprake van zou

zijn), nu zijn vader niet meer leeft en zijn broers in Spanje wonen. Er zijn inmiddels vrij

veel beschermende factoren aanwezig, zodat zeker het directe en iets verder gelegen risico erg beperkt is. Maar ook op langere termijn ziet onderzoeker geen erg grote risico’s.

Onderzoeker heeft een andere inschatting van de risico’s dan de kliniek.

Geadviseerd wordt het huidige beleid met voortvarendheid voort te zetten.

Betrokkene is zelf volop bezig met solliciteren. De sollicitatie waarvoor hij twee keer

een uitnodiging voor een gesprek heeft gehad toen hij door ondergetekende onderzocht

werd, is helaas niet uitgelopen op een baan. Momenteel is hij net uitgenodigd voor een

tweede gesprek voor een sollicitatie als voorraadbeheerder bij een groothandel in

[plaats]. Het blijkt dat zijn terbeschikkingstelling-status een belemmering kan vormen om werk te krijgen. Juist in verband met dit laatste zou de resocialisatie van de kant van de kliniek met meer voortvarendheid ter hand moeten worden genomen.

Het huidige risicomanagement dreigt contraproductief te werken, als het betekent dat de

resocialisatie nog verder vertraagd wordt. Toezicht zal zeker nog wel enige tijd gewenst

zijn, maar dit kan ook plaats vinden door de reclassering. Betrokkenes eigen motivatie

en zijn wens door te gaan met de huidige psychotherapie (cognitieve gedragstherapie)

vormen indicatoren van een positieve ontwikkeling. Als de huidige positieve ontwikkeling zich voortzet, kan gedacht worden aan voorwaardelijke beëindiging van de terbeschikkingstelling.

Geadviseerd wordt de maatregel terbeschikkingstelling met 1 jaar te verlengen dan wel

de terechtzitting enige maanden aan te houden, zodat in de komende periode beoordeeld

kan worden in hoeverre de positieve ontwikkeling zich heeft voortgezet en er geen signalen zijn die wijzen op terugval. Van belang is daarbij dat betrokkene een baan vindt en

in staat blijkt de huidige semi-zelfstandige woonsituatie voort te zetten.

Indien de gunstige ontwikkeling dan voortgezet blijkt te zijn, kan gedacht worden aan

voorwaardelijke beëindiging.

Gedacht kan worden aan voortzetting van de verpleging met 1 jaar.

Ook zou de terechtzitting uitgesteld kunnen worden en aan de reclassering gevraagd

kunnen worden om te adviseren over de haalbaarheid van een voorwaardelijke beëindiging.

Mogelijk kan dan binnen nu en een jaar een voorwaardelijke beëindiging plaats vinden.

De officier van justitie heeft aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven:

Ik persisteer bij mijn vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling met 2 jaar, gelet op het nog bestaande recidiverisico, de te verwachten duur van het behandelplan en de kwetsbaarheid van betrokkene.

De raadsman van de terbeschikkinggestelde heeft aangevoerd, verkort en zakelijk weergegeven:

De externe deskundigen hebben geconcludeerd dat het gevaar voor recidive beperkt is, niettemin adviseren zij de verlenging van de terbeschikkingstelling. Betrokkene kan zich daarin wel vinden maar dan wel een verlenging voor de duur van 1 jaar en niet van 2 jaar. Voor wat betreft de verpleging zoekt de verdediging aansluiting bij het advies van de psycholoog J.J. Baneke. Betrokkene wil meer vrijheden om te bewijzen dat hij zonder dwangverpleging kan en dat externe begeleiding van de reclassering volstaat.

Samenvattend komt het er op neer dat de verdediging instemt met een verlenging van de terbeschikkingstelling met 1 jaar en dat ten aanzien van de verpleging wordt verzocht de zaak thans aan te houden teneinde de reclassering in de gelegenheid te stellen onderzoek te doen naar de haalbaarheid van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging.

Gezien het advies van de inrichting en de rapporten van de externe deskundigen is de rechtbank

, gezien artikel 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht, van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist en wel voor de duur van 1 jaar. Voor wat betreft de duur van de verlenging, te weten één jaar, sluit de rechtbank aan bij het advies van beide genoemde externe deskundigen en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen, zoals hierboven weergegeven.

De rechtbank zal de zaak niet aanhouden omdat zij het, gezien de huidige stand van zaken, te vroeg acht om een onderzoek te doen naar de haalbaarheid van voorwaardelijke beëindiging van de verpleging. Het verzoek van de raadsman op dit punt wordt afgewezen.

DE BESLISSING

De rechtbank:

verlengt de termijn gedurende welke [terbeschikkinggestelde] ter beschikking is gesteld met één jaar.

Deze beslissing is gegeven door

mr. N.M. Spelt, voorzitter,

mr. S.J.W. Hermans en mr. W. Overbosch, leden,

in tegenwoordigheid van L.D. Wittenberg, griffier,

en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 december 2011.

Mr. W. Overbosch voornoemd is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

7

Parketnummer: 01/855092-05

[terbeschikkinggestelde]