Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BY5569

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
10-12-2012
Zaaknummer
244397 - HA ZA 12-239
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Korte samenvatting: Incident zekerheidstelling 224 Rv.

In dit incident vindt geen inhoudelijke beoordeling van het geschil in de hoofdzaak plaats. Het verweer dat de sociale en economische activiteiten van eiseres in de hoofdzaak in Nederland liggen, gaat niet op, nu zij onvoldoende grond heeft gegeven voor het oordeel dat zij in Nederland een filiaal heeft. Voorts niet redelijkerwijs aannemelijk dat verhaal van de proceskosten in Nederland zal kunnen plaatsvinden. Eiseres in de hoofdzaak heeft daartoe geen voldoende specifieke verhaalsinformatie verschaft. De incidentele vordering wordt toegewezen, met wel een matiging van het bedrag waarvoor zekerheid moet worden gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 244397 / HA ZA 12-239

Vonnis in incident van 5 december 2012

in de zaak van

de rechtspersoon naar het recht van het Verenigd Koninkrijk

INTERWEAR LTD.,

gevestigd te Hong Kong,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. G. de Gelder te Woudenberg,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

THE TACK FACTORY B.V.,

gevestigd te Erp,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaten mr. S.J. Bruins Slot en mr. D.H. Smaling te 's Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna Interwear en TTF genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de incidentele conclusie tot zekerheidstelling voor proceskosten (met producties) van TTF van 6 juni 2012;

- de incidentele conclusie van antwoord in het incident (met productie) van Interwear van 20 juni 2012;

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. Met een beroep op artikel 224 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv), vordert TTF dat Interwear zekerheid stelt voor de proceskosten met veroordeling van Interwear in de kosten van het incident. Het bedrag van de zekerheidstelling door Interwear begroot TTF op in totaal EUR 11.635,50. Daarbij gaat TTF uit van:

- EUR 3.621,- wegens griffierecht;

- EUR 7.815,50 wegens advocaatkosten (5,5 punten tegen een liquidatietarief van EUR 1.421,- per punt; tarief V);

- EUR 199,- wegens nakosten.

2.2. Interwear voert hiertegen verweer, kort samengevat inhoudende:

1. TTF heeft volgens Interwear geen recht op en belang bij haar incidentele vordering, nu reeds volstrekt duidelijk is dat (een substantieel deel van) de vordering van Interwear zal worden toegewezen.

2. De sociale en economische activiteiten van Interwear liggen in Nederland. Interwear heeft daarmee een filiaal en dus op grond van artikel 1:14 BW woonplaats in Nederland, zodat artikel 224 Rv toepassing mist.

3. Verder acht Interwear het redelijkerwijs aannemelijk dat verhaal voor een veroordeling tot betaling van proceskosten in Nederland mogelijk zal zijn (vgl. artikel 224, lid 2, onder c Rv).

4. Meer subsidiair stelt Interwear dat TTF teveel proceshandelingen begroot; het bedrag waarvoor zekerheid moet worden gesteld dient volgens Interwear te worden gematigd.

2.3. De rechtbank stelt voorop dat thans enkel voorligt de vraag of Interwear zekerheid dient te stellen voor de proceskosten. Een inhoudelijke beoordeling van het geschil in de hoofdzaak is daarbij niet aan de orde. Overigens heeft TTF in de hoofdzaak nog niet geconcludeerd voor antwoord. Wel heeft TTF in het kader van dit incident de vorderingen van Interwear in de hoofdzaak betwist. Het verweer van Interwear onder 1 kan daarom niet slagen.

2.4. Bij haar verweer onder 2 beroept Interwear zich op artikel 1:14 BW, waaruit volgt dat een rechtspersoon die een kantoor of filiaal houdt, ten aanzien van aangelegenheden die dit kantoor of filiaal betreffen mede aldaar woonplaats heeft. Ter feitelijke onderbouwing heeft Interwear erop gewezen dat zij een filiaal houdt in Nederland en wel aanvankelijk in Baarn, thans te Zeist. Alleen de productie van de geleverde goederen vindt in Hong Kong plaats. In het filiaal in Nederland worden de goederen ontworpen, wordt de voorraad gehouden, worden de onderdelen besteld en heeft het overleg tussen partijen plaatsgevonden. Verder heeft Interwear erop gewezen dat de twee directeuren van Interwear Nederlanders zijn, althans dat Interwear mede wordt geleid door Ethics Group B.V., gevestigd eerst te Baarn en thans te Zeist. Bovendien belden de medewerkers van TTF met de medewerkers van Interwear in Baarn/Zeist als er problemen waren over facturen. Verder betaalde TTF de facturen van Interwear op haar Nederlandse bankrekening bij de Rabobank Vijfheerenlanden. Op grond hiervan is Interwear van mening dat het centrum van de beroeps- en bedrijfswerkzaamheden van Interwear zich in Nederland bevindt.

De rechtbank kan Interwear in haar verweer onder 2 niet volgen. Of een vennootschap ingevolge artikel 1:14 BW een filiaal in Nederland houdt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In de door Interwear aangedragen omstandigheden, ziet de rechtbank onvoldoende grond om te kunnen concluderen dat Interwear een filiaal in Nederland houdt. Er is gesteld noch gebleken dat Interwear zelf de kantoorruimte te Baarn/Zeist huurt of in eigendom heeft. Verder heeft Interwear ter zitting desgevraagd verklaard dat de personeelsleden die in de betreffende kantoorruimte werkzaam zijn, niet in dienst zijn bij Interwear, maar arbeidsovereenkomsten hebben met Ethics Group B.V. De omstandigheid dat de bestuurders en/of aandeelhouders van Interwear Nederlandse natuurlijke dan wel rechtspersonen zijn, legt onvoldoende gewicht in de schaal. Overigens heeft TTF onbetwist gesteld dat één van de aandeelhouders van Interwear de te Hong Kong gevestigde onderneming Siripen Limited is en dat één van de bestuurders van Interwear, [...], woonachtig is in Hong Kong.

Verder heeft TTF ter zitting gemotiveerd betwist dat zij met Interwear gesprekken heeft gevoerd in Baarn. Volgens TTF heeft zij uitsluitend overleg gevoerd in Baarn met vertegenwoordigers van Ethics Group B.V. in de tijd dat TTF rechtstreeks met Ethics zaken deed. Op deze stellingen heeft Interwear vervolgens niet nader gemotiveerd gereageerd, zodat de rechtbank ze in deze incidentele procedure voor waar aanneemt.

Tegen deze achtergrond biedt hetgeen Interwear overigens aan haar beroep op artikel 1:14 BW ten grondslag heeft gelegd, daarvoor onvoldoende onderbouwing. Het verweer van Interwear onder 2 faalt derhalve.

2.5. Nu het ervoor moet worden gehouden dat Interwear in Nederland geen woon- of gewone verblijfplaats heeft, dient zij op grond van het eerste lid van artikel 224 Rv in beginsel de gevorderde zekerheid te stellen. In het tweede lid van dat artikel zijn de gevallen genoemd, waarin van dat beginsel moet worden afgeweken. Het verweer van Interwear onder 3 heeft betrekking op één van deze uitzonderingsgevallen.

2.6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Interwear echter niet redelijkerwijs aannemelijk gemaakt dat verhaal door TTF van een veroordeling van Interwear tot betaling van proceskosten in Nederland mogelijk zal zijn. Voor een succesvol beroep op artikel 224, lid 2, onder c Rv, dient Interwear specifieke verhaalsinformatie te verschaffen. In casu heeft Interwear er enkel op gewezen dat zij in Nederland een bankrekening houdt bij de Rabobank. Ter onderbouwing hiervan heeft Interwear ter zitting als haar productie 7 een “Rekeningafschrift Rekening-Courant” van 20 augustus 2012 overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Interwear enkel hiermee geen voldoende specifieke verhaalsinformatie in voormelde zin verschaft, nog daargelaten dat het betreffende afschrift een saldotekort laat zien van EUR 363.550,02.

Het verweer van Interwear onder 3 treft daarom geen doel.

2.7. De incidentele vordering moet daarom worden toegewezen. Ten aanzien van het bedrag waarvoor Interwear zekerheid moet stellen, overweegt de rechtbank als volgt.

TTF heeft in de hoofdzaak EUR 3.621,- griffierecht betaald. Voor wat betreft het salaris advocaat kan in dit stadium van de procedure een bedrag van EUR 4.263,- vooralsnog genoegzaam worden geacht. De rechtbank gaat daarbij uit van drie punten - voor de conclusie van antwoord, voor de comparitie van partijen en voor een aanvullende handelingen zoals een akte, of conclusie van dupliek - tegen tarief V (EUR 1.421,- per punt). Voor het vaststellen van een hoger bedrag aan advocaatsalaris - zoals TTF heeft gevorderd - bestaat in deze stand van de procedure vooralsnog geen aanleiding. Hierbij weegt de rechtbank mee, dat het TTF vrij staat om lopende de hoofdzaak op grond van artikel 224 Rv om aanvullende zekerheid te vragen, voor het geval de proceskosten oplopen tot boven het bedrag waarvoor thans zekerheid dient te worden gesteld.

De rechtbank ziet geen grond voor toewijzing van het door TTF gevorderde bedrag van EUR 199,- in verband met nakosten.

In zoverre slaagt het verweer van Interwear onder 4.

Uit het voorgaande volgt dat Interwear voor een bedrag van (3.621 + 4.263 is) EUR 7.884,- zekerheid dient te stellen.

2.8. TTF stelt dat de meest gerede vorm voor het stellen van zekerheid door Interwear is een depotstorting op de derdengeldrekening van de advocaat van TTF of het afgeven van een bankgarantie door een Nederlands bankinstelling. Ingevolge artikel 6:51 BW staat de vorm van de zekerheid echter in beginsel ter keuze van Interwear zelf. Het is thans niet aan de rechtbank om dienaangaande in deze procedure een beslissing te nemen.

2.9. Gelet op het bepaalde in artikel 616, lid 3 Rv zal de rechtbank een termijn van vier weken bepalen voor het stellen van zekerheid door Interwear. Voorts zal de rechtbank eenzelfde termijn bepalen waarbinnen TTF de gestelde zekerheid moet hebben geweigerd of aanvaard. De rechtbank wijst partijen erop dat zij om verlenging van deze termijnen kunnen vragen, dat het door Interwear niet binnen de termijn stellen van zekerheid leidt tot haar niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak en dat het door TTF niet binnen de gestelde termijn reageren op de zekerheid leidt tot het verval van haar bevoegdheid om zekerheid te eisen.

Voorts wijst de rechtbank partijen op het volgende. Indien tussen partijen naar aanleiding van dit vonnis een geschil ontstaat over de vraag of Interwear tijdig de zekerheid hebben gesteld dan wel de vraag of TTF de geboden zekerheid tijdig hebben geweigerd of aanvaard, dan dient dat geschil ter beoordeling aan deze rechtbank (de rolrechter) te worden voorgelegd. Daarentegen wordt - ingevolge artikel 616, lid 1 Rv - in geval van geschil over de genoegzaamheid van de (tijdig) gestelde zekerheid daarover op vordering van de meest gerede partij in kort geding beslist door de voorzieningenrechter van deze rechtbank.

2.10. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

3. De beslissing

De rechtbank,

in het incident:

3.1. bepaalt dat Interwear zekerheid zal moeten stellen tot een bedrag van EUR 7.884,- voor de proceskosten waarin zij jegens TTF in de hoofdzaak zou kunnen worden veroordeeld;

3.2. bepaalt dat Interwear de zekerheid moet stellen binnen vier weken na dit vonnis;

3.3. bepaalt dat TTF binnen vier weken na het stellen van zekerheid, die zekerheid moet weigeren of aanvaarden;

3.4. wijst af het anders of meer gevorderde;

3.5. compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak:

3.6. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 januari 2013 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2012.