Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BY2534

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-10-2012
Datum publicatie
08-11-2012
Zaaknummer
01/825559-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van vier jaar met aftrek voorarrest voor poging tot doodslag.

Verdachte heeft een weerloos op de grond liggend slachtoffer met kracht en met geschoeide voet tegen het hoofd geschopt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825559-11

Parketnummers vorderingen: 01/825265-10 en 01/832140-08

Datum uitspraak: 09 oktober 2012

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 september 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 december 2011.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 30 oktober 2011 te Bergeijk

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1]

de [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 2]

- meermalen, althans éénmaal met kracht en/of met geschoeide voet op/tegen het

hoofd en/of in/tegen het gezicht heeft geschopt en/of getrapt en/of gestampt

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 287 jo 45 Wetboek van Strafrecht;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 oktober 2011 te Bergeijk

aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel

(hersenletsel), heeft toegebracht, door deze opzettelijk

- meermalen, althans éénmaal met kracht en/of met geschoeide voet op/tegen het

hoofd en/of in/tegen het gezicht te schoppen en/of te trappen en/of te stampen

artikel 302 Wetboek van Strafrecht;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 oktober 2011 te Bergeijk

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met

dat opzet

- meermalen, althans éénmaal met kracht en/of met geschoeide voet op/tegen het

hoofd en/of in/tegen het gezicht heeft geschopt en/of getrapt en/of gestampt ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 302 jo 45 Wetboek van Strafrecht;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vorderingen na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01/825265-10 is aangebracht bij vordering van

14 december 2011. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de meervoudige kamer te 's-Hertogenbosch d.d. 21 juni 2011. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De zaak met parketnummer 01/832140-08 is aangebracht bij vordering van

14 december 2011. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de meervoudige kamer te 's-Hertogenbosch d.d. 13 november 2009. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

In de vroege ochtend van 30 oktober 2011 wordt [slachtoffer 2] (hierna: aangever) door verbalisanten buiten bewustzijn aangetroffen op het Hof te Bergeijk, alwaar zich diverse horecagelegenheden bevinden. Deze verbalisanten horen van omstanders dat er sprake is geweest van een vechtpartij en dat aangever een trap tegen zijn hoofd/gezicht had gekregen. In het ziekenhuis is bij aangever onder meer een breuk van de oogkas geconstateerd en een epidurale bloeding (bloeding binnen de schedel), welke zeer ernstig/ levensbedreigend is. Aangever heeft verklaard dat hij alleen nog weet dat ze biertjes aan het drinken waren en dat hij zich vervolgens herinnert dat hij in het ziekenhuis lag.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte aangever door middel van een “voetbaltrap” tegen het hoofd heeft geschopt, zoals blijkt uit de verklaringen van enkele onafhankelijke getuigen. De officier van justitie acht hun verklaringen betrouwbaar. Door hard tegen het hoofd van aangever te schoppen of te trappen, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever als gevolg daarvan zou overlijden. Dergelijk geweld kan leiden tot schedelfracturen, bloedingen of ander letsel met dodelijke afloop. Uit de medische verklaring blijkt ook dat aangever een levensbedreigende bloeding binnen de schedel had.

Het standpunt van de verdediging.

Van de zijde van de verdediging is integrale vrijspraak bepleit op de in de pleitnota aangevoerde gronden.

Het oordeel van de rechtbank.

Nadat verbalisanten ter plaatse op het Hof te Bergeijk aangever liggend op de grond en buiten kennis hadden aangetroffen, meldden zich bij hen diverse getuigen die hadden gezien wat er gebeurd was.

Een van de omstanders had het kenteken van de auto onthouden waarin de verdachte weggereden was. Dit kenteken betrof [kenteken]. De tenaamgestelde van het kenteken voornoemd bleek: [verdachte], adres [adres], [woonplaats].

Getuige [getuige 1] had gezien dat [slachtoffer 2] buiten op de grond lag. Vervolgens had hij gezien dat [verdachte] zich door een mensenmassa heen wurmde. [getuige 1] zag dat [verdachte] met geschoeide voet en met kracht tegen het hoofd van [slachtoffer 2] aan trapte. Deze trap was met de binnenkant van zijn voet zoals je tegen een voetbal schopt. [getuige 1] kende [verdachte] van voetbal.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat [slachtoffer 2] door iemand werd geslagen waardoor hij op de grond viel. Vervolgens zag [getuige 2] dat [verdachte] opeens van achter de groep met versnelde pas richting [slachtoffer 2] liep en [slachtoffer 2] hard tegen zijn gezicht trapte, zoals je eigenlijk tegen een voetbal trapt. Hierna zag hij [verdachte] wegrennen naar een auto.

[getuige 2] kende zowel [verdachte] als [slachtoffer 2]. Hij kent [verdachte] van zien en naam omdat hij zowat om de hoek woont.

Getuige [getuige 3] had gezien dat [slachtoffer 2] op de grond lag en dat [verdachte] tegen het hoofd van [slachtoffer 2] schopte op een manier zoals je met voetballen een bal wegschopt.

[getuige 3] kent [verdachte] van gezicht.

Op basis van de bovenstaande getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever opzettelijk met kracht tegen het hoofd heeft getrapt, terwijl hij op de grond lag. Dat dit met veel kracht is gebeurd, baseert de rechtbank op de verklaringen van voornoemde getuigen waaruit blijkt dat verdachte trapte op een manier zoals je tegen een voetbal aan schopt.

De door de raadsman geopperde mogelijkheid dat het bij het slachtoffer geconstateerde letsel is toegebracht door een ander dan de verdachte, wordt weersproken door de inhoud van de hierboven gebezigde bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot het oordeel komt dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer 2] tegen het hoofd heeft geschopt en aldus het bij hem geconstateerde letsel heeft toegebracht.

De verklaringen van deze getuigen, zoals afgelegd ten overstaan van de politie en later bij de rechter-commissaris, zijn weliswaar niet op alle onderdelen onderling en innerlijk steeds geheel gelijkluidend, maar dat maakt nog niet dat te dezen van onbetrouwbare verklaringen sprake is; dit te minder, nu deze verklaringen qua strekking en in de kern met elkaar in overeenstemming zijn, daar waar zij inhouden dat het de verdachte is geweest die aangever tegen het hoofd heeft geschopt. De door de raadsman bij pleidooi aangevoerde omstandigheden, wat daar verder van zij, doen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen geen afbreuk,

Bij haar oordeel betrekt de rechtbank bovendien de omstandigheid dat verdachte enkel ter gelegenheid van zijn verhoor bij de politie op 30 oktober 2011 een begin van een verklaring heeft afgelegd, daarop neer komende dat hij in de bewuste nacht niet in Bergeijk is geweest, maar zich verder bij gelegenheid van alle verhoren en ter zitting nagenoeg steeds op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Verdachte heeft aldus voor de hierboven uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkende omstandigheden, die redengevend zijn voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring gegeven. De rechtbank laat het ontbreken van een verklaring van de verdachte op genoemde omstandigheden, met name ook ten aanzien van zijn beweerde verblijfplaats elders ten nadele van verdachte meewegen bij de waardering van het voorhanden zijnde bewijs.

De rechtbank acht op grond van de voorgaande overwegingen bewezen dat verdachte met kracht tegen het hoofd van aangever heeft geschopt. Aangever lag op dat moment zonder zich te kunnen verweren op de grond. Door onder die omstandigheden met geschoeide voet en met kracht tegen het hoofd van aangever te schoppen, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard, dat aangever zodanig letsel zou oplopen, dat hij als gevolg daarvan zou komen te overlijden. Gelet daarop acht de rechtbank de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 30 oktober 2011 te Bergeijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet die De [slachtoffer 2] met kracht met geschoeide voet tegen het hoofd heeft geschopt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest. Toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 01/825265-10 en toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 01/832140-08.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Van de zijde van de verdediging is vrijspraak bepleit. De verdediging heeft ten aanzien van een eventueel op te leggen straf verzocht om rekening te houden met de geruime tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, alsmede het verblijf van verdachte in het Pieter Baan Centrum en de subculturele context. De verdediging heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01/825265-10 en de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01/832140-08 af te wijzen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit. Verdachte is er niet voor teruggeschrokken om bij een weerloos op de grond liggend slachtoffer met kracht en met geschoeide voet tegen het hoofd te schoppen.

Deze heeft daarbij ernstig en levensbedreigend letsel opgelopen.

Dat dit uiteindelijk niet tot fatale gevolgen heeft geleid, is niet aan verdachte te danken geweest. Het moet voor de omstanders een schokkende ervaring zijn geweest daarvan getuige te zijn. Verdachte heeft er ter terechtzitting geen blijk van gegeven van dit alles doordrongen te zijn.

Voorts weegt de rechtbank nog de volgende omstandigheden mee in het nadeel van verdachte, namelijk dat hij blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 14 december 2011 reeds eerder terzake van geweldsdelicten is veroordeeld, alsmede dat hij het onderhavige strafbare feit heeft gepleegd tijdens de proeftijd van twee eerdere veroordelingen, waarvan er één is opgelegd in verband met een geweldsdelict. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw geweld te plegen.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01/825265-10.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01/832140-08.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 27, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

T.a.v. primair:

poging tot doodslag

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

BESLISSING:

T.a.v. primair:

Gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Last tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te 's-Hertogenbosch d.d. 13 november 2009, gewezen onder parketnummer 01/832140-08, te weten:

Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Last tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij

vonnis van de meervoudige kamer te 's-Hertogenbosch d.d. 21 juni 2011, gewezen

onder parketnummer 01/825265-10, te weten:

Gevangenisstraf voor de duur van 81 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. W.M. Weerkamp, en mr. C.P.J. Scheele, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,

en is uitgesproken op 9 oktober 2012.