Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BY0018

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-10-2012
Datum publicatie
15-10-2012
Zaaknummer
01/849064-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2014:528, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor het plegen van een mishandeling, het meerdere malen plegen van – kortgezegd – aanranding en voor het meerdere malen plegen van – kortgezegd – bedreiging met verkrachting en/of aanranding.

Bij de bewezenverklaring heeft de rechtbank gebruik gemaakt van schakelbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/849064-12

Datum uitspraak: 15 oktober 2012

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1984],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 juli 2012 en 1 oktober 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij pro forma dagvaarding van 19 juni 2012. Ter terechtzitting van 13 juli 2012 is de definitieve tenlastelegging uitgereikt.

Nadat de tenlastelegging op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van

1 oktober 2012 tweemaal is gewijzigd, wordt aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 21 november 2011 te Sint-Oedenrode, door geweld of (een)

andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen

en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het

betasten van en/of knijpen in de billen en/of borsten van voornoemde [slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die

bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hieruit dat hij,

verdachte, achter de fietsende [slachtoffer] aan is gerend/gelopen en/of dat,

hij, verdachte vervolgens onverhoeds voornoemde [slachtoffer] bij de borsten

en/of de billen heeft (vast)gegrepen en/of daarbij heeft gezegd/geroepen: "Wat

heb je lekkere borsten en billen", althans woorden van soortgelijke strekking;

(artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 06 januari 2012 te Sint-Michielsgestel, door geweld of

(een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of

dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het aanraken

van en/of het stoppen van een vinger in een (kont)broekzak van voornoemde [slachtoffer 2] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die

bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hieruit dat hij

verdachte met zijn scooter naast de fietsende [slachtoffer 2] is gaan rijden

en/of voornoemde [slachtoffer 2] indringend heeft aangekeken en/of vervolgens

(met)zijn hand/vinger op/in de (kont)broekzak van voornoemde [slachtoffer 2]

heeft gelegd/gestopt;

(artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht)

3.

hij meermalen, althans eenmaal op of omstreeks 10 januari 2012 te Schijndel,

door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of

(een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot

het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande

uit het slaan tegen de billen van voornoemde [slachtoffer 3] en bestaande dat

geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of

die andere feitelijkhe(i)d(en) hieruit dat hij, verdachte, met een door hem

bestuurde scooter naast voornoemde (fietsende) [slachtoffer 3] is gaan rijden

en vervolgens onverhoeds tegen haar billen heeft geslagen;

(artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht)

4.

hij meermalen, althans eenmaal op of omstreeks 24 januari 2012 te Sint

Oedenrode, in elk geval in het arrondissement 's-Hertogenbosch ter uitvoering

van het door hem voorgenomen misdrijf

om een of meermalen door giften of beloften van geld of goed

een persoon, [slachtoffer 4], geboren op [1994] waarvan verdachte wist

of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet

had bereikt,

opzettelijk te bewegen ontuchtige handelingen te plegen of zodanige

handelingen van verdachte te dulden, immers is hij verdachte met een scooter

naast (de fietsende) [slachtoffer 4] gaan rijden en/of heeft hij verdachte tegen

voornoemde [slachtoffer 5] gezegd: "Wil je mij pijpen" en/of "Ik wil je er wel voor

betalen hoor, wel 150 euro" en/of vervolgens heeft gezegd:"Ik wil je wel

beffen" en/of "Ik vind je wel een lekker wijf" en/of vervolgens voornoemde

[slachtoffer 4] tegen haar billen heeft geslagen,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf misdrijf niet voltooid;

(artikel 248a juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 24 januari 2012 te Sint-Oedenrode, door geweld of (een)

andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het plegen en/of

dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het knijpen in

de billen van voornoemde [slachtoffer 4] en bestaande dat geweld of die andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere

feitelijkhe(i)d(en) uit dat hij, verdachte onverhoeds met een door hem

bestuurder scooter naast (de fietsende) [slachtoffer 4] is gaan rijden en/of

vervolgens onverhoeds in haar billen heeft geknepen;

(artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht)

5.

hij meermalen, althans eenmaal in of omstreeks de periode van 22 augustus 2011

tot en met 25 januari 2012 te Gemonde, gemeente Sint-Michielsgestel, in elk

geval in het arrondissement 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door hem

voorgenomen misdrijf om (telkens) een of meermalen door giften of beloften van

geld of goed een persoon, [slachtoffer 5], geboren op [1997] waarvan

verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van

achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk te bewegen ontuchtige

handelingen te plegen of zodanige handelingen van verdachte te dulden, immers

heeft hij, verdachte voornoemde [slachtoffer 5] benaderd door bij haar te stoppen

en/of is hij, verdachte met een scooter naast de fietsende [slachtoffer 5] gaan

rijden en heeft hij, verdachte, tegen voornoemde [slachtoffer 5] gezegd: "Jij hebt

zeker geen zin om mij voor 50 euro te pijpen" en/of "He geile sletjes heeft

een van jullie 3 zin om mij te neuken. Hij is nu al stijf"

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(artikel 248a juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht)

6.

hij op of omstreeks 28 december 2011 te Sint-Michielsgestel opzettelijk

mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 6]), tegen haar rug heeft

geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht)

7.

hij op of omstreeks 30 januari 2012 te Schijndel, door geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 7] heeft gedwongen tot het plegen en/of

dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit slaan tegen de

bil(len) van voornoemde [slachtoffer 7] en bestaande dat geweld of die andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere

feitelijkhe(i)d(en)hieruit dat hij verdachte naar voornoemde fietsende [slachtoffer 7] is gerend en/of haar heeft afgesneden en/of dat hij, verdachte,

voornoemde [slachtoffer 7] onverhoeds tegen haar bil(len) heeft geslagen;

(artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht)

8.

hij op of omstreeks 17 februari 2012 te Schijndel, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 8] te dwingen tot het plegen en/of dulden van

een of meer ontuchtige handeling(en), met voormeld oogmerk met zijn scooter

naast de fietsende [slachtoffer 8] is gaan rijden en vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer 8] heeft gezegd: "Kun je dan niet beter aan mijn ding zuigen want ik heb

een stijve" en daarbij met zijn hand over zijn penis heeft gewreven en/of

vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer 8] heeft gezegd: "Wil je dat echt niet", terwijl

het slachtoffer ter plaatse alleen was en/of zich op een (min of meer) afgelegen rustige plaats bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 246 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 februari 2012 te Schijndel [slachtoffer 8] heeft bedreigd

met verkrachting en/of met feitelijke aanranding van de eerbaarheid immers is

verdachte met zijn scooter naast de fietsende [slachtoffer 8] gaan rijden en/of

heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 8] dreigend de woorden

toegevoegd :"Kun je dan niet beter aan mijn ding zuigen want ik heb een

stijve", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en daarbij

over zijn penis gewreven, terwijl het slachtoffer ter plaatse alleen was en/of

zich op een (min of meer) afgelegen rustige plaats bevond;

(artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht)

9.

hij op of omstreeks 17 februari 2012 te Sint-Michielsgestel, ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 9] te dwingen tot het plegen en/of

dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), met voornoemd oogmerk met

zijn scooter naast de fietsende [slachtoffer 9] is gaan rijden en/of tegen

voornoemde [slachtoffer 9] heeft gezegd: "Wil je mij pijpen" en/of daarbij met

zijn hand een pijpbeweging heeft gemaakt, terwijl het slachtoffer ter plaatse alleen

was en/of zich op een (min of meer) afgelegen rustige plaats bevond, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 246 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 februari 2012 te Sint-Michielsgestel [slachtoffer 9] heeft bedreigd met verkrachting en/of met feitelijke aanranding van

de eerbaarheid, immers is verdachte met zijn scooter naast de fietsende [slachtoffer 9] gaan rijden en/of heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 9] dreigend de woorden toegevoegd :"Wil je me pijpen", althans woorden

van gelijke dreigende aard of strekking en/of daarbij met zijn hand een

pijpbeweging gemaakt, terwijl het slachtoffer ter plaatse alleen was en/of zich

op een (min of meer) afgelegen rustige plaats bevond;

(artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht)

10.

hij op of omstreeks 13 maart 2012 te Schijndel, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 10] te dwingen tot het plegen en/of dulden

van een of meer ontuchtige handeling(en), met voornoemd oogmerk met zijn

scooter naast de fietsende [slachtoffer 10] is gaan rijden en/of vervolgens tegen

voornoemde [slachtoffer 10] heeft gezegd: "Ik vind je zo lekker, je hebt zo'n lekkere

kont" en/of "Meisje, meisje wil je mij pijpen voor 100 euro", terwijl

het slachtoffer ter plaatse alleen was en/of zich op een (min of meer) afgelegen

rustige plaats bevond, althans woorden van soortgelijke aard of strekking, terwijl

de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 246 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 maart 2012 te Schijndel [slachtoffer 10] heeft

bedreigd met verkrachting en/of feitelijke aanranding van de eerbaarheid,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 10] dreigend de woorden

toegevoegd :"Ik vind je zo lekker, je hebt zo'n lekkere kont" en/of "Meisje,

meisje wil je mij pijpen voor 100 euro", althans woorden van gelijke dreigende

aard of strekking, terwijl het slachtoffer ter plaatse alleen was en/of zich op een

(min of meer) afgelegen rustige plaats bevond;

(artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht)

11.

hij op of omstreeks 30 maart 2012 te Schijndel, door geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 11] heeft gedwongen tot het plegen en/of

dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het slaan tegen

een bil van voornoemde [slachtoffer 11] en bestaande dat geweld of die andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere

feitelijkhe(i)d(en) hieruit dat hij, verdachte met zijn scooter naast de

fietsende [slachtoffer 11] is gaan rijden en/of vervolgens hard tegen haar bil heeft

geslagen;

(artikel 246 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 maart 2012 te Schijndel opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer 11]), tegen een bil heeft geslagen, waardoor

deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

(artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Inleiding.

In de periode november 2011 tot en met maart 2012 worden diverse aangiften van aanranding of soortgelijke incidenten gedaan met steeds terugkerende overeenkomende kenmerken. Jonge vrouwen worden door een man op een scooter benaderd. Hij raakt hen aan aan hun billen en/of doet hen onzedelijke voorstellen. De politie stelt op 30 januari 2012 het signalement van de dader vast: blanke man, circa 1,85 m, rood / oranje kort haar (1 à 2 cm), blauwe ogen met lichte wimpers, sproeten in het gezicht, zwarte pothelm met vizier, grijze letters 'Beondesign' over de zwarte helm, opvallende oranje jas en broek (zogenaamde wegwerkerskleding) met over de broek en de jas reflecterende grijze strepen. Volgens de politie toont het signalement van de dader overeenkomsten met het signalement van verdachte. Verdachte is bij de politie bekend, omdat hij al eens eerder is verdacht van het plegen van ontuchtige handelingen. Aangeefster [slachtoffer 5] (feit 5) heeft verdachte tijdens een fotoconfrontatie herkend.1 Uiteindelijk wordt verdachte op 14 maart 2012 aangehouden. In zijn woning wordt aan aantal zaken in beslag genomen waaronder twee pothelmen (een witte en een zwarte) en fel oranje werkkleding met reflecterende banden (een jas met capuchon en een jas zonder capuchon, een bodywarmer en een broek).2

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht alle tenlastegelegde feiten (in de primaire variant) wettig en overtuigend bewezen. Hij wijst daarbij op het feit dat de aangiften op belangrijke punten met elkaar overeenkomen waaronder het signalement van de dader (dat overeenkomt met het signalement van verdachte), de kleding en het type helm dat door de dader wordt gedragen, het voertuig waarop hij rijdt (een wit/rood/blauw gekleurde scooter) alsmede de tijd/plaats waar(op) de feiten hebben plaatsgevonden. De officier van justitie heeft voorts onder meer aangevoerd dat verdachte vaak op ongeveer dezelfde tijden op hetzelfde traject reed tussen zijn woonplaats [gemeente] en ‘s-Hertogenbosch van waaruit hij werkt terwijl hij op een scooter zat die in de aangiften wordt omschreven. Bij de bewezenverklaring van de feiten maakt de officier van justitie gebruik van schakelbewijs: in onderlinge samenhang bezien zijn de overeenkomsten tussen de incidenten zodanig dat de conclusie moet worden getrokken dat verdachte alle feiten heeft gepleegd.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is waaruit blijkt dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. Anders dan de officier van justitie is het volgens de raadsman niet mogelijk om gebruik te maken van een schakelbewijsconstructie, omdat de modus operandi niet steeds dezelfde was. Daarom dient de rechtbank voor elk feit afzonderlijk te bekijken of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. Bovendien heeft de raadsman ten aanzien van de navolgende feiten subsidiair het volgende aangevoerd:

* feit 2.

De tenlastegelegde feitelijkheden leveren geen overtreding op van artikel 246 Sr, omdat de handeling niet gekwalificeerd kan worden als een handeling van seksuele aard die in strijd is met de sociaal-ethische norm.

* feit 3, 7 en 11

De tenlastegelegde feitelijkheden leveren geen overtreding op van artikel 246 Sr. De raadsman heeft er, onder verwijzing naar een uitspraak van de Hoge Raad van 4 september 2012 (LJN: BX4288), op gewezen dat op basis van het handelen van verdachte niet gesteld kan worden dat verdachte seksuele intenties had, zodat de tenlastegelegde gedragingen niet als ontuchtig kunnen worden gekwalificeerd.

* feit 4 en 5.

De feiten en omstandigheden waaronder de tenlastegelegde gedragingen zijn gepleegd zijn niet te kwalificeren als verleiding in de zin van artikel 248a Sr.

* feit 8, 9 en 10.

De tenlastegelegde gedragingen zijn niet te kwalificeren als een poging tot aanranding danwel als een bedreiging.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank betrekt bij haar beoordeling van het tenlastegelegde feitencomplex de feiten en omstandigheden zoals deze blijken uit navolgende bewijsmiddelen.

ten aanzien van feit 2

Aangeefster [slachtoffer 2] heeft bij de politie verklaard dat zij op 6 januari 2012 te 17.52 uur fietste op de Theerestraat in Sint Michielsgestel wanneer na de kruising met Halder plotseling een man op een brommer links van haar komt rijden. Hij heeft geen licht aan en komt ineens van achteren. Hij kijkt haar indringend aan en gaat daarna achter haar rijden. [slachtoffer 2] gaat dan hard fietsen en op een gegeven moment ziet ze de man niet meer. Korte tijd daarna voelt ze iets in haar linker achterzak wat vermoedelijk zijn duim is die hij vervolgens hard omhoog trekt. [slachtoffer 2] schrikt daar enorm van. De man rijdt op dat moment pal naast haar en blijft een paar seconden naast haar rijden. Zij wordt dan echt bang en begint heel hard te schreeuwen. De man zegt niks, kijkt heel serieus naar haar, om vervolgens door te rijden. De dader is een blonde man tussen de 25 en 35 jaar oud met hele lichte wenkbrauwen en vrij lichte ogen. Hij droeg een soort oranje regenjas die leek op een gemeentewerkersjas en reed op een witte scooter. [slachtoffer 2] denkt dat hij een helm droeg, die aan de voorkant helemaal open was.3

ten aanzien van feit 3

Aangeefster [slachtoffer 3] heeft bij de politie verklaard dat zij op 10 januari 2012 te 06.30 uur op haar fiets op de Boschweg te Schijndel rijdt als zij ter hoogte van de Houtstraat een scooter ziet die haar tegemoet komt rijden. De scooter gaat langzamer rijden wanneer ze elkaar passeren en rijdt daarna de Houtstraat in. Op een gegeven moment hoort zij weer een scooter (van achter) aankomen, die naast haar komt rijden en ze voelt dat de bestuurder haar tegen haar achterste slaat. [slachtoffer 3] ziet dat het dezelfde man is die haar een paar minuten eerder tegemoet kwam rijden, want ze herkent hem aan zijn opvallende jas. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat de man haar best hard sloeg en dat ze toen een beetje in paniek raakte en harder ging fietsen. Ze ziet dan dat hij doorrijdt. Ongeveer ter hoogte van de Bunderstraat hoort ze de scooter opnieuw aankomen. Ze ziet dat de scooter haar weer passeert en voelt dat de man haar tijdens het passeren weer tegen haar achterste slaat terwijl hij gewoon doorrijdt. De bestuurder kijkt om, zegt niets en rijdt meteen rechtsaf de Bunderstraat in. De man reed op een witte scooter met een soort windscherm op het stuur en droeg een helm zonder band onder. Het betrof een blanke man met stoppelbaard met een feloranje jas zonder capuchon (“zo’n werkjas met van die reflectoren erop”). 4

ten aanzien van feit 5

Aangeefster [slachtoffer 5] heeft op 9 februari 2012 bij de politie verklaard dat zij in de afgelopen periode verschillende malen is lastig gevallen door dezelfde man. Over het eerste voorval verklaart zij dat er ongeveer een half jaar geleden een auto achter haar kwam rijden terwijl zij op de Bodem van Elde te Sint Michielsgestel fietste. Op een bepaald moment kwam hij naast haar rijden en zei de man iets. [slachtoffer 5] weet niet meer precies wat hij zei, maar ze maakte eruit op dat het over neuken ging. Daarna reed hij verder. Vervolgens kwam hij haar weer tegemoet gereden en zag zij dat het raampje aan de bestuurderskant open was. Toen ze elkaar passeerden keek hij haar aan en riep iets dat ze niet verstond. De man was rond de 35 jaar en had oranje/geelachtige stoppeltjes.

De tweede keer was 2 maanden geleden ’s middags op weg van school naar huis. Zij stond bij een boerenbedrijf op de Bodem van Elde te wachten op [persoon] die daar werkt toen de man op een scooter voorbij kwam gereden. De man stopte en zei “je hebt zeker geen zin om mij (voor € 50,00) te pijpen” waarop [slachtoffer 5] zei: “nee”. De man zei daarop “jammer, maar je ziet er wel heerlijk uit” en toen kwam [persoon] er net aangelopen. De scooter leek een beetje op een Vespa, maar dan een iets minder breed stuur en had ook een windscherm. De scooter was vooral witachtig en er zat ook iets blauws en iets roods op die scooter. Volgens [persoon] leek de scooter op een Symio 50. De man droeg een gebroken witte helm met streep met de kin open (leek op een Vespa helm) die aan de voorkant open was en hij had het klepje omhoog staan waardoor zijn hele gezicht zichtbaar was. [slachtoffer 5] herkent de man als de man die zij eerder in de auto heeft gezien aan zijn gezicht en stoppels en omdat hij hetzelfde vroeg. Hij droeg een oranje jas en broek met reflecterende strepen op de jas en waarschijnlijk ook op de broek. De man is blank en heeft een ongeschoren gezicht bij zijn mond en kin.

De derde keer was [slachtoffer 5] samen met haar zusje [persoon 2] en haar vriendin [persoon 3] toen de man hen op de dezelfde scooter als de tweede keer tegemoet kwam gereden op de Bodem van Elde. [slachtoffer 5] zegt dan tegen haar zusje dat dat dezelfde man is als de vorige keer omdat zij haar zusje over de tweede keer heeft verteld. Wanneer hij achter hen rijdt zegt hij: “Hé, geile sletjes. Heeft een van jullie zin om te neuken, hij is nou wel stijf”. De man draagt dezelfde jas en broek met reflecterende strepen en dezelfde helm als de keer ervoor. Ook is de scooter hetzelfde als de keer ervoor.

Tot slot fietst [slachtoffer 5] met haar vriendin [persoon 4] op 25 januari 2012 rond kwart over vier voorbij De Wit te Schijndel als ze een scooter voorbij zien rijden waarna [slachtoffer 5] tegen [persoon 4] zegt dat dat volgens haar die man is ([slachtoffer 5] heeft [persoon 4] verteld over de keren dat zij die man is tegengekomen). De man steekt vervolgens de weg over en rijdt weer in hun richting, aan de andere kant van de weg. Hij zegt niks, maar kijkt hen alleen aan. Op dat moment weet [slachtoffer 5] zeker dat hij het is en bovendien draagt hij dezelfde oranje jas en broek aan als de vorige keren en heeft hij dezelfde helm met streep op. Bovendien rijdt op dezelfde scooter.5

Tijdens de meervoudige fotoconfrontatie op 9 februari 2012 waarbij verdachtes foto op positie 6 aan [slachtoffer 5] wordt getoond,6 verklaart [slachtoffer 5] dat de persoon op foto 6 lijkt op de dader. Zij is daarvan niet voor 100% van overtuigd, maar de rondingen van zijn gezicht lijken op de persoon die haar heeft lastiggevallen en de blik van zijn ogen herkent zij ook.7

Haar zusje, [persoon 5], heeft verklaard dat zij (waarschijnlijk) op 24 januari 2012 rond half vier/ kwart voor vier van Schijndel naar Gemonde fietste samen met haar zus en een vriendin toen er een man voorbij kwam. Die man kwam vervolgens terug en zei letterlijk: “Hé schatjes mag ik jullie neuken of zoiets’. De man droeg een wit of rode helm en had een lichtgevende oranje jas aan. Hij reed op een brommer en had een oranjeachtig baardje, iets langer dan stoppels, over zijn hele gezicht en een lichte huidskleur. Hij was ongeveer 37 jaar en reed op een oudere wit of rode brommer met een schermpje. 8

ten aanzien van feit 6

Aangeefster [slachtoffer 6] heeft bij de politie verklaard dat zij op 28 december 2011 omstreeks 18.00 uur op de Gestelseweg te Sint Michielsgestel fietste toen ze hoorde dat er een scooter achter haar reed. Als ze achterom kijkt, ziet ze dat de bestuurder van de brommer zijn licht uitdoet en dat de brommer dichtbij komt. Vervolgens voelt ze een klap op haar rug en pijn. De brommer passeert haar aan haar linkerzijde en ze ziet dan nog dat de bestuurder zijn rechterhand intrekt. De bestuurder van de scooter draagt een oranje reflecterende jas met grijze balken en een zwarte helm en rijdt op klein model brommer, een soort Mio (“Holleederbrommertje”), in de kleuren rood/zwart/wit.9

ten aanzien van feit 8

Aangeefster [slachtoffer 8] heeft bij de politie verklaard dat zij op 17 februari 2012 tussen 16.10 uur en 16.18 uur fietste in Schijndel op De Steeg in de richting van Heeswijk-Dinther. Op het moment dat ze op De Steeg het looppad voorbij fietst, hoort ze een scooter achter haar rijden die vervolgens naast haar komt rijden. De bestuurder vraagt haar: “zag ik jou net roken?”, waarop zij antwoordt dat dat best mogelijk is en ze gaat harder gaat fietsen, omdat ze het niet vertrouwd. Vervolgens zegt de man tegen haar: “kun je dan niet beter op mijn ding zuigen, want ik heb een stijve” waarbij hij met zijn hand over zijn kruis wrijft. Als [slachtoffer 8] antwoordt: “nee!” blijft hij naast haar rijden en vraagt hij: “wil je dat echt niet?”. [slachtoffer 8] zegt opnieuw: “Nee!”, rijdt hem voorbij om over te steken naar een boerderij waar ze afstapt en naar de voordeur loopt. De man blijft dan even staan en kijkt, waarna hij vertrekt.

De bestuurder droeg een oranje werkpak met reflecterende banden op de mouwen en onder de benen. Hij droeg een helm met de hoofdkleur wit met daarop knalrode, gele en blauwe schuine strepen. Hij was tussen 25 en 30 jaar, blank met een rood/oranjeachtige baard en snor, waar doorheen je zijn huid kon zien en had hele lichte stekeltjesharen van dezelfde kleur en een stevig postuur. Hij reed op een witte scooter met daarop blauwe, rode en gele schuine strepen.10

ten aanzien van feit 9

Aangeefter [slachtoffer 9] heeft bij de politie verklaard dat zij op 17 februari 2012 tussen 15.30 uur en 16.00 uur op haar scooter reed op de Molenbergstraat in Sint Michielsgestel vlakbij kapper Masha. Als ze op een bepaald moment in haar spiegel kijkt, omdat ze wil afslaan, ziet ze dat er een rode Mio scooter achter haar rijdt en vervolgens aan haar linkerkant naast haar komt rijden. Ze ziet ook dat de bestuurder iets doet met zijn hand bij zijn mond. Als ze hem nog een keer aankijkt hoort ze dat hij vraagt “wil je me pijpen”, waarna hij weer een handgebaar maakt bij zijn mond door met zijn hand op en neer te gaan. Op het moment dat [slachtoffer 9] dit opvat als een pijpbeweging, rijdt ze vol gas weg.

De bestuurder van de scooter droeg een oranje werkjack met reflectoren, een zwarte Jethelm, waarvan de voorkant open is. Het betrof een blanke man, ongeveer tussen begin 30 begin 40 die reed op een Mio-scooter die rood was maar ook er zat ook opvallend veel wit bij. De hoofdkleur was rood, maar [slachtoffer 9] geeft aan dat ze alleen de voorkant heeft gezien.11

ten aanzien van feit 11 primair

Aangeefster [slachtoffer 11] heeft bij de politie verklaard dat zij op 30 maart 2012 rond 21.35 uur in Schijndel op de Boschweg fietste toen zij ter hoogte van het Chinese restaurant dat daar zit voor het eerst oogcontact had met een persoon. Op een bepaald moment hoort ze van heel dichtbij het geluid van een scooter en als ze omkijkt rijdt deze scooter al naast haar. Ze voelt dan direct een klap en pijn op haar linkerbil. De scooter rijdt meteen door waarbij [slachtoffer 11] ziet dat het bovenste deel van zijn kenteken “[kenteken]” betreft. Direct na de klap belt zij haar moeder om deze cijfer-lettercombinatie door te geven. De scooter had een opvallend transparant windscherm, aan de achterkant van de scooter zat zwart en de rest was wit. De bestuurder droeg een zwarte helm, model pispot. Nadat zij haar moeder ontmoette bij een bushalte, liepen ze samen naar de Korte Heikantstraat. Als ze daar op de parallelweg staan, zien ze dezelfde persoon weer op de scooter voorbij komen. [slachtoffer 11] herkent hem aan zijn opvallende helm.12

De moeder van [slachtoffer 11], [persoon 7], heeft bij de politie verklaard dat zij op 30 maart 2012 werd gebeld door dochter die zei “schrijf op [kenteken]”. Ze huilde heel erg door de telefoon en [persoon 7] is haar toen tegemoet gefietst. Onderweg vertelt haar dochter wat haar even daarvoor is overkomen: een brommer haar tegemoet kwam gereden, de bestuurder vrij lang naar haar had gekeken en voordat ze het wist hoorde ze een brommergeluid vlakbij en voelde ze dat ze tegen haar achterste werd geslagen. Op het moment dat [persoon 7] en haar dochter onderweg even stoppen en afstappen om verder te lopen, rijdt er over de hoofdrijbaan een scooter waarvan haar dochter zegt: “dat is hij’. [persoon 7] hoort dan aan de stem van haar dochter dat ze weer bang wordt. Dat is rond 21.38 uur. [persoon 7] zag een soort retroscooter met veel wit en aan de voorzijde was het lage gedeelte rood. Er zat een groot windscherm op het stuur en de bestuurder droeg een donkere pothelm. 13

Waardering van het bewijs.

Uit de verklaringen van aangeefsters en de getuigen, zoals hiervoor weergegeven, blijkt dat deze op essentiële punten overeenkomsten vertonen. Alle feiten hebben plaatsgevonden in de omgeving van / op het traject tussen verdachtes woonplaats [gemeente] en ’s-Hertogenbosch van waaruit hij werkt. Al deze aangeefsters zijn meisjes/jonge vrouwen die op de bewuste momenten -met uitzondering van [slachtoffer 9]- allemaal op de fiets waren. Alleen [slachtoffer 9] (aangeefster feit 9) reed op een scooter. Aangeefsters hebben telkens verklaard dat de dader met zijn scooter naast hen ging rijden waarna hij ze onverhoeds heeft betast of op hun achterwerk (of in de buurt daarvan) heeft geslagen of hen onzedelijke voorstellen heeft gedaan. Zij omschrijven de dader als een man met een lichte huidskleur en lichte/rossige (gezichts)beharing (stoppelbaard), gekleed in oranje werkkleding met fluorescerende strepen en rijdend op een wit/blauw/rode scooter. Hij draagt daarbij steeds een witte of zwarte pothelm.

De raadsman heeft aangevoerd dat de modus operandi steeds verschilt, zo is er sprake van betasten of aanspreken of mishandelen. Ook de voertuigen verschillen, zo is er sprake van een dader in een auto, op een scooter of een dader die te voet is. Dit betekent volgens de raadsman dat het bewijs in de afzonderlijke zaken niet als steunbewijs kan dienen voor de andere zaken en een schakelbewijsconstructie niet opgaat.

De rechtbank stelt vast dat alle bewezenverklaarde feiten zedendelictgerelateerde gedragingen betreffen, die gezien de manier van handelen een grote mate van overeenkomst met elkaar vertonen. Niet alleen de modus operandi in bovengenoemde aangiften stemt overeen, ook het signalement van de dader bij alle bovengenoemde aangiften is nagenoeg gelijk evenals de omschrijving van het vervoermiddel waarop de dader zich verplaatste.

Met betrekking tot de verklaringen omtrent de scooter merkt de rechtbank op dat zij heeft gezien dat deze uiteenlopen. Zij is van oordeel dat dit kan worden verklaard door het feit dat deze scooter verschillende kleuren heeft en het derhalve goed voorstelbaar is dat de kleur die werd waargenomen afhankelijk is van de positie van het slachtoffer ten opzichte van de scooter op dat moment. Voorts acht de rechtbank het van ondergeschikt belang dat ook de verklaringen omtrent het uiterlijk van de helm uiteenlopen en deze niet allemaal overeenkomen met het uiterlijk van de twee helmen die bij verdachte zijn aangetroffen. Het kan immers niet worden uitgesloten dat verdachte nog meer helmen bezit en voorts merkt de rechtbank in dit verband op dat bepaalde in het oog springende overeenkomsten, zoals de opvallende oranje kleur van de kleding, het type scooter met de kleuren wit rood en blauw, sterker werken dan bepaalde minder in het oog springende afwijkingen.

gebruik van schakelbewijs.

De rechtbank is van oordeel dat voormelde aangiften en verklaringen bijdragen tot schakelbewijs.

Het staat de rechtbank in beginsel vrij belastende feiten en omstandigheden omtrent strafbare feiten die soortgelijk zijn aan andere tenlastegelegde feiten tot het bewijs van die andere feiten te doen meewerken, indien uit die feiten en omstandigheden een gang van zaken blijkt die op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met die andere feiten.

De rechtbank is van oordeel dat voormelde aangiften steun vinden in genoemde verklaringen van de andere aangeefsters en de getuigen. De rechtbank gebruikt voor het bewijs van de bewezenverklaarde feiten dus niet steeds enkel de specifiek voor dat feit opgenomen aangiften/verklaringen, maar - ter versterking van de bewijsconstructie - ook de aangiften/verklaringen in de andere zaken die aldus als schakelbewijs tot het bewijs bijdragen. De aangiften en verklaringen in onderling verband en samenhang bezien maken inzichtelijk dat verdachte gedurende een langere periode op dezelfde manier verscheidene jonge vrouwen/meisjes seksueel heeft benaderd en/of betast.

In dat verband wijst de rechtbank op het feit dat het signalement en de modus operandi die in ieder der bovengenoemde aangiften worden gegeven, vrijwel geheel met elkaar overeenstemmen en ook overeenkomen met het door aangeefster [slachtoffer 5] (feit 5) opgegeven signalement/de modus operandi. [slachtoffer 5] heeft verdachte herkend bij de fotoconfrontatie als de persoon die haar heeft lastiggevallen. Dat de rechtbank verdachte hierna zal vrijspreken van feit 5 doet daaraan niets af, omdat de rechtbank verdachte niet zal vrijspreken vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van de verdachte verweten feitelijke gedragingen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij en zijn vriendin een auto (Peugeot) bezitten en een scooter (Mio) met kenteken [kenteken] waarmee hij van zijn woonplaats [gemeente] naar ’s-Hertogenbosch rijdt vanuit waar hij werkt. In de winter gebruikt hij de scooter vaker dan in de zomer.14 Het dossier bevat foto’s van de scooter waarop onder meer te zien is dat het een wit, rood, blauwe scooter betreft (rode voorkant, wit middenstuk en blauw aan de achterkant) met een volledig transparant windscherm.15 Bovendien heeft verdachte verklaard dat hij feloranje kleding met fluorescerende strepen draagt naar zijn werk.16 Deze kleding is ook bij hem thuis aangetroffen, alsmede een witte en een zwarte pothelm.17 Voorts is gebleken dat het eerste deel van het kenteken van de scooter van de dader zoals de aangeefster van feit 11 heeft onthouden, overeenkomt met de eerste drie cijfers/letters van de scooter van verdachte.18

* ontuchtig karakter (feit 2, feit 3 en feit 11 primair)

Aan verdachte is meermalen aanranding tenlastegelegd. Zijdens de verdediging is daartoe aangevoerd dat de tenlastegelegde feitelijkheden onder feit 2, 3 en 11 geen overtreding van artikel 246 Sr. opleveren omdat de verdachte verweten handelingen niet gekwalificeerd kunnen worden als ontuchtige handelingen. Volgens de raadsman is geen sprake van een handeling van seksuele aard die in strijd is met de sociaal-ethische norm. Meer in het bijzonder is de raadsman van mening dat ten aanzien van feit 3 op basis van het handelen van verdachte niet gesteld kan worden dat verdachte seksuele intenties had, zodat de tenlastegelegde gedragingen niet als ontuchtig kunnen worden gekwalificeerd. De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt daartoe als volgt.

In juridische zin is er sprake van aanranding van de eerbaarheid als iemand door (bedreiging met) geweld of andere feitelijkheden wordt gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen. Voor het aannemen van ‘andere feitelijkheden’ als bedoeld in artikel 246 Sr.is voldoende dat het slachtoffer door gebruikmaking van de verdachte van bepaalde feiten of omstandigheden gedwongen wordt de ontuchtige handelingen te ondergaan. Een vast uitgangspunt voor de rechtbank bij het beoordelen van ontuchtige handelingen is, dat deze handelingen van seksuele aard moeten zijn en strijdig met de sociaal-ethische norm.

Bij feit 2 bestaat de handeling uit het stoppen van een vinger in de kontzak van aangeefster en deze vinger er vervolgens hard weer uittrekken.

Bij feit 3 heeft verdachte aangeefster tot tweemaal toe tegen haar achterste geslagen en ook bij feit 11 primair heeft verdachte aangeefster tegen haar achterste geslagen.

Voor de aangeefsters van deze feiten geldt dat de verdachte hen onverhoeds benaderde door hen onverwacht en zonder toestemming aan te raken of te betasten (slaan) aan/tegen de billen, terwijl de handelingen werden verricht door een voor aangeefsters volkomen vreemde op een moment dat ze alleen in het donker (buiten de bebouwde kom) fietsen. Door een dergelijke handelwijze werden aangeefsters gedwongen de handelingen te ondergaan. De rechtbank is van oordeel dat het op dergelijke wijze aanraken van een vrouw/meisje door een volkomen vreemde terwijl ze op de fiets zit ongehoord is, dat deze handelingen van verdachte een ontuchtig karakter hebben en in strijd zijn met de sociaal-ethische norm.

De rechtbank schuift het in dit verband door de raadsman aangehaalde arrest terzijde omdat dit weliswaar ziet op dezelfde handeling (nl. een klap op het achterste), maar de context waarin dit plaatsvond volstrekt anders is, waardoor geen sprake is van een vergelijkbare situatie. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte, beoordeeld naar de uiterlijke verschijningsvorm, te kwalificeren is als ontuchtig handelen. Uit de hiervoor vermelde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat verdachte steeds een seksuele intentie had.

* bedreiging met feitelijk aanranding van de eerbaarheid (feit 8 subsidiair en feit 9 subsidiair)

De rechtbank acht op basis van hetgeen hiervoor is overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tegen [slachtoffer 8] heeft gezegd "Kun je dan niet beter aan mijn ding zuigen want ik heb een stijve" (feit 8) en tegen [slachtoffer 9] “Wil je me pijpen" (feit 9) terwijl hij daarbij over zijn kruis wreef dan wel een pijpbeweging maakt met zijn hand.

De rechtbank is van oordeel dat door de omstandigheden waaronder verdachte deze onzedelijke voorstellen heeft geuit (op een plek buiten de bebouwde kom, terwijl er verder niemand in de buurt was terwijl hij daarbij handgebaren maakte om zijn woorden kracht bij te zetten), bij de slachtoffers objectief beschouwd de redelijke vrees kon ontstaan dat ze op zijn minst aangerand en/of erger nog, verkracht zouden worden. De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsman.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om tot een bewezenverklaring te komen van de aan verdachte onder 2, 3, 6, 8 subsidiair, 9 subsidiair en 11 primair tenlastegelegde feiten.

Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1,

4, 5, 7, 8 primair, 9 primair en feit 10 primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

* ten aanzien van de feiten 1, 4, 7 en 10 (primair en subsidiair).

De aangiften inzake de feiten 1, 4, 7 en 10 bevatten onvoldoende significante componenten die wijzen in de richting van verdachte als dader, indien het signalement van de dader en de (deels) afwijkende modus operandi wordt vergeleken met de overige aangiften.

Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank daartoe dat in de verschillende aangiften de opgegeven signalementen onduidelijk/summier zijn, er geen feloranje kleding is waargenomen en de dader in twee van de vier gevallen niet op een scooter reed. Voorts heeft aangeefster [slachtoffer 4] (aangeefster feit 4) verdachte niet herkend bij een fotobewijsconfrontatie.

Gelet op deze discrepanties in de signalementen en modus operandi is de rechtbank van oordeel is dat de verklaringen van de andere aangeefsters niet kunnen bijdragen aan het bewijs voor deze ‘atypische’ aangiften. Nu deze aangiften op zichzelf staan en niet door andere bewijsmiddelen worden ondersteund, wordt verdachte van deze feiten vrijgesproken.

*ten aanzien van feit 5 (verleiding) en feit 4

De rechtbank acht het onder feit 5 ten laste gelegde evenmin wettig en overtuigend bewezen zodat verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel is dat de feiten en omstandigheden waaronder de tenlastegelegde gedragingen onder feit 5 zijn gepleegd, niet te kwalificeren zijn als poging tot verleiding in de zin van artikel 248a Sr.

De rechtbank overweegt daartoe dat de tenlastegelegde gedragingen voor een bewezenverklaring het gevolg moeten hebben dat het slachtoffer wordt bewogen om ontuchtige handelingen te plegen of te dulden. Met ‘bewegen’ wordt in dit verband bedoeld “het brengen van iemand tot iets” / “breken van psychische weerstand”. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden geen sprake.

Hoewel verdachte reeds van feit 4 op voormelde gronden zal worden vrijgesproken, geldt bovenstaande redenering ook voor de primair tenlastegelegde verleiding onder feit 4. Ook om deze reden zou verdachte van feit 4 worden vrijgesproken.

* ten aanzien van de feiten 8 primair en 9 primair (poging tot aanranding).

De rechtbank spreekt verdachte ook vrij van de onder 8 primair en 9 primair ten laste gelegde feiten omdat zij van oordeel is dat de tenlastegelegde gedragingen niet te kwalificeren zijn als pogingen tot aanranding.

De rechtbank overweegt daartoe dat zij met de raadsman van oordeel is dat de bewezenverklaarde feitelijkheden geen poging tot aanranding opleveren omdat de vereiste dwang in de zin van artikel 246 Sr niet bewezen kan worden.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

2.

op 06 januari 2012 te Sint-Michielsgestel door feitelijkheden [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het aanraken van en het stoppen van een vinger in een (kont)broekzak van voornoemde [slachtoffer 2], en bestaande die feitelijkheden hieruit dat hij verdachte met zijn scooter naast de fietsende [slachtoffer 2] is gaan rijden en voornoemde [slachtoffer 2] indringend heeft aangekeken en vervolgens (met) zijn hand/vinger op/in de (kont)broekzak van voornoemde [slachtoffer 2]

heeft gelegd/gestopt;

3.

meermalen op 10 januari 2012 te Schijndel door feitelijkheden [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het slaan tegen de billen van voornoemde [slachtoffer 3], en bestaande die feitelijkheden hieruit dat hij, verdachte, met een door hem bestuurde scooter naast voornoemde (fietsende) [slachtoffer 3] is gaan rijden en vervolgens onverhoeds tegen haar billen heeft geslagen;

6.

op 28 december 2011 te Sint-Michielsgestel opzettelijk mishandelend [slachtoffer 6], tegen haar rug heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

8. Subsidiair

op 17 februari 2012 te Schijndel [slachtoffer 8] heeft bedreigd met verkrachting en/of met feitelijke aanranding van de eerbaarheid immers is verdachte met zijn scooter naast de fietsende [slachtoffer 8] gaan rijden en heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 8] dreigend de woorden toegevoegd :"Kun je dan niet beter aan mijn ding zuigen want ik heb een stijve" en daarbij over zijn penis gewreven, terwijl het slachtoffer ter plaatse alleen was en zich op een (min of meer) afgelegen/rustige plaats bevond;

9. Subsidiair

op 17 februari 2012 te Sint-Michielsgestel [slachtoffer 9] heeft bedreigd met verkrachting en/of feitelijke aanranding van de eerbaarheid, immers is verdachte met zijn scooter naast die [slachtoffer 9] gaan rijden en heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 9] dreigend de woorden toegevoegd :"Wil je me pijpen" en daarbij met zijn hand een pijpbeweging gemaakt, terwijl het slachtoffer ter plaatse alleen was en zich op een (min of meer) afgelegen/rustige plaats bevond;

11. Primair

op 30 maart 2012 te Schijndel, door feitelijkheden [slachtoffer 11] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, bestaande uit het slaan tegen een bil van voornoemde [slachtoffer 11] en bestaande die feitelijkheden hieruit dat hij, verdachte met zijn scooter naast de fietsende [slachtoffer 11] is gaan rijden en vervolgens hard tegen haar bil heeft

geslagen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal ook hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten (de primair tenlastegelegde variant):

* een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaar en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair verzoekt de raadsman om een straf gelijk aan het voorarrest en in het verlengde daarvan opheffing van de voorlopige hechtenis. Met betrekking tot de door de officier van justitie gevorderde proeftijd voert hij aan dat er geen aanleiding is om een langere proeftijd op te leggen dan 2 jaar zoals gebruikelijk is.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft gedurende een langere periode meisjes/ jonge vrouwen lastiggevallen terwijl zij vaak alleen in het donker buiten de bebouwde kom fietsten. Er was meestal niemand in de buurt en omdat verdachte zich voortbewoog op zijn scooter en de meisjes/ jonge vrouwen in bijna alle gevallen op de fiets, konden zij moeilijk wegkomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding, mishandeling en bedreiging met verkrachting en/of aanranding. Verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en het is bekend dat bij slachtoffers van dit soort misdrijven gedurende lange tijd gevoelens van onrust en onveiligheid (kunnen) blijven bestaan. Voorts dragen de door verdachte gepleegde feiten bij aan het toenemen van het gevoel van onveiligheid van de samenleving. Verdachte heeft hierbij kennelijk niet stilgestaan en zijn eigen behoeftes voorop gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank legt een lagere gevangenisstraf op dan door de officier van justitie wordt geëist, nu zij verdachte van een deel van de feiten vrijspreekt.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf straf deels voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zal bijzondere voorwaarde worden gekoppeld dat verdachte zich gedurende de proeftijd dient te houden aan de aanwijzingen van de reclassering. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om een langere proeftijd op te leggen dan twee jaar omdat naar het oordeel van de rechtbank niet is gebleken dat het recidivegevaar van dien aard is dat een proeftijd van een dergelijke lange duur geboden is en bovendien heeft de reclassering hiertoe niet geadviseerd.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij volledig toewijsbaar met wettelijke rente en verzoekt de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman verzoekt primair om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat enkel de gevorderde immateriële schade voor toewijzing in aanmerking komt omdat de materiële schade te prematuur is en derhalve onvoldoende onderbouwd.

Beoordeling.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57, 246, 285, 300.

Voorlopige hechtenis.

De rechtbank heft de voorlopige hechtenis op.

DE UITSPRAAK

De rechtbank spreekt verdachte vrij van feit 1, feit 4 primair en subsidiair, feit 5, feit 7, feit 8 primair, feit 9 primair, feit 10 primair en subsidiair en verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem ook daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 2:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid

T.a.v. feit 3:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid

T.a.v. feit 6:

mishandeling

T.a.v. feit 8 subsidiair:

bedreiging met verkrachting en/of feitelijke aanranding van de eerbaarheid

T.a.v. feit 9 subsidiair:

bedreiging met verkrachting en/of feitelijke aanranding van de eerbaarheid

T.a.v. feit 11 primair:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 2, feit 3, feit 6, feit 8 subsidiair, feit 9 subsidiair, feit 11primair:

* Gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 104 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren en de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen, hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG 's-Hertogenbosch, zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht.

De rechtbank heft de voorlopige hechtenis op met ingang van heden.

T.a.v. feit 1:

* Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer], in haar vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. M.A. Bijl, leden,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Meurs, griffier,

en is uitgesproken op 15 oktober 2012.

1 p. 339 van proces-verbaal van politie Brabant-Noord, divisie Informatie en Opsporing met registratienummer PL21T4 2012046804, afgesloten en ondertekend op 14 mei 2012, aantal doorgenummerde bladzijden 460 (hierna te noemen ‘eind-pv’).

2 p. 448-456 eind-pv

3 p. 246-248 eind-pv

4 p. 270-272 eind-pv

5 p. 297-308 eind-pv

6 p. 336 eind-pv

7 p. 339 eind-pv

8 p. 309-314 eind-pv

9 p. 342-343 eind-pv

10 p. 360-363 eind-pv

11 p. 369-373 eind-pv

12 p. 427-431 eind-pv

13 p. 441-442 eind-pv

14 verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 1 oktober 2012

15 p. 75 eind-pv

16 verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 1 oktober 2012

17 p. 448-456 eind-pv

18 p. 9 eind-pv