Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX9173

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-09-2012
Datum publicatie
04-10-2012
Zaaknummer
848565
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werknemersverzoek. Verzoekster heeft verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens veranderingen in de omstandigheden onder toekenning aan haar van een vergoeding van € 222.400,84. Zij heeft geen vertrouwen meer in Rabobank als werkgeefster nu zij ten onrechte en op willekeurige wijze boventallig is verklaard waarbij tevens ten onrechte niet de hardheidsclausule uit het Sociaal Plan op haar is toegepast. Daarom wordt zij onevenredig in haar financieel belang wordt getroffen. Rabobank heeft aangevoerd dat zij heeft gehandeld conform het Sociaal Plan en de Aanvulling daarop en dat er geen redenen bestaan om, in het geval van verzoekster, hiervan af te wijken, zodat verzoekster recht heeft op een vergoeding van € 130.812,34.

De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen nu zij beiden een einde wensen van het dienstverband van verzoekster en oordeelt dat verweerster hiervan in overwegende mate een verwijst valt te maken. Van Rabobank had, gelet op de omstandigheden waarin verzoekster verkeerde, een andere opstelling mogen worden verwacht bij het boventallig verklaren en de gebeurtenissen daarna. Omdat verweerster niet voldoet aan de norm van goed werkgeverschap rechtvaardigt dit een C-factor van hoger dan 1. De kantonrechter stelt de vergoeding vast op een bedrag van € 175.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0883
XpertHR.nl 2012-400191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-HERTOGENBOSCH

Sector kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer : 848565 / 431

EJ verz. : 12-3757

Uitspraak : 28 september 2012

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde: mr. H.P. Mannens,

t e g e n :

de Coöperatie met beperkte aansprakelijkheid “coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A.,

gevestigd te Amsterdam, statutair gevestigd te Utrecht,

verweerster,

gemachtigde: mr. C.E. Bouma.

Partijen zullen hierna worden genoemd “[verzoekster]” en “Rabobank”.

1. De procedure

Het op 31 augustus 2012 ter griffie van de kantonrechter ingekomen verzoekschrift van [verzoekster] strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Zijdens Rabobank is een verweerschrift ingediend. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 september 2012, bij welke gelegenheid partijen de zaak hebben doen bepleiten door hun gemachtigden. De gemachtigde van [verzoekster] heeft daartoe pleitaantekeningen gebruikt, welke ter zitting aan de kantonrechter zijn overgelegd. Na gevoerd debat is de beschikking bepaald op heden.

2. Inleiding

2.1. Tussen partijen is niet in geschil dat tussen hen een arbeidsovereenkomst voor onbe-paalde tijd bestaat. [verzoekster] is op 6 september 1965 in dienst getreden van Rabobank, laatstelijk in de functie van Medewerker HR Administratie tegen een bruto salaris (inclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering) van € 3.529,11 per maand. [verzoekster] is thans 62 jaar oud.

2.2. [verzoekster] grondt haar verzoek op de stelling dat gewichtige redenen bestaan om de bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden. Zij voert daartoe aan dat zich veranderingen in de omstandigheden hebben voorgedaan die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst dient te worden ontbonden, onder toekenning van een vergoeding aan haar van € 222.400,84.

2.3. Ter toelichting op deze stellingname heeft [verzoekster] – kort samengevat – aangevoerd

dat zij ten onrechte niet geschikt is bevonden voor haar functie die als gevolg van een reorga-nisatie is gewijzigd. Ook is haar functie niet komen te vervallen, zoals door Rabobank aan haar is medegedeeld, en is zij ten onrechte en op willekeurige wijze boventallig verklaard nu in een zeer korte periode, tussen 22 mei en 4 juni 2012, is besloten dat zij niet geschikt was voor de nieuwe functie. Bij brief van 4 juni 2012 is haar tevens kenbaar gemaakt dat het Sociaal Statuut CAO 2011-2012 en de Aanvulling daarop op haar van toepassing zijn. De toepassing hiervan leidt in de situatie van [verzoekster] echter tot een situatie waarin zij onevenredig in haar (financieel) belang wordt getroffen, omdat de beëindigingvergoeding voor haar verhoudings-gewijs te laag is nu deze wordt gemaximeerd tot het inkomen dat zij verdiend zou hebben als zij tot haar 65ste zou hebben gewerkt. De vergoeding wordt hierdoor beperkt tot 37,07 maan-den in plaats van de 64 maanden (waarop zij conform de oude kantonrechtersformule recht zou hebben), waardoor zij bruto € 95.050,70 minder ontvangt. Voorts lijdt zij aanzienlijke pensioenschade en moet rekening worden gehouden met een opzegtermijn van vier maanden. Daarnaast is in de Aanvulling een hardheidsclausule opgenomen voor situaties waarin iemand onevenredig in zijn/haar belangen wordt getroffen, waarop een beroep kon worden gedaan bij de begeleidingscommissie van Rabobank, hetgeen [verzoekster] ook heeft gedaan. Rabobank heeft zich in deze procedure echter niet als goed werkgever gedragen door [verzoekster] niet toe te staan zich door een raadsman te laten bijstaan. Daarnaast is de commissie niet op onafhankelijke wijze tot het oordeel gekomen dat er geen redenen zijn om af te wijken van de Aanvulling Sociaal Statuut.

Verder is door Rabobank onvoldoende rekening gehouden met de lengte van haar dienstver-band en haar leeftijd, aldus [verzoekster].

Gelet op het vorenstaande heeft zij dan ook geen vertrouwen meer in Rabobank als werk-gever en is zij van mening dat sprake is van gewichtige redenen, gelegen in de verandering van omstandigheden die aan Rabobank te verwijten is, op grond waarvan de arbeidsovereen-komst moet worden ontbonden onder toekenning van een vergoeding van € 222.400,84.

2.4. Rabobank heeft tegen het verzoek - zakelijk weergegeven - het navolgende tot verweer aangevoerd.

Aan de Ondernemingsraad is in april 2012 toestemming gevraagd voor herinrichting van de afdeling HRS, waar [verzoekster] werkzaam is. Hierop is positief geadviseerd. Op 21 mei 2012 heeft met [verzoekster] een gesprek plaatsgevonden waarbij samen met haar is geconstateerd dat zij niet geschikt is voor de gewijzigde functie in functiegroep 5. Naar aanleiding van een gesprek op 4 juni 2012 is aan [verzoekster] bevestigd dat zij per 1 augustus 2012 boventallig wordt verklaard. Het is dan aan [verzoekster], gelet op het Sociaal Statuut, om te kiezen tussen het starten van een begeleidingstraject dan wel de arbeidsovereenkomst te beëindigen onder toekenning van een vergoeding conform de oude neutrale kantonrechtersformule (gemaxi-meerd tot het inkomensverlies vanaf de datum van het einde van het dienstverband tot aan haar 65ste, zijnde 37,07 maandsalarissen) een bedrag van € 130.812,34. Bij de laatste optie, waar [verzoekster] voor heeft gekozen, wordt geen rekening gehouden met de fictieve opzeg-termijn en de financiële gevolgen van de beëindiging van het dienstverband worden geacht te zijn gecompenseerd door de vergoeding. In de procedure bij de Begeleidingscommissie is alleen de hoogte van de vergoeding aan de orde geweest en niet de boventalligheid en heeft de commissie geoordeeld dat er geen redenen zijn om het beroep van [verzoekster] op de hardheidsclausule te honoreren en af te wijken van de Aanvulling van het Sociaal Statuut. [verzoekster] heeft ook niet aangetoond dat zij door toepassing hiervan onevenredig in haar belangen wordt geschaad en er is ook geen sprake van ernstige verwijtbaarheid in onderhavige zaak. Daarnaast betwist Rabobank dat de commissie niet op onafhankelijke wijze de kwestie heeft beoordeeld. Er is geen sprake van een onbillijke situatie en Rabobank noch [verzoekster] kan worden verweten dat zij boventallig is geworden. Verder heeft Rabobank nog aangevoerd dat zij zich steeds aan alle geldende termijnen heeft gehouden, zoals die zijn opgenomen in het Sociaal Statuut en zoals overeengekomen met de Ondernemingsraad.

De conclusie is dan ook dat de reorganisatie en de noodzaak van de boventalligheid c.q. de beëindiging van het dienstverband van [verzoekster] voldoende zijn aangetoond en dat [verzoekster] recht heeft op een beëindigingvergoeding van € 130.812,34, aldus Rabobank.

2.5. Voor een nadere feitelijke onderbouwing van de standpunten wordt, voor zover hieronder niet aan te halen, verwezen naar de stukken van het geding.

3. De beoordeling

3.1. Niet is gebleken dat het onderhavige verzoek verband houdt met een van de opzeg-verboden van artikel 7:647, 648, 670 en 670a BW of met enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

3.2. Gelet op de inhoud van de processtukken en hetgeen partijen ter zitting hebben aangevoerd ter toelichting op de processtukken is aannemelijk dat de verhoudingen tussen partijen, gezien alles wat er is gebeurd voorafgaand aan de boventalligheidverklaring van [verzoekster], dusdanig verstoord zijn geraakt dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet langer mogelijk is. Tegen het verzoek van [verzoekster] om ontbinding van de arbeidsovereen-komst heeft Rabobank ook geen inhoudelijk verweer gevoerd. Vast staat dat ook al zou de arbeidsovereenkomst niet worden ontbonden, zij ook een einde van de arbeidsrelatie tussen partijen wenst.

Gelet op het voorgaande zal het verzoek van [verzoekster] tot ontbinding van de arbeidsovereen-komst op grond van een verandering van omstandigheden worden toegewezen. De arbeids-overeenkomst tussen partijen zal met ingang van 1 november 2012 worden ontbonden.

3.3. Nu de arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt ontbonden op grond van verandering in omstandigheden rijst de vraag of daarbij aan [verzoekster] een vergoeding dient te worden toegekend. Voor de kantonrechter bestaat immers de mogelijkheid om, bij toewijzing van de gevorderde ontbinding wegens verandering in de omstandigheden, indien hem dat billijk voorkomt, een vergoeding aan een van de partijen toe te kennen ten laste van de wederpartij (artikel 7:685 lid 8 BW). De vergoeding wordt naar billijkheid vastgesteld.

Voor de hoogte van de vergoeding is ook van belang of de ontbindingsgrond al dan niet geheel in de risicosfeer van één van partijen valt, of van de opgetreden veranderingen in de omstandigheden aan één van de partijen in overwegende mate een verwijt te maken valt en of sprake is van handelen conform de norm van goed werkgever- dan wel werknemerschap.

3.4. De kantonrechter overweegt hieromtrent als volgt.

Voorop kan worden gesteld dat een ondernemer de bedrijfsvoering mag (her)inrichten op een door hem voorgestane wijze, maar dat hierbij wel de belangen van werknemers moeten worden gerespecteerd. Van een werkgever mag worden verwacht dat zij hiermee zorgvuldig omgaat. Dit geldt in dit geval temeer nu [verzoekster] op jonge leeftijd bij Rabobank in dienst is getreden en haar gehele werkzame leven, thans 47 jaar, ten dienste van Rabobank heeft gesteld. Hieraan komt nu een einde om geen andere reden dan de wens van Rabobank om haar functie te wijzigen en de mening van Rabobank dat [verzoekster] niet geschikt is voor de vervulling van de gewijzigde functie. In dit verband heeft Rabobank onvoldoende onder-bouwd dat [verzoekster] niet geschikt was om de gewijzigde functie uit te oefenen. [verzoekster] heeft immers 47 jaar lang administratief werk verricht en zij heeft onweersproken gesteld dat haar beoordelingen altijd goed waren. Ook is niet aannemelijk dat er thans geen vergelijkbaar administratief werk meer hoeft te worden verricht op de afdeling HRS. Verder heeft Rabobank geen extern bureau in geschakeld om de mogelijkheden van [verzoekster] te beoo-rdelen. Zij heeft enkel alleen informatie ingewonnen bij leidinggevenden.

Niet is gebleken dat Rabobank voldoende zorgvuldigheid in acht heeft genomen bij het bepalen van de boventalligheid van [verzoekster] en dat zij zich als goed werkgever heeft gedragen door de belangen zorgvuldig af te wegen in de situatie waarbij [verzoekster] 47 jaar bij Rabobank heeft gewerkt en thans 62 jaar oud is. Dat [verzoekster] niet eerder verweer heeft gevoerd tegen de boventalligheidverklaring, doet hier niet aan af nu zij het recht heeft om dit in onderhavige procedure naar voren te brengen.

Ook wat betreft de door Rabobank gehanteerde termijnen heeft zij niet de van haar te ver-wachten zorgvuldigheid in acht genomen. Het was in deze situatie gepast geweest om in ieder geval langer dan twee weken te bekijken of er voor [verzoekster] mogelijkheden waren om, conform de wens van [verzoekster], in dienst te blijven dan wel om maatwerk toe te passen.

Voorts is van belang dat [verzoekster] bij de Begeleidingscommissie zich niet mocht laten bij-staan door een adviseur om haar verhaal naar voren te brengen, terwijl die commissie een doorslaggevend advies geeft over de situatie van [verzoekster]. Dit is niet aan te merken als een adequate bezwarenbehandeling.

Rabobank erkent dat de onderhavige situatie een enorme impact heeft op [verzoekster] en erkent zelfs dat het voor [verzoekster] een persoonlijk drama moet zijn dat zij thans op straat komt te staan. De kantonrechter acht het dan ook onbegrijpelijk dat onvoldoende acht geslagen is op de belangen van [verzoekster] en niet gekeken is naar de mogelijkheden om in haar situatie maatwerk toe te passen.

Bovengenoemde omstandigheden maken dat Rabobank niet als goed werkgever heeft gehandeld en dit weegt mee bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding.

3.5. De stelling van Rabobank, dat nu het Sociaal Statuut schriftelijk overeen is gekomen met de betrokken vakbonden de vergoeding ook op het Statuut moet worden gebaseerd, is in beginsel correct. Het Sociaal Statuut is, anders dan [verzoekster], stelt ook op haar van toepassing. Bij een onbillijke uitkomst kan echter een opwaartse correctie worden toegepast. Gelet op het onder 3.4. overwogene is het oordeel van de kantonrechter dat hiervan sprake is en dat Rabobank in overwegende mate een verwijt valt te maken van de verandering in omstandig- nu van haar, gelet op de omstandigheden waarin [verzoekster] verkeerde, een andere opstelling had mogen worden verwacht. Omdat Rabobank niet voldoet aan de norm van goed werk-geverschap rechtvaardigt dit een C-factor van hoger dan 1. Partijen zijn het er kennelijk over eens dat de inkomstenderving – exclusief opzegtermijn en pensioenschade – tot aan de te verwachten pensioendatum van [verzoekster] afgerond € 131.000,00 bedraagt. De kantonrechter zal bij de bepaling van de vergoeding in dit geval ook rekening houden met de opzegtermijn van vier maanden alsmede met de pensioenschade, waarvan Rabobank ook heeft erkend dat [verzoekster] die lijdt. De kantonrechter zal de vergoeding op deze gronden vaststellen op een bedrag van € 175.000,00.

3.6. Nu de kantonrechter voornemens is om de arbeidsovereenkomst te ontbinden onder toekenning van een lagere vergoeding aan [verzoekster] dan de vergoeding die zij heeft verzocht, zal aan haar de gelegenheid worden geboden het verzoek in te trekken. Mocht zij daartoe besluiten, dan zal zij de kosten van dit geding hebben te dragen. Mocht zij dat niet of niet tijdig doen, dan zal de kantonrechter, gelet op het onder 3.4. en 3.5. overwogene, Rabobank veroordelen in de kosten van deze procedure.

4. De beslissing

De kantonrechter:

stelt [verzoekster] tot en met vrijdag 26 oktober 2012 in de gelegenheid om het ingediende verzoek in te trekken en wel door middel van een schriftelijke verklaring aan de griffier;

bij intrekking van het verzoek:

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de coöperatie met beperkte aansprakelijkheid Coöperatieve Centrale Raiffeisenboerenleenbank B.A. tot op heden begroot op € 400,00 als bijdrage in het salaris van zijn gemachtigde (niet met b.t.w. belast);

bij handhaving van het verzoek:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2012, onder toekenning aan [verzoekster] ten laste van de coöperatie met beperkte aansprakelijkheid Coöperatieve Centrale Raiffeisenboerenleenbank B.A. van een vergoeding van

€ 175.000,00 (zegge: honderd vijfenzeventig duizend euro), bruto en veroordeelt de coöperatie met beperkte aansprakelijkheid Coöperatieve Centrale Raiffeisenboerenleen-bank B.A. tot betaling van dit bedrag aan of ten name van [verzoekster] op een door [verzoekster] te geven, binnen fiscaalrechtelijke grenzen toelaatbare, wijze;

veroordeelt de coöperatie met beperkte aansprakelijkheid Coöperatieve Centrale Raiffeisenboerenleenbank B.A. in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [verzoekster] tot op heden begroot op € 73,00 aan griffierecht en € 400,00 als bijdrage in het salaris van zijn gemachtigde (niet met b.t.w. belast);

Deze beschikking is gegeven te ’s-Hertogenbosch door mr. J.P.M. van der Ham, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 september 2012.

Zaaknummer: 848565 EJ VERZ 12-3757 blad 5

beschikking