Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX8821

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-09-2012
Datum publicatie
02-10-2012
Zaaknummer
Awb 12 / 2687 en Awb 12 / 2688
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:1224, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Intrekking erkenning bedrijfsvoorraad. Eigendom van het voertuig. Afgelegde verklaring.

Aan de orde is of verzoekster ten tijde van de aanmelding van het voertuig in de bedrijfsvoorraad op 21 maart 2012 de eigendom van dat voertuig heeft verworven. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van

3 maart 2010, LJN: BL6225) volgt dat het op de weg ligt van degene aan wie de erkenning is verleend om tijdens het controlebezoek gegevens te verschaffen inzake de eigendom van de door hem aangemelde voertuigen. Hoewel verweerder in beginsel mag uitgaan van de juistheid van verklaringen zoals afgelegd ten overstaan van de controleur, heeft verweerder in dit geval geen doorslaggevende betekenis mogen toekennen aan de inhoud van de door (betrokkene 1) afgelegde verklaring zoals opgenomen in het rapport. Hiertoe is van belang dat niet in geschil is dat de kentekenbewijzen op 21 maart 2012 op naam van verzoekster stonden en dat deze bewijzen tijdens de controle zijn getoond. Voorts is van belang dat verzoekster gemotiveerd heeft uiteengezet dat zij het voertuig op 21 maart 2012 van (verkoper) heeft gekocht. (Verkoper) had het voertuig aanvankelijk ter reparatie aangeboden, maar nadat bleek dat daaraan hogere kosten waren verbonden, zijn

(Verkoper) en verzoekster overeengekomen dat de auto in ieder geval voor € 5.000,00 zou worden ingeruild. Omdat op 21 maart 2012 nog niet duidelijk was welke auto (verkoper) van verzoekster zou kopen, heeft verzoekster op dat moment nog geen inkoopfactuur kunnen opmaken. (Verkoper) heeft uiteindelijk de auto ingeruild tegen een andere auto van verzoekster voor het afgesproken bedrag van € 5.000,00. Een en ander wordt ondersteund door de door verzoekster overgelegde verklaring van (verkoper). Verder acht de voorzieningenrechter, gezien het voorgaande en in aanmerking genomen dat (betrokkene 2) de overeenkomst met (verkoper) heeft gesloten en dat (betrokkene 1) de controleur te woord heeft gestaan, omdat (betrokkene 2) het te druk had, niet onaannemelijk dat de afgelegde verklaring van (betrokkene 1) berust op een misverstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/2687 (voorlopige voorziening)

AWB 12/2688 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 september 2012 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] te [plaats] verzoekster

(gemachtigde: mr. A.A. Alciyan),

en

De Algemeen Directeur van de RDW, verweerder

(gemachtigde: mr. H.S. Zawity).

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2002 (het primaire besluit) heeft verweerder naar aanleiding van een overtreding de erkenning bedrijfsvoorraad van verzoekster ingetrokken voor de duur van zes weken.

Bij besluit van 13 augustus 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft zij bij de voorzieningenrechter een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend inhoudende het bestreden besluit te schorsen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2012. Voor verzoekster zijn verschenen de [naam A] en [naam B] bijgestaan door de hiervoor genoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2. Verzoekster heeft op 21 maart 2012 het voertuig met kenteken 44-NS-VD aangemeld in de bedrijfsvoorraad.

3. Op 5 april 2012 heeft een bedrijvencontroleur van de RDW een controlebezoek afgelegd aan verzoekster. Blijkens het rapport heeft [naam B] het volgende verklaard:

“het voertuig is niet mijn eigendom, de eigenaar [naam C] uit Rosmalen. [naam C] heeft dit voertuig bij ons aangeschaft, daarna om laten bouwen naar LPG, maar na enige tijd kwam naar voren dat de koppakking niet goed was. Achteraf bleek dit voertuig nog meer gebreken te hebben en hebben wij als service aan de klant het voertuig gevrijwaard, daar er enorme kosten bleken te zijn voor reparatie. Wij zijn nog in overleg met de klant om het voertuig van hem terug te kopen. Hij heeft op dit moment een vervangend voertuig van ons in gebruik.”

4. In het rapport staat tevens vermeld dat het complete voertuigbewijs en vrijwaring aanwezig waren en werden getoond.

5. Verweerder heeft de erkenning bedrijfsvoorraad van verzoekster ingetrokken voor de duur van zes weken, omdat verzoekster het voertuig in de bedrijfsvoorraad heeft aangemeld, terwijl verzoekster niet de eigendom van dat voertuig heeft verkregen. Volgens verweerder heeft verzoekster hiermee artikel 62, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 94) overtreden. Verweerder heeft deze overtreding aangemerkt als een overtreding van categorie III, zoals genoemd in de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de intrekking gehandhaafd.

6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

7. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

8. Artikel 8:86, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting waarop het verzoek is behandeld nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. In de uitnodiging voor de zitting zijn partijen op deze bevoegdheid gewezen.

9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hiervan sprake. Om die reden zal hij onmiddellijk uitspraak doen in de beroepszaak.

10. Ingevolge artikel 62, eerste lid, van de WVW 1994 kan de Dienst Wegverkeer aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is motorrijtuigen en aanhangwagens waarvan hij de eigendom heeft verkregen, in zijn bedrijfsvoorraad op te nemen.

11. Ingevolge artikel 65, tweede lid, aanhef en onder c, van de WVW 1994 kan de Dienst Wegverkeer een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

12. Ingevolge artikel 65a van de WVW 1994 kunnen bij ministeriële regeling regels worden vastgesteld met betrekking tot het intrekken, wijzigen en schorsen.

13. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad moet het erkende bedrijf het bij en krachtens de wet bepaalde omtrent de bedrijfsvoorraad, de erkenning alsmede de registratie, het gebruik en de beëindiging van de registratie van de tot de bedrijfsvoorraad behorende voertuigen in acht nemen.

14. Aan de orde is of verzoekster ten tijde van de aanmelding van het voertuig in de bedrijfsvoorraad op 21 maart 2012 de eigendom van dat voertuig heeft verworven. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van

3 maart 2010, LJN: BL6225) volgt dat het op de weg ligt van degene aan wie de erkenning is verleend om tijdens het controlebezoek gegevens te verschaffen inzake de eigendom van de door hem aangemelde voertuigen. Hoewel verweerder in beginsel mag uitgaan van de juistheid van verklaringen zoals afgelegd ten overstaan van de controleur, heeft verweerder in dit geval geen doorslaggevende betekenis mogen toekennen aan de inhoud van de door [naam B] afgelegde verklaring zoals opgenomen in het rapport. Hiertoe is van belang dat niet in geschil is dat de kentekenbewijzen op 21 maart 2012 op naam van verzoekster stonden en dat deze bewijzen tijdens de controle zijn getoond. Voorts is van belang dat verzoekster gemotiveerd heeft uiteengezet dat zij het voertuig op 21 maart 2012 van [naam C] heeft gekocht. [naam C] had het voertuig aanvankelijk ter reparatie aangeboden, maar nadat bleek dat daaraan hogere kosten waren verbonden, zijn

[naam C] en verzoekster overeengekomen dat de auto in ieder geval voor € 5.000,00 zou worden ingeruild. Omdat op 21 maart 2012 nog niet duidelijk was welke auto [naam C] van verzoekster zou kopen, heeft verzoekster op dat moment nog geen inkoopfactuur kunnen opmaken. [naam C] heeft uiteindelijk de auto ingeruild tegen een andere auto van verzoekster voor het afgesproken bedrag van € 5.000,00. Een en ander wordt ondersteund door de door verzoekster overgelegde verklaring van [naam C] van

3 september 2012. Verder acht de voorzieningenrechter, gezien het voorgaande en in aanmerking genomen dat [naam A] de overeenkomst met [naam C] heeft gesloten en dat [naam B] de controleur te woord heeft gestaan, omdat [naam A] het te druk had, niet onaannemelijk dat de afgelegde verklaring van [naam B] berust op een misverstand.

15. Hieruit vloeit voort dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en onzorgvuldig is voorbereid. Het beroep is dus gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

16. De voorzieningenrechter ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid onder c, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en de intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad voor de duur van zes weken (het primaire besluit) te herroepen. Hiertoe acht de voorzieningenrechter van belang dat, zoals ter zitting van de voorzieningenrechter duidelijk is geworden, verweerder voor zijn standpunt dat verzoekster niet de eigendom van het voertuig heeft verkregen geen ander argument heeft aangedragen dan dat

[naam B] dat zo heeft verklaard en dat dit argument, gezien het voorgaande, geen standhoudt. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat verzoekster ten tijde van de aanmelding van het voertuig in de bedrijfsvoorraad de eigendom van dat voertuig heeft verworven. Dit betekent dat verzoekster artikel 62, eerste lid, van de WVW 1994 niet heeft overtreden, zodat verweerder niet bevoegd was de erkenning in te trekken.

17. De voorzieningenrechter zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

18. Het voorgaande brengt met zich dat verzoekster geen belang meer heeft bij de gevraagde voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

19. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept de intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad voor de duur van zes weken (het primaire besluit);

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00, welk bedrag is toe te rekenen aan een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00, welk bedrag is toe te rekenen aan een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- gelast dat verweerder aan verzoekster vergoedt het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 310,00);

- gelast dat verweerder aan verzoekster vergoedt het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 310,00).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.A.M.C. Habraken-Hermans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2012.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede

te onderteken.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarbij op het beroep is beslist, binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.