Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX8769

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-10-2012
Datum publicatie
01-10-2012
Zaaknummer
01/849402-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf voor de tijd van 30 maanden en TBS met dwangverpleging voor het verkrachten, mishandelen en iemand van de vrijheid beroven, gepleegd op een camping te Wanroij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/849402-11

Datum uitspraak: 01 oktober 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1970],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: Vught PPC.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 november 2011, 21 februari 2012, 14 mei 2012, 28 juni 2012 en 17 september 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 november 2011.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 14 mei 2012 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 09 juli 2006 te Wanroij, gemeente Sint Anthonis, door

geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of

(een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer ] (geboren [geboortedatum])

heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit

of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer ], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) en/of tong

en/of een of meer andere voorwerpen in de vagina en/of tussen de

schaamlippen van die [slachtoffer ] gebracht en/of geduwd en/of de vagina en/of

schaamstreek van die [slachtoffer ] betast en/of daaraan gelikt en bestaande dat

geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die

andere feitelijkhe(i)d(en) in het onverhoeds benaderen en/of vastpakken van

(het gezicht van en/of de nek van) die [slachtoffer ] en/of (vervolgens/daarbij)

het bedwelmen van die [slachtoffer ] met een met chloroform, althans met een of

meer bedwelmende stof(fen) besprenkelde hand(schoen) en/of mouw en/of stuk

textiel en/of het (vervolgens) in de bosschages trekken van die [slachtoffer ]

en/of (aldus) voor die [slachtoffer ] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

[artikel 242 Wetboek van Strafrecht]

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 juli 2006 te Wanroij, gemeente Sint Anthonis, met [slachtoffer ] (geboren [geboortedatum]), die toen de leeftijd van twaalf jaren

nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die

bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het

lichaam van die [slachtoffer ], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis en/of

tong en/of vinger(s) en/of een ander voorwerp in de vagina en/of tussen de

schaamlippen van die [slachtoffer ] geduwd/gebracht en/of de vagina en/of

schaamstreek van die [slachtoffer ] betast en/of daaraan gelikt;

[artikel 244 Wetboek van Strafrecht]

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 juli 2006 te Wanroij, gemeente Sint Anthonis, door

geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of

(een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer ] (geboren [geboortedatum]),

heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige

handeling(en), bestaande uit het betasten van en/of likken aan en/of bij de

vagina en/of schaamlippen en/of schaamstreek van die [slachtoffer ], in elk geval

het betasten van het lichaam van die [slachtoffer ] en bestaande dat geweld of

die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of andere

feitelijkhe(i)d(en) uit het onverhoeds benaderen en/of vastpakken van (het

gezicht van en/of de nek van) die [slachtoffer ] en/of (vervolgens/daarbij) het

bedwelmen van die [slachtoffer ] met een met chloroform, althans met een of meer

bedwelmende stof(fen) besprenkelde hand(schoen) en/of mouw en/of stuk textiel

en/of het (vervolgens) in de bosschages trekken van die [slachtoffer ] en/of

(aldus) voor die [slachtoffer ] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

[artikel 246 Wetboek van Strafrecht]

meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 juli 2006 te Wanroij, gemeente Sint Anthonis, met [slachtoffer ] (geboren [geboortedatum]), die toen de leeftijd van zestien jaren

nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft

gepleegd, bestaande uit het betasten van en/of likken aan en/of bij de vagina

en/of schaamlippen en/of schaamstreek van die [slachtoffer ], in elk geval het

betasten van het lichaam van die [slachtoffer ];

[artikel 247 Wetboek van Strafrecht]

2.

Hij op of omstreeks 09 juli 2006 te Wanroij, gemeente Sint Anthonis,

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer ]) met een met

chloroform, althans met een of meer bedwelmende en/of bijtende en/of

brandende stof(fen) besprenkelde hand(schoen) en/of mouw en/of stuk textiel

(met kracht) in het gezicht en/of bij de nek heeft vastgepakt en/of

(vervolgens) in de bosschages heeft getrokken en/of door die bosschages langs

uitstekende struiken en/of takken getild, waardoor deze letsel heeft bekomen

en/of pijn heeft ondervonden;

[artikel 300 Wetboek van Strafrecht]

3.

Hij op of omstreeks 09 juli 2006 te Wanroij, gemeente Sint Anthonis,

opzettelijk [slachtoffer ] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of

beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet

-die [slachtoffer ] met een met chloroform, althans een of meer bedwelmende

stof(fen) besprenkelde hand(schoen) en/of mouw en/of stuk textiel (met kracht)

in het gezicht en/of bij de nek heeft vastgepakt en/of

-(vervolgens) die [slachtoffer ] de bosschages in getrokken en/of gesleurd en/of

getild en/of

-(vervolgens) die [slachtoffer ], al dan niet in bewusteloze toestand verkerend,

enige tijd in deze bosschages (vast)gehouden;

[artikel 282 Wetboek van Strafrecht]

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier stelt zich op het standpunt dat, op de gronden zoals door haar omschreven in haar schriftelijk requisitoir, de feiten 1 primair, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de feiten 2 en 3 zoals tenlastegelegd bewezen kunnen worden verklaard, gelet op de verklaring van [slachtoffer ], het fysieke bewijs en de bekennende verklaring van verdachte.

Wat betreft feit 1 is de verdediging van mening dat voor alle varianten onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Er is immers geen verklaring van het slachtoffer, verdachte ontkent het feit en er zijn ook verder geen getuigen. Het fysieke bewijs past binnen de verklaring van verdachte, te weten dat hij met speeksel op zijn vingers een bloedvlekje op haar bovenbeen heeft weggeveegd en haar broekje opzij heeft gedaan om te kijken of zij een verwonding had, en is op zichzelf onvoldoende om het seksuele aspect van de tenlastelegging te kunnen bewijzen.

Het oordeel van de rechtbank.1

Ten aanzien van de feiten 2 en 3:

De rechtbank acht, gelet op de verklaring van de, ten tijde van het delict, 9-jarige2 [slachtoffer ]3, de bevindingen van de politie4, het rapport van [arts 1]5, huisarts [arts 2]6 en kinderarts [arts 3]7 alsmede de bekennende verklaring van verdachte8 het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen als na te melden.

Ten aanzien van feit 1, primair/subsidiair/meer subsdiair/meest subsidiair:

De rechtbank houdt rekening met de navolgende bewijsmiddelen.

Wat betreft de vaststaande feiten en omstandigheden:

1.

Het proces-verbaal van bevindingen9 van de politie opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] vermeldt - zakelijk weergegeven - het navolgende.

Op zondag 9 juli 2006, omstreeks 18.30 uur, kregen wij de opdracht te gaan naar de [adres] te Wanroij. Daar is gevestigd camping "[naam 1]". Op deze camping zou een 9-jarig meisje door een man de bosjes ingetrokken zijn. Het meisje zou in slaap gevallen zijn. Hierop zijn wij direct ter plaatse gegaan. Omstreeks 19.03 kwamen wij ter plaatse. Daar werden wij ontvangen door de heer [betrokkene] die ons begeleidde naar het kantoorgebouw van de camping. Aldaar zou het slachtoffertje en haar familie zijn. In het kantoorgebouw troffen wij (o.a.) aan:

[slachtoffer ], geboren [geboortedatum]10. [slachtoffer ] betreft het slachtoffer.

Wij zagen dat [slachtoffer ] was gekleed in een bikini, deze was rood van kleur met groene vlakken. Verder had ze lage instapschoentjes aan. [slachtoffer ] droeg een rood brilletje. Verder zagen wij dat [slachtoffer ] om haar mond wat rode vegen dan wel geïrriteerde plekken had. Wij zagen ook dat ze op haar onderbenen en enkels diverse krassen en sneetjes had.

In het kort werd door [slachtoffer ] aan ons verbalisanten verteld wat er was gebeurd. Wij hoorden dat [slachtoffer ] tegen ons zei dat ze wilde gaan zwemmen op de camping. Haar stiefbroer [betrokkene 2] en haar broer [betrokkene 3] waren al aan de waterkant. [slachtoffer ] en haar stiefzus [betrokkene 4] waren wat later vertrokken bij hun stacaravan en zouden naar de twee broers toelopen. Bij hun broers aangekomen bemerkte [slachtoffer ] dat ze haar bril nog op had. Ze wilde deze niet aan de waterkant houden en vervolgens is ze terug gegaan naar de stacaravan om daar haar bril neer te leggen. [slachtoffer ] vertelde dat ze terug liep via een bospad en dat ze daar opeens werd vastgepakt. Vervolgens wordt [slachtoffer ] slaperig en weet ze zich niets meer te herinneren. [slachtoffer ] vertelde dat ze wakker werd tussen de bosjes. Hierop is ze in paniek naar haar broers en zus aan de waterkant gerend.

De kleding van [slachtoffer ] is door ons veilig gesteld. In het kantoorgebouw was een aparte ruimte waar de stiefmoeder van [slachtoffer ] haar kon helpen met omkleden. Ik, [verbalisant 1], heb de stiefmoeder instructies gegeven over hoe om te gaan met de kleding die [slachtoffer ] aan had. Ik heb haar medegedeeld dat elk kledingstuk apart verpakt moest worden in de papieren zakken die ik haar had gegeven. Nadat [slachtoffer ] was omgekleed kreeg ik, [verbalisant 1] van de stiefmoeder 3 papieren zakken overhandigd welke dicht waren gevouwen. Deze drie zakken zijn door mij veilig gesteld en overgedragen aan de technische recherche.

Op een gegeven moment werd [slachtoffer ] misselijk en moest ze braken. Het braaksel is opgevangen. Later is dit braaksel door de technische recherche onderzocht en bemonsterd.

2.

De aangifte van [betrokkene 5], zijnde de moeder van [slachtoffer ] d.d. 11 juli 200611 vermeldt (voorts) het volgende.

Ik doe aangifte namens mijn dochter [slachtoffer ], geboren op [geboortedatum]. Wat mij het eerste opviel waren de zwarte vlekken in haar gezicht. Die zaten op haar kin en de rest van haar gezicht was rood aangeslagen. In mijn ogen was haar kin zwart. In haar hals en op haar kaak zag ik rode strepen.12 Toen ik [slachtoffer ] op schoot had attenteerde [betrokkene 6] mij erop om in het broekje van [slachtoffer ] te kijken. Ik heb toen gekeken en ik zag dat het een beetje nat was. Ik zag dat het rood was, het was bloed.

[slachtoffer ] heeft vanaf zondagavond 9 juli 2006 niet meer geplast tot maandagavond 10 juli 2006 rond 19.30 uur. Op een gegeven moment heb ik tegen [slachtoffer ] gezegd dat ze moest plassen. [slachtoffer ] gaf aan dat het prikt als ze plast, ze wilde niet. Ze heeft haar plas dus opgehouden omdat ze bang was dat het pijn zou doen en zou prikken. Die maandagavond heeft ze echter heel veel geplast en gaf ze ook aan dat het geen pijn deed. Terwijl ze eerder heeft gezegd dat ze die zondagavond in het kantoortje naar de wc is gegaan en toen maar een druppel had geplast omdat het prikte.13 Maandagavond zag ik dat [slachtoffer ] een blaasje op haar kin kreeg. Dat was op de plek waar die zwarte vlek zat. Het sprong open en er kwam wat vocht uit. Het leek op een brandblaar. Vanmorgen zie ik dat er een stukje vel van haar kin af is en dat heb ik met een pincetje veilig gesteld.14

3.

Ter terechtzitting d.d. 17 september 2012, heeft verdachte - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende gezegd:

Ik ben in de middag van 9 juli 2006 naar camping "[naam 1]" in Wanroy gereden. Daar aangekomen ben ik uit mijn auto gestapt en heb ik een pil geslikt. Omdat deze pil niet werkte heb ik ook door mij meegenomen GHB ingenomen. De chloroform, die ik eveneens in een flesje bij me had, heb ik vervolgens op de lange mouw van mijn shirt gesprenkeld. Ik liep op een bospad. Ik zag op enig moment een persoon voorbij komen en ik zwaaide met mijn met chloroform besprenkelde arm en heb daarmee de persoon van achteren vastgepakt en tegen me aangetrokken. Ik had wel in de gaten dat mijn mouw bij de mond van de persoon in de buurt kwam. Ik had mijn hand gedeeltelijk in de mouw van mijn shirt gedaan en de persoon daarmee bij het gezicht vastgepakt. Toen ik mezelf weer kon hervatten zag ik dat een klein meisje gehurkt voor mijn voeten zat, met haar rug tegen mijn schenen aan. Ik stond. Ik heb haar opgepakt en vastgehouden, tegen me aan. Ik heb haar in een wieghouding vastgepakt, zoals je een baby vasthoudt. Ik wilde niet met haar gezien worden en ben, met haar in mijn armen, een meter of 15 de bosschages ingelopen. Het lopen ging moeizaam. Ik ben overal tegenaan gelopen en ik heb haar ook laten vallen, waarna ik haar weer op een klungelige manier oppakte. Ik heb haar vervolgens neergelegd op een open stukje zand.

4.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4]15 vermeldt - zakelijk weergegeven - het volgende:

In een onderzoekskamer van de eerste hulp van het Maasziekenhuis te Boxmeer werd door GGD-arts [arts 1] het forensisch medisch onderzoek uitgevoerd bij [slachtoffer ]. De door de GGD-arts veilig gestelde sporen zijn verpakt in een onderzoeksset zedendelicten. De doos werd voorzien van het BPS-nummer 06-195333 en een DNA-zegel.

Besloten werd om ook bloed af te nemen bij [slachtoffer ].

Aan de voorzijde van het lichaam werden op het linkerbovenbeen en de rechterenkel krasjes gezien, alsmede schaafwondjes aan de achterzijde van beide benen.16

Zeer opvallend zijn de donkere verkleuringen rondom de mond. Ze hebben het meest weg van blauwe plekken. Volgens moeder waren deze voor het voorval niet aanwezig.17

5.

Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 2 augustus 2006, met kenmerk 06-195333 en zaaknummer 2006.07.11.09118 vermeldt het volgende:

In het bloed (SVO 1.004) zijn aceton en chloroform aangetoond19.

SVO 1.004 betreft: NFI-nummer 1.004, SO-04: Bloed [slachtoffer ] (datum en tijd: 9 juli 2006 om 23.45 uur, zegelnummer 566387).20

Bij het inademen van chloroform kan o.a. duizeligheid, misselijkheid, hoofdpijn en bewusteloosheid optreden. Bij contact met de huid kunnen ontstaan: roodheid en droge huid.21

Wat betreft het seksueel binnendringen:

6.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4]22 vermeldt - zakelijk weergegeven - het volgende:

In een onderzoekskamer van de eerste hulp van het Maasziekenhuis te Boxmeer werd door GGD-arts [arts 1] het forensisch medisch onderzoek uitgevoerd bij [slachtoffer ]. De door de GGD-arts veilig gestelde sporen zijn verpakt in een onderzoeksset zedendelicten. De doos werd voorzien van het BPS-nummer 06-195333 en een DNA-zegel.

Door sociaal geneeskundige [arts 1] wordt voorts het navolgende geconstateerd.

Rond/op de grote schaamplippen zijn enkele schaafverwondingen zichtbaar evenals een streepje bloed van enkele centimeters lengte. Rondom de vagina is de huid licht geïrriteerd. Het hymen (maagdenvlies) lijkt deels intact.23

7.

Het rapport van de Polikliniek Forensische Pediatrie van het Forum Educatief d.d. 2 oktober 200624 vermeldt -zakelijk weergegeven - het volgende:

Op 13 juli en 8 september 2006 werd door [arts 3] een forensisch pediatrisch onderzoek verricht bij [slachtoffer ], geboren [geboortedatum].

Het navolgende wordt - zakelijk weergegeven - geconcludeerd:

Bevindingen FE (Forum Educatief):

13/07 Kleine donkere plek op de rechter grote schaamlip, rond gehele opening van de plasbuis licht oedeem en lichte roodheid, oppervlakkige erosie op het hymen op 6 uur.

08/09 Kleine donkere plek op de rechter grote schaamlip, rond gehele opening van de plasbuis licht oedeem en lichte roodheid, oppervlakkige erosie op het hymen op 6 uur (in vergelijking met het onderzoek op 13/07 minder opvallend en afgenomen in omvang).25

Gezien het ontbreken van andere verklaringen over het ontstaan van de symmetrische roodheid van de grote schaamlippen die op de door de verstrekte foto's zichtbaar is, en het verdwijnen van de afwijking binnen enkele dagen kan worden gesteld dat het aantreffen consistent is met een verklaring die wijst op manipulatie in dit gebied. Het is niet mogelijk aan te geven of de manipulatie is gebeurd met vingers, penis of voorwerp.

Het herhaald aantreffen van de zwelling en roodheid rond de plasbuisopening en het herstel van de spontane mictie bij zichtbare "afwijkingen" pleit voor een anatomische variant. Door manipulaties kunnen de mogelijke verschijnselen van de variant versterkt worden. Hierbij veroorzaakt met name de toename van de zwelling plasproblemen. Voorgaande vormt een plausibele verklaring voor de plasproblemen van [slachtoffer ] op de eerste dagen na het gemelde incident. De meest plausibele verklaring voor de erosie op de hymenrand is digitale manipulatie. Het trage genezingsproces kan worden verklaard op basis van hernieuwde beschadiging van de nog niet volledig genezen erosie tijdens dagelijkse handeling, toiletgang of masturbatie, indien kan worden uitgesloten er een hernieuwd misbruik contact heeft plaatsgevonden. Met andere woorden: De bevindingen bij lichamelijk onderzoek door verschillende artsen op verschillende tijdstippen wijzen op afwijkingen die op plausibele gronden het gemelde vermoeden van seksueel misbruik ondersteunen26.

De vorm van de huidafwijkingen op de linkerwang en de kin kan passen bij het met kracht bedekken of omvatten van het gelaat met de handpalm en de vingers. Hierbij zijn de vingers op de linkerwang gelokaliseerd en de handpalm op de kin27.

De afwijkingen die bij [slachtoffer ] in het gelaat zijn aangetroffen kunnen passen bij de applicatie van chloroform. De lichamelijke verschijnselen van [slachtoffer ], direct aansluitend aan het gemelde incident (brandende droge lippen, braken, misselijk, suf zijn) zijn weliswaar niet specifiek voor chloroform, maar passen hier wel bij.28

Als slotopmerking stelt [arts 3]29:

De afwijkingen die bij [slachtoffer ] zijn aangetroffen en met name de combinatie van de afwijkingen in het gelaat en in de schaamstreek passen bij een situatie waarbij [slachtoffer ] mogelijk: 1) in eerste instantie van achter benaderd is, 2) daarna, vermoedelijk door een rechtshandige dader, met kracht vastgegrepen is, 3) toen bedwelmd is met chloroform en 4) uiteindelijk seksueel misbruikt is.

8.

Het rapport van de Forensische Polikliniek Kindermishandeling van forensisch arts [arts 4] d.d. 13 maart 2012 vermeldt - zakelijk weergegeven - het volgende.

Het forensisch-pediatrisch onderzoek dat op 13 juli 2006 door [arts 3] is verricht en dat op 8 september 2006 volledigheidshalve door hem is herhaald, heeft lege artis (conform de daarvoor gebruikelijke forensisch-medische wijze en met de daarvoor noodzakelijke zorgvuldigheid) plaatsgevonden. Het rapport van [arts 3] vormt daardoor een betrouwbare uitkomst van het onderzoek.30

Bij de conclusies van [arts 3] zijn enkele kanttekeningen te plaatsen.

1) op basis van de wetenschappelijke literatuur kan worden geconcludeerd dat de symmetrische roodheid van de schaamlippen zoals die bij [slachtoffer ] werd geconstateerd zeer wel mogelijk het gevolg kan zijn van het gemelde incident waarbij manipulatie in het genitale gebied heeft plaatsgevonden. Een andere oorzaak voor de roodheid is echter niet uit te sluiten, ook indien een eventuele verklaring daarvoor ontbreekt.31

2) Uit het feit dat de zwelling en roodheid rond de plasbuisopening bij [slachtoffer ] zowel tijdens het eerste lichamelijk onderzoek op 13 juli 2006 als bij het tweede lichamelijk onderzoek op 8 september 2006 is vastgesteld, terwijl de plasproblemen bij [slachtoffer ] verdwijnen, mag worden geconcludeerd dat deze zwelling en roodheid bij [slachtoffer ] vrijwel zeker een anatomische variant betreft en dat er meest waarschijnlijk geen direct verband bestaat tussen de roodheid en de zwelling enerzijds en de plasproblemen bij [slachtoffer ] op 10 juli en 11 juli 2006 anderzijds. In tegenstelling tot de bewering van [arts 3], is het derhalve niet waarschijnlijk te noemen dat de plasproblemen bij [slachtoffer ] in de eerste dagen na het gemelde incident veroorzaakt zijn door de zwelling dan wel door versterking van de zwelling door manipulaite daarvan. Uit de constatering van de huisarts dat bij [slachtoffer ] op 10 juli 2006 sprake was van een oppervlakkige beschadiging van het slijmvlies bij de plasbuisopening ("erosieplek"), alsmede uit de verklaringen van [slachtoffer ] en haar moeder, waarin gesproken wordt over bloedverlies en "prikken" bij het plassen, is het zeer veel waarschijnlijker te noemen dat de plasproblemen bij [slachtoffer ] in de eerste dagen na het gemelde incident het gevolg waren van een oppervlakkige slijmvliesbeschadiging die, zoals gebruikelijk in het genitaal gebied, in zeer korte tijd genezen.

3) Het door [arts 3] op 13 juli 2006 waargenomen kleine rode plekje op de hymenrand dat zichtbaar is bij [slachtoffer ], wordt door hem geduid als een erosie, een oppervlakkige weefselbeschadiging. Het plekje dat is waargenomen op 13 juli 2006 is op 8 september 2006 op overeenkomstige wijze aanwezig. Gezien de snelle wijze waarop het genezingsproces van letsel in het genitaal gebied verloopt, is het zeer veel waarschijnlijker dat het rode plekje bij [slachtoffer ] een normale variatie betreft dan dat dit rode plekje een weefselbeschadiging betreft.32

4) Het bloedverlies uit het genitaal gebied bij [slachtoffer ], de erosie bij de plasbuisopening en de "prikkelende" pijn die [slachtoffer ] aangaf te hebben bij het plassen in de eerste dagen na het gemelde incident, betreffen bevindingen die het gemelde vermoeden van seksueel misbruik ondersteunen. De roodheid van de buitenste schaamlippen kan eveneens passen bij de gemelde toedracht, echter, dit betreft zoals gezegd een aspecifieke bevinding.33

9.

Het aanvullend rapport van de Forensische Polikliniek Kindermishandeling d.d. 14 juni 201234 opgemaakt door [arts 4] voornoemd vermeldt - zakelijk weergegeven - het volgende:

De bevinding van collega [arts 1] heeft inderdaad invloed op mijn conclusie, in die zin, dat de roodheid rond/op de grote schaamlippen van [slachtoffer ] door collega [arts 1] geduid is als zijnde schaafverwondingen. Indien aangenomen mag worden dat de roodheid rond/op de schaamlippen bij [slachtoffer ] schaafverwondingen betreft, is het veel meer waarschijnlijk dat de bevindingen bij [slachtoffer ] het gevolg zijn van het door haar gemelde incident dan dat de bevindingen bij [slachtoffer ] een andere - aspecifieke - oorzaak zouden kunnen hebben.35

10.

Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 9 november 2006, met BPS-nummer PL2174/06-19533336 vermeldt - zakelijk weergeven - het volgende:

Het ontvangen onderzoeksmateriaal van het slachtoffer [slachtoffer ] (geboren [geboortedatum]) betreft (o.a.):

SO-06 DEA341, een bikinislipje.37 Het bikinislipje is onderzocht op de aanwezigheid van speeksel. In het kruis en op het achterpand is een aanwijzing verkregen op de aanwezigheid van speeksel. Van deze locaties zijn de volgende monsters veiliggesteld. DEA341#2 een monster van de linkerzijde van het achterpand, ter hoogte van de heup en DEA341#4 een monster van het kruis.38

Deze sporen en referentiemonsters zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek.39

Van het celmateriaal in de monsters DEA341#2 en DEA341#4 zijn DNA-mengprofielen verkregen waarin DNA-kenmerken zichtbaar zijn van minimaal twee personen. Uit beide DNA-mengprofielen kan een DNA-hoofdprofiel van een vrouw worden afgeleid. Deze zijn gelijk aan het DNA-profiel van [slachtoffer ]. Naast het afgeleide DNA-hoofdprofiel zijn in beide DNA-mengprofielen zwak aanwezige DNA-kenmerken die wijzen op de aanwezigheid van een relatief geringe hoeveelheid celmateriaal van één en dezelfde man. Dit betekent dat de monsters DEA341#2 en #4 van het bikinislipje van het slachtoffer celmateriaal van het slachtoffer zelf bevatten dat vermengd is met een relatief geringe hoeveelheid celmateriaal van een man.40

Het DNA-mengprofiel van het celmateriaal in het monster DEA341#4 van het kruis van het bikinislipje van het slachtoffer [slachtoffer ] is op 2 augustus 2006 opgenomen in de DNA-databank voor strafzaken en wordt sindsdien vergeleken met de daarin aanwezige DNA-profielen41.

11.

Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 10 mei 2011, vermeldt - zakelijk weergegeven - het volgende:

Op 17 januari 2011 is op grond van artikel 2, lid 1 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van [verdachte] (15 september 1970) celmateriaal afgenomen ten behoeve van DNA-onderzoek. Uit vergelijking van het DNA-profiel van betrokkene met de in de landelijke DNA-databank aanwezige profielen is gebleken dat het DNA-profiel van betrokkene is aangetroffen op de plaats van een misdrijf. Het betreft SIN(s) met kenmerk DEA341 (*N.N. 0181007006).42

12.

Het rapport van het NFI d.d. 29 april 2011 vermeldt - zakelijk weergegeven - het volgende:

Aan het referentiemonster wanslijmvlies RAAP1933NL van de veroordeelde [verdachte] (parketnummer 07/653111-10) is DNA-onderzoek verricht en een DNA-profiel verkregen dat op 18 april 2011 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en sindsdien wordt vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking is een match gevonden met de DNA-kenmerken van vijftien loci in het DNA-mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering DEA341#4 van het kruis van het bikinislipje van het slachtoffer [slachtoffer ]. Dit betekent dat de bemonstering DEA341#4 naast celmateriaal dat afkomstig is van het slachtoffer eveneens celmateriaal bevat dat afkomstig kan zijn van [verdachte].43

De berekende frequentie van de combinatie van afgeleide DNA-kenmerken uit het DNA-mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering DEA341#4 is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat een willekeurig gekozen man dezelfde combinatie van DNA-kenmerken heeft als de afgeleide DNA-kenmerken uit het DNA-mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering DEA341#4 is kleiner dan één op één miljard.44

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen - alles in onderlinge samenhang bezien - acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte handelingen heeft begaan (mede) bestaande uit het seksueel binnendringen van [slachtoffer ]. De verklaring van verdachte, voor zover inhoudende dat hij met speeksel een bloedveeg heeft weggeveegd en het bikinibroekje opzij heeft gedaan om te kijken of [slachtoffer ] daar een verwonding had schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de verklaring niet past bij voormelde medische rapporten. De rechtbank wijst daarbij met name op de roodheid van de grote schaamlippen en de beschadiging van het slijmvlies bij de plasbuisopening.

De rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde onder 1 primair wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 09 juli 2006 te Wanroij, gemeente Sint Anthonis, door geweld [slachtoffer ] (geboren [geboortedatum])heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer ], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) en/of tong en/of een of meer andere voorwerpen in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer ] gebracht en/of geduwd en/of de vagina en/of schaamstreek van die [slachtoffer ] betast en/of daaraan gelikt en bestaande dat geweld in het onverhoeds benaderen en vastpakken van

(het gezicht van) die [slachtoffer ] en vervolgens/daarbij het bedwelmen van die [slachtoffer ] met een met chloroform, besprenkelde hand(schoen) en/of mouw en het vervolgens in de bosschages trekken van die [slachtoffer ];

2.

op 09 juli 2006 te Wanroij, gemeente Sint Anthonis, opzettelijk mishandelend een persoon te weten [slachtoffer ] met een met chloroform besprenkelde hand(schoen) en/of mouw met kracht in het gezicht heeft vastgepakt en vervolgens in de bosschages heeft getrokken en door die bosschages langs uitstekende struiken en/of takken getild, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

op 09 juli 2006 te Wanroij, gemeente Sint Anthonis, opzettelijk [slachtoffer ] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet

- die [slachtoffer ] met een met chloroform hand(schoen) en/of mouw met kracht in het gezicht vastgepakt

- vervolgens die [slachtoffer ] de bosschages in getrokken en/of gesleurd en/of getild en

- vervolgens die [slachtoffer ], al dan niet in bewusteloze toestand verkerend, enige tijd in deze bosschages (vast)gehouden

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Daarnaast eist de officier van justitie de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is van oordeel dat een straf gelijk aan het voorarrest dient te worden opgelegd met aanvullend een voorwaardelijke terbeschikkingstelling met als bijzondere voorwaarde dat verdachte meewerkt aan zijn behandeling.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft op 9 juli 2006 op een camping in Wanroij [slachtoffer ], die toen 9 jaar oud was, van haar vrijheid beroofd, mishandeld en verkracht. [slachtoffer ] was met haar familie als gast op de camping aanwezig en zou gaan zwemmen. Zij is in haar eentje nog even teruggelopen naar de stacaravan om haar bril terug te brengen. Nadat zij dat had gedaan en weer terugliep naar de zwemplaats - een loopje van slechts een paar minuten - is [slachtoffer ] door verdachte van achteren vastgepakt, bedwelmd met chloroform, de bosjes ingetrokken en seksueel misbruikt. Toen [slachtoffer ] weer bijkwam heeft verdachte zich uit de voeten gemaakt. Pas jaren later - toen verdachte in verband met een veroordeling voor een ander strafbaar feit DNA moest afstaan - is justitie hem op het spoor gekomen, kon het onderzoek worden afgerond en verdachte voor dit misdrijf ter verantwoording worden geroepen. Verdachte heeft op abjecte wijze misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid van het slachtoffer - een kind - en heeft haar bovendien eerst weerloos gemaakt door haar met chloroform te bedwelmen. Hierdoor kan [slachtoffer ] zich niet herinneren wat er precies is gebeurd en kan zij hierover dus ook geen verklaring afleggen.

De rechtbank acht het zeer voorstelbaar dat het gebeurde in de loop van [slachtoffer ]'s leven grote gevolgen kan hebben voor haar ontwikkeling en welzijn.

Daarnaast leidt dit soort feiten tot gevoelens van onveiligheid en onzekerheid bij mensen in het algemeen en zeker bij mensen die kinderen hebben.

Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank geen andere straf passend dan een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte is in 2010 - dus na het begaan van de strafbare feiten die nu aan de orde zijn - veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, waarvan een jaar voorwaardelijk wegens - kortgezegd - het over een langere periode vervaardigen van kinderporno en ontucht met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige. De rechtbank is - gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht - van oordeel dat, indien deze misdrijven toentertijd gelijktijdig zouden zijn berecht, niet nog vier jaar extra gevangenisstraf zou zijn opgelegd, zoals gevorderd door de officier van justitie. Zonder af te doen aan de ernst van de nu bewezenverklaarde strafbare feiten zal de rechtbank om die reden een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

Op 25 april 2012 hebben psycholoog G.M. Janssen en psychiater A.C. Bruijns, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum, een rapport omtrent verdachte uitgebracht. De in dit rapport vermelde conclusie luidt - zakelijk weergegeven -:

Bij betrokkene is sprake van pedofilie, van het niet exclusieve type en van een gemengde persoonlijkheidsstoornis, met narcistische, antisociale en theatrale kenmerken. De persoonlijkheidsstoornis is een chronische stoornis, die ook in de periode van het huidige ten laste gelegde aanwezig was. Aan de hand van de bewezenverklaarde feiten van de strafzaak uit 2010, kan de conclusie worden getrokken dat betrokkene ook in 2006, toen het huidige ten laste gelegde plaatsvond, pedofiele belangstelling had. Indien bewezen, zijn verschillende kenmerken van de persoonlijkheidsstoornis te herkennen in het gedrag van betrokkene bij het ten laste gelegde feit. De emotionele onrijpheid deed hem verlangen naar een contact met, wellicht zelfs naar een zekere geborgenheid bij een kind. Het gebrekkige empathische vermogen belette hem, in combinatie met de lacunaire gewetensfunctie en het egocentrisme, afdoende te beseffen wat de consequenties van zijn gedrag voor het slachtoffer zouden zijn. Juist omdat, naar de inzichten van het onderzoekend team van het PBC, bij betrokkene zijn pedofiele seksuele belangstelling ingebed is in zijn persoonlijkheidsstoornis, komen wij tot de slotsom de rechtbank te adviseren betrokkene verminderd toerekeningsvatbaar te achten voor het ten laste gelegde feit, indien bewezen. Bij onze conclusie hebben wij geen onderscheid gemaakt tussen primaire, subsidiaire of meer subsidiaire tenlasteleggingen.

Het onderzoekend team heeft stilgestaan bij de vraag of betrokkene eventueel de chloroform met de opzet om te bedwelmen bij zich zou hebben gehad en of die mogelijkheid de mate van toerekeningsvatbaarheid zou beïnvloeden. Omdat, indien dat het geval zou zijn geweest, dezelfde psychopathologische motieven aan dit gedrag (weliswaar op een eerder moment in de keten van gedragingen) ten grondslag zouden hebben gelegen en zijn afwegingen hebben beïnvloed, zijn wij van mening dat de bovenstaande conclusie over de toerekeningsvatbaarheid hierdoor niet verandert.

Dezelfde factoren die zijn genoemd bij de beantwoording van de vragen naar de beïnvloeding van de stoornis op het gedrag bij het ten laste gelegde, gelden als belangrijke criteria voor het recidivegevaar. In het geval van betrokkene is het kennelijk, indien bewezen, niet per se nodig om een relatie met een slachtoffer op te bouwen alvorens hij tot een vorm van seksueel misbruik overgaat - zoals bij de meeste slachtoffers van de eerdere veroordeling wel het geval was. Derhalve zou het recidiverisico zich ook op kortere termijn zonder duidelijke voorafgaande signalen kunnen voordoen.

Gelet op het strafdossier hebben recidiven zich in feite al voorgedaan. Voor de toekomst (eveneens voor de nabije toekomst) geldt dat er naast de beschreven psychische

problematiek zeer waarschijnlijk ook een ernstige psychosociale problematiek zal gaan ontstaan. Betrokkene heeft nooit zelfstandig gefunctioneerd en de kans dat hij na detentie terug zou kunnen keren naar het ouderlijk huis is vrijwel uitgesloten.

De belasting die een woonsituatie buiten het veilige nest voor de onzelfstandige en emotioneel onrijpe persoon van betrokkene zal opleveren, zal het recidivegevaar vergroten.

Dit alles overwegende komt het onderzoekend team tot de conclusie dat het recidivegevaar voor vergelijkbare delicten als het huidige ten laste gelegde feit, indien bewezen, groot is.

De risicotaxatie-instrumenten, die wij bij het onderzoek van betrokkene hebben afgenomen,

onderbouwen deze klinische indruk. De HCR-20 geeft een matig tot hoog risico voor recidive van gewelddadige delicten. Naar de maatstaven van de SVR-20 en de Static-99 is er een groot risico op recidive van zedendelicten. Het instrument SAPROF, dat gericht is op beschermende factoren, geeft aan dat er in het geval van betrokkene weinig beschermende factoren aanwezig zijn.

Het instrument van de PCl-R, waarvan de uitkomst in het psychologisch rapport is beschreven, geeft aan dat er bij betrokkene gesproken moet worden van trekken van psychopathie, waarbij hij vooral hoog scoort op de factor van de 'defectueuze affectieve beleving' en behoorlijk hoog op de factor van de 'arrogante en bedrieglijke inter-persoonlijke stijl'. Er is echter geen sprake van psychopathie volgens het concept van Hare.

Om het recidivegevaar afdoende te beperken adviseren wij de rechtbank de maatregel van tbs met dwangverpleging op te leggen. Naar onze inschatting is het niet te verwachten dat een minder vergaande maatregel het recidivegevaar afdoende zou kunnen beperken.

Betrokkene geeft nauwelijks blijk van besef, laat staan van enig inzicht in de aanwezige problematiek. Het is daarom niet te verwachten dat er, in het geval van een minder strikt kader dan dat van een tbs met dwangverpleging, sprake zou kunnen zijn van een overeenstemming over de problematiek die zou moet worden behandeld.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het pro justitia rapport van GZ-psychologe drs. M. van Heteren d.d. 3 september 2012. Dit rapport betreft een zogenoemd validerings-onderzoek, i.c. een rapportbeoordeling van het voornoemde PBC-onderzoek met eigen onderzoek door Van Heteren.

Psycholoog mw. G.M. Jansen heeft, geconfronteerd met het rapport van drs. M. van Heteren, ter zitting van 17 september 2012 als getuige-deskundige een verklaring afgelegd, inhoudende dat zij - kortgezegd - blijft bij de hierboven genoemde conclusie van het Pieter Baan Centrum, dat de hoofdstoornis van verdachte een persoonlijkheidsstoornis betreft, waarin de pedofilie van het niet exclusieve type, ingebed is. Deze conclusie is niet alleen op het veroordelend vonnis, maar mede op de uitgebreide gesprekken die de onderzoekers met verdachte hadden en het milieuonderzoek gebaseerd. Daarnaast heeft de getuige-deskundige zich op het standpunt gesteld, dat psychologe Van Heteren tijdens haar onderzoek gebruik heeft gemaakt van niet gevalideerde vragenlijsten en dat zij voorts teveel is afgegaan op hetgeen verdachte haar vertelde.

De rechtbank neemt van de rapportage van het Pieter Baan Centrum de conclusie, adviezen en de gronden waarop zij berusten - allen herhaald door de getuige-deskundige ter terechtzitting - over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank zal gelasten dat verdachte ter beschikking wordt gesteld.

De rechtbank overweegt dat het hierna onder 1, primair te kwalificeren feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld terwijl de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist en het een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De rechtbank acht, mede gelet op de hierboven weergegeven conclusie van het Pieter Baan Centrum een terbeschikkingstelling met dwangverpleging de meest adequate sanctie. Ter beveiliging van de maatschappij en ter realisering van de noodzakelijke behandeling van verdachte kan de rechtbank niet anders dan aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opleggen.

Een minder verstrekkend juridisch kader, biedt naar het oordeel van de rechtbank volstrekt onvoldoende waarborgen ter bescherming van de samenleving.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer ].

Het standpunt van de officier van justitie.

De vordering van de benadeelde partij dient volgens de officier van justitie tot een bedrag van € 20.000,00 aan immateriële schade en een bedrag van € 6.909,22 aan materiële schade te worden toegewezen, met daarbij de wettelijke rente en oplegging van de schademaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De benadeelde partij dient voor het overige gevorderde bedrag niet ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vordering te gecompliceerd is om in het kader van deze strafzaak af te doen. Verdachte is evenwel bereid om de kosten van de kleding ad € 25,00, de reiskosten tot een bedrag van € 250,00 en de immateriële schade tot een bedrag van € 2.500,00 te voldoen.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering, te weten immateriële schadevergoeding (post 5) tot een bedrag van € 5.000,- en materiële schadevergoeding (post 7) tot een bedrag van € 537,72 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag dat de vordering geheel is voldaan.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren ten aanzien van de immateriële schade voor zover deze het bedrag van € 5.000,00 te boven gaat, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij (post 6) tot op heden begroot op € 500,- terzake van kosten rechtsbijstand overeenkomstig het liquidatietarief in kantonzaken (2 punten à € 250,- per punt).

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag dat de vordering geheel is voldaan.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 37a, 37b, 57, 63, 242, 282, 300.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:

verkrachting

T.a.v. feit 2:

mishandeling

T.a.v. feit 3:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2, feit 3:

Gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1 primair:

Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging voor de duur van 2 jaar.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2, feit 3:

Maatregel van schadevergoeding van € 5.537,72 subsidiair 62 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer ] van een bedrag van € 5.537,72 (zegge: vijfduizend vijfhonderdzevenendertig euro en tweeënzeventig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 62 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 5.000,= immateriële schadevergoeding (post 5) en materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 537,72 (post 7).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag dat de vordering geheel is voldaan.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer ], van een bedrag van € 5.537,72 (zegge: vijfduizend vijfhonderdzevenendertig euro en tweeënzeventig eurocent), te weten € 5.000,= immateriële schadevergoeding (post 5) en materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 537,72 (post 7).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag dat de vordering geheel is voldaan.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op € 500,- terzake van kosten rechtsbijstand.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.M.P. Willemse, voorzitter,

mr. M. Senden en mr. M.A. Bijl, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Cox-Wentholt, griffier,

en is uitgesproken op 1 oktober 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie regio Brabant Noord, [naam 2], proces-verbaalnummer 29-488219; aantal doorgenummerde bladzijden: 824.

2 Uittreksel geboorteregister, proces-verbaal p. 36

3 Verslag verbatim studioverhoor op 10 juli 2006 vanaf omstreeks 15.06, proces-verbaal p. 190-192, 195-202

4 Proces-verbaal van bevindingen p. 37-38

5 Verklaring onderzoek zedendelicten, proces-verbaal p. 57-67

6 Bevindingen huisarts vermeld in rapport Forum Educatief, proces-verbaal p. 77

7 Rapport Forum Educatief d.d. 2 oktober 2006, proces-verbaal p. 80-81

8 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 17 september 2012

9 Proces-verbaal p. 37-39

10 Akte van geboorte, proces-verbaal p. 36

11 Aangifte door [betrokkene 5] d.d. 11 juli 2006, proces-verbaal p. 176-179

12 Aangifte door [betrokkene 5] d.d. 11 juli 2006, proces-verbaal p. 177

13 Aangifte door [betrokkene 5] d.d. 11 juli 2006, proces-verbaal p. 178

14 Aangifte door [betrokkene 5] d.d. 11 juli 2006, proces-verbaal p. 179

15 Proces-verbaal van bevindingen betreffende de afname van de onderzoeksset zedendelicten, proces-verbaal p. 41-43

16 Proces-verbaal van bevindingen betreffende de afname van de onderzoeksset zedendelicten, proces-verbaal p. 57 en 58

17 Proces-verbaal van bevindingen betreffende de afname van de onderzoeksset zedendelicten, proces-verbaal p. 67

18 Deskundigenrapport NFI d.d. 2 augustus 2006, proces-verbaal p. 96-101

19 Deskundigenrapport NFI d.d. 2 augustus 2006, proces-verbaal p. 101

20 Deskundigenrapport NFI d.d. 2 augustus 2006, proces-verbaal p. 97

21 Deskundigenrapport NFI d.d. 2 augustus 2006, proces-verbaal p. 100

22 Proces-verbaal van bevindingen betreffende de afname van de onderzoeksset zedendelicten, proces-verbaal p. 41-43

23 Proces-verbaal van bevindingen betreffende de afname van de onderzoeksset zedendelicten, proces-verbaal p. 67

24 Rapport Forum Educatie, proces-verbaal p. 68-94

25 Rapport Forum Educatie, proces-verbaal p. 86-87

26 Rapport Forum Educatie, proces-verbaal p. 89-91

27 Rapport Forum Educatie, proces-verbaal p. 93

28 Rapport Forum Educatie, proces-verbaal p. 93

29 Rapport Forum Educatie, proces-verbaal p. 94

30 Rapport Forensische Polikliniek Kindermishandeling d.d. 13 maart 2012, p. 7

31 Rapport Forensische Polikliniek Kindermishandeling d.d. 13 maart 2012, p. 7

32 Rapport Forensische Polikliniek Kindermishandeling d.d. 13 maart 2012, p. 8

33 Rapport Forensische Polikliniek Kindermishandeling d.d. 13 maart 2012, p. 9

34 Rapport Forensische Polikliniek Kindermishandeling d.d. 14 juni 2012,

35 Rapport Forensische Polikliniek Kindermishandeling d.d. 14 juni 2012, p. 2

36 Rapport NFI d.d. 9 november 2006, proces-verbaal p. 102-111

37 Rapport NFI d.d. 9 november 2006, proces-verbaal p. 103

38 Rapport NFI d.d. 9 november 2006, proces-verbaal p. 106

39 Rapport NFI d.d. 9 november 2006, proces-verbaal p. 108

40 Rapport NFI d.d. 9 november 2006, proces-verbaal p. 109

41 Rapport NFI d.d. 9 november 2006, proces-verbaal p. 110

42 Rapport NFI d.d. 11 mei 2011, proces-verbaal p. 117

43 Rapport NFI d.d. 11 mei 2011, proces-verbaal p. 118

44 Rapport NFI d.d. 11 mei 2011, proces-verbaal p. 119

??

??

20

Parketnummer: 01/849402-11

[verdachte]