Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX7505

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-09-2012
Datum publicatie
17-09-2012
Zaaknummer
Awb 12 / 1572
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Besluit tot verlening van een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van de inrichting of veranderen van de werking van de inrichting en sloop van varkensstallen. De Invoeringswet Wabo, waarbij art. 52 Woningwet als onderdeel van hoofdstuk IV is komen te vervallen, voorziet niet uitdrukkelijk in overgangsrecht voor gevallen waarbij ten behoeve van de wijziging van de inrichting een aanvraag om bouwvergunning is ingediend vóór 01-10-2010 en een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘veranderen van een inrichting’ na die datum is ingediend. Dit zou ertoe kunnen leiden dat de bouwaanvraag in onderhavig geval, waarop art. 52 Woningwet van toepassing blijft, tot in de lengte der dagen zou moeten worden aangehouden, omdat een aanvraag voor een milieuvergunning niet meer kan worden ingediend, laat staan dat een milieuvergunning kan worden verleend. Een dergelijk rechtsgevolg zou echter op gespannen voet staan met de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever dat onherroepelijke bouwvergunningen die zijn verleend op basis van een vóór 01-10-2010 ingediende aanvraag, worden gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever degene die vóór 01-10-2010 een aanvraag heeft ingediend, heeft willen behoeden voor een confrontatie met het wettelijke regime van de Wabo. Een redelijke wetsuitleg van art. 1.2 lid 2 Invoeringswet Wabo brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich dat de omgevingsvergunning voor de activiteit van het veranderen van een inrichting, alsmede de hieraan verbonden rechtsmiddelen zoals de mogelijkheid van het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening hangende de beroepstermijn, enkel en alleen voor wat betreft de toepassing van art. 52 lid 2 Woningwet, moet worden beschouwd als een milieuvergunning. Anders zou de bedoeling van de wetgever om de voorbereiding van de beslissing op de bouwaanvraag conform het oude recht te laten geschieden uit oogpunt van rechtszekerheid zinledig worden. Dit betekent dat de aanhouding van de bouwaanvraag eindigt na de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening.

Voor de invoering van de Wabo resulteerden de coördinatiebepalingen van art. 52 Woningwet (oud) en art. 20.8 Wet milieubeheer (oud) er in dat de milieuvergunning pas in werking trad als de bouwvergunning was verleend. Art. 20.8 Wet milieubeheer is echter met de invoering van de Wabo vervallen, evenals art. 52 Woningwet, omdat de wetgever ervan uitgaat dat met de integratie van de beide toestemmingen in één omgevingsvergunning aan de coördinatie geen behoefte meer bestaat. Uit voorgaande rechtsoverweging vloeit voort dat in gevallen als het onderhavige nog steeds behoefte bestaat aan coördinatie. Een andere uitleg zou ertoe leiden dat, in weerwil van de bedoelingen van de wetgever bij de invoering van de Wabo de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu eerder in werking treedt dan dat een bouwvergunning is verleend. Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat de bestreden omgevingsvergunning dient te worden geschorst om inwerkingtreding van deze vergunning voor verlening van de bouwvergunning te voorkomen. In de omstandigheid dat de bouwvergunning nog niet is verleend en evenmin zeker is of hiertegen rechtsmiddelen zullen worden aangewend, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de omgevingsvergunning te schorsen totdat einduitspraak is gedaan in de hoofdzaak.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer 20.8
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.7
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 6.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 6.1
Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 1.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3110
JOM 2012/898
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/1572

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 september 2012 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Vereniging ‘Stop de stank Deurne’,

te Deurne,

verzoekster,

(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne,

verweerder

(gemachtigden: mr. V.M.J.A. Corstjens en ing. M.J.Th. van der Heijden).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam vergunninghoudster], te Deurne, vergunninghoudster, (gemachtigde: mr. J.A.J.M. van Houtum).

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2012, heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van de inrichting of veranderen van de werking van een inrichting en sloop van varkensstallen op het perceel kadastraal bekend gemeente Deurne, sectie U, nr. 407 en plaatselijk bekend Grintkuilen 5 te Neerkant 9.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 30 mei 2012 beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 12/1618. Gelijktijdig heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht terzake een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer AWB 12/1572.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2012. Verzoekster is verschenen bij [naam A] en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De derde-partij is verschenen bij

[naam B], bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2. De aanvraag om omgevingsvergunning dateert van 20 december 2011. Er is vergunning gevraagd voor de activiteiten ‘veranderen van de inrichting of veranderen van de werking van de inrichting’, ‘aanleg nieuwe uitrit’ en ‘sloop varkensstallen’. De aanvraag om omgevingsvergunning houdt verband met:

- het samenvoegen van de locaties Grintkuilen 5 en 7 te Neerkant tot één inrichting;

- het uitbreiden van de inrichting met drie stallen (stal 5, 6 en 7), waarin in totaal 8.400 vleesvarkens, 5.049 gespeende biggen, 249 opfokzeugen, 256 kraamzeugen en 552 guste en dragende zeugen worden gehouden;

- het aansluiten van de stallen 5, 6 en 7 op een gecombineerd luchtwassysteem (BWL 2009.12);

- het realiseren van spuiwateropslagen ten behoeve van de gecombineerde luchtwassystemen;

- het omvormen van de bestaande stallen 1, 2 en 4 (gedeeltelijk) naar calamiteitenruimte en ziekenboeg;

- de installaties en voorzieningen aanwezig ten behoeve van het houden van vleesvarkens en fokvarkens;

- het vergroten van de veebezetting in stal 3 binnen de reeds aanwezige dierplaatsen.

De aangevraagde ammoniakemissie bedraagt 7.813,52 kg.

Tijdens de procedure is de aanvraag ingetrokken voor zover deze betrekking had op de activiteit ‘aanleg nieuwe inrit’ .

3. Voor de realisatie van de drie van de tot de inrichting behorende stallen 5, 6 en 7 is op 30 september 2010 een aanvraag om bouwvergunning ingediend. De beslissing op deze aanvraag is door verweerder aangehouden op grond van artikel 52 van de Woningwet(oud).

4. Voor de locatie Grintkuilen 5 is op 29 juni 1993 een milieuvergunning verleend voor een fokzeugenhouderij. Op 18 november 2008 is een melding ingevolge artikel 8.19 Wet milieubeheer (Wm) geaccepteerd voor een KI-station, kantine, computer- en archiefruimte en hygiënesluis. Voor de locatie Grintkuilen 7 is op 2 september 2008 een milieuvergunning verleend voor een fokzeugenhouderij.

5. Met ingang van 10 februari 2012 heeft een ontwerp van het besluit ter inzage gelegen gedurende een periode van 6 weken en is iedereen in de gelegenheid gesteld om een zienswijze naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is door verzoekster bij brief van 12 maart 2012 gebruik gemaakt.

6. Ingevolge artikel 6.1, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) treedt de omgevingsvergunning die is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met betrekking tot een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wabo in werking met ingang van de dag na afloop van de termijn ingevolge artikel 6:7 van de Awb voor het indienen van een beroepschrift. Ingevolge artikel 6.1, derde lid, van de Wabo treedt de beschikking niet in werking voordat op een verzoek om voorlopige voorziening is beslist indien dit verzoek is gedaan gedurende de, in het tweede lid, bedoelde termijn.

7. Het verzoek om voorlopige voorziening is ingediend binnen de beroepstermijn. De inwerkingtreding van de omgevingsvergunning is van rechtswege uitgesteld totdat op het verzoek is beslist. Aan de orde is of de omgevingsvergunning dient te worden geschorst.

8. De voorzieningenrechter ziet zich eerst voor de vraag gesteld of verzoekster als belanghebbende kan worden aangemerkt. Verzoekster is een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid. Verzoekster stelt, blijkens haar statuten, zich ten doel het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu in de meest uitgebreide zin, het streven naar optimale kwaliteit van lucht, water, bodem en voedsel, het bevorderen van leefbaarheid en duurzaamheid. Het werkgebied is statutair beperkt tot het grondgebied van de gemeente Deurne. De vereniging tracht het doel te bereiken door onder andere het bestrijden van negatieve gevolgen van besluiten van de overheid betreffende leefbaarheid en duurzaamheid, het informeren van de bevolking over de gevolgen van (voorgenomen) politieke besluiten die betrekking hebben op leefbaarheid en het gebruiken van alle legale middelen die bijdragen aan het realiseren van de doelstelling.

9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de statutaire doelstelling van verzoekster weliswaar algemeen, maar is er wel sprake van een duidelijke territoriale beperking in deze doelstelling. Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat de feitelijke werkzaamheden van verzoekster onder meer bestaan uit het houden van informatiebijeenkomsten en debatten, het uitbrengen van ledenbrieven en het onderhouden van een website. Dit betreffen werkzaamheden die losstaan van het voeren van juridische procedures of de voorbereiding daarvan. Voorts heeft verzoekster een protestactie ondernomen tegen een andere intensieve veehouderij. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de opgave van feitelijke werkzaamheden onjuistheden bevat.

10. Gelet op de doelstelling en de feitelijke werkzaamheden van verzoekster is de voorzieningenrechter van oordeel dat zij door het bestreden besluit rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt. Verzoekster kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden aangemerkt.

11. Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar verzoek gesteld dat zij de uitbreiding van de intensieve veehouderij met drie stallen wenst te voorkomen. Volgens verzoekster dreigt een onomkeerbare situatie als de vergunning in werking treedt en de vergunde milieubelasting zich kan gaan voordoen voordat het beroep inhoudelijk is behandeld. Ter zitting heeft verzoekster gewezen op de inhoudelijke aangevoerde gronden van het beroep. Hiertoe behoort onder meer de beroepsgrond dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning onvolledig is omdat deze de activiteit bouwen niet omvat en niet is aangegeven dat de omgevingsvergunning in twee fasen wordt aangevraagd. Verlening van de vergunning is daarom in strijd met artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo, aldus verzoekster.

12. Verweerder stelt zich dienaangaande op het standpunt dat er reeds een bouwaanvraag is ingediend. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat deze bouwaanvraag wordt aangehouden totdat op onderhavig verzoek wordt beslist.

13. De voorzieningenrechter overweegt hierover het volgende.

Ingevolge artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit die behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo er voor zorg dat de aanvraag betrekking heeft op elk van die activiteiten.

Ingevolge artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo blijft het recht zoals dit gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wabo (ofwel 1 oktober 2010) van toepassing op de voorbereiding en vaststelling van een beschikking op een aanvraag om een bouwvergunning indien voor dat tijdstip een aanvraag is ingediend.

14. Ingevolge artikel 1.2, derde lid, van de Invoeringswet Wabo wordt in gevallen als bedoeld in het tweede lid een vergunning gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit op het tijdstip waarop de betrokken beschikking onherroepelijk is geworden.

15. Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Woningwet zoals deze gold voor 1 oktober 2010, dient verweerder een aanvraag om een bouwvergunning aan te houden indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en het bouwen tevens is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wm is vereist. Ingevolge het tweede lid eindigt de aanhouding met ingang van de dag na die waarop op een verzoek om voorlopige voorziening is beslist dat is ingediend binnen zes weken na de dag waarop een exemplaar van de beschikking op de aanvraag om de milieuvergunning ter inzage is gelegd.

16. Ingevolge artikel 20.8 van de Wm zoals deze gold voor 1 oktober 2010 treedt een besluit als bedoeld in artikel 20.6, eerste lid, in gevallen als bedoeld in artikel 8.5, tweede lid, - waarin de vergunning betrekking heeft op het oprichten of veranderen van een inrichting, dat tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet - niet eerder in werking dan nadat de betrokken bouwvergunning is verleend.

17. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorziet de Invoeringswet Wabo, waarbij artikel 52 van de Woningwet als onderdeel van hoofdstuk IV is komen te vervallen, niet uitdrukkelijk in overgangsrecht voor gevallen waarbij ten behoeve van de wijziging van de inrichting een aanvraag om bouwvergunning is ingediend vóór 1 oktober 2010 en een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘veranderen van een inrichting’ na 1 oktober 2010 is ingediend. Dit zou ertoe kunnen leiden dat de bouwaanvraag in onderhavig geval, waarop artikel 52 van de Woningwet van toepassing blijft, tot in de lengte der dagen zou moeten worden aangehouden, omdat een aanvraag voor een milieuvergunning niet meer kan worden ingediend, laat staan dat een milieuvergunning kan worden verleend. Een dergelijk rechtsgevolg zou echter op gespannen voet staan met de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever dat onherroepelijke bouwvergunningen die zijn verleend op basis van een vóór 1 oktober 2010 ingediende aanvraag, worden gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever degene die vóór 1 oktober 2010 een aanvraag heeft ingediend, heeft willen behoeden voor een confrontatie met het wettelijke regime van de Wabo. In de memorie van toelichting bij de Invoeringwet Wabo (TK 2008-2009, 31953, nr. 3, pag. 67) is hierover door de wetgever het volgende aangegeven: “De lopende voorbereidings- en rechtsbeschermingsprocedures worden als gevolg hiervan afgehandeld overeenkomstig het oude recht. De ratio daarvan is rechtszekerheid te bieden voor de diverse betrokkenen (aanvrager, bevoegd gezag en derdebelanghebbenden). Dat het oude recht van toepassing blijft op de vaststelling van een besluit, impliceert dat ook de rechtsgevolgen die het oude recht aan het besluit verbindt, gelden. Dit geldt tot het moment waarop de betrokken beschikking onherroepelijk is geworden.” Een redelijke wetsuitleg van artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich dat de omgevingsvergunning voor de activiteit van het veranderen van een inrichting, alsmede de hieraan verbonden rechtsmiddelen zoals de mogelijkheid van het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening hangende de beroepstermijn, enkel en alleen voor wat betreft de toepassing van artikel 52, tweede lid, van de Woningwet, moet worden beschouwd als een milieuvergunning. Anders zou de bedoeling van de wetgever om de voorbereiding van de beslissing op de bouwaanvraag conform het oude recht te laten geschieden uit oogpunt van rechtszekerheid zinledig worden. Dit betekent dat de aanhouding van de bouwaanvraag eindigt na de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening.

18. Voor de invoering van de Wabo, resulteerden de coördinatiebepalingen van artikel 52 van de Woningwet (oud) en artikel 20.8 van de Wet milieubeheer (oud) er in dat de milieuvergunning pas in werking trad als de bouwvergunning was verleend. Artikel 20.8 van de Wet milieubeheer is echter met de invoering van de Wabo vervallen, evenals artikel 52 van de Woningwet omdat de wetgever er van uit gaat dat met de integratie van de beide toestemmingen in één omgevingsvergunning aan de coördinatie geen behoefte meer bestaat. Uit voorgaande rechtsoverweging vloeit voort dat in gevallen als het onderhavige nog steeds behoefte bestaat aan coördinatie. Een andere uitleg zou ertoe leiden dat, in weerwil van de bedoelingen van de wetgever bij de invoering van de Wabo de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu eerder in werking treedt dan dat een bouwvergunning is verleend. Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat de bestreden omgevingsvergunning dient te worden geschorst om inwerkingtreding van deze vergunning voor verlening van de bouwvergunning te voorkomen. In de omstandigheid dat de bouwvergunning nog niet is verleend en evenmin zeker is of hiertegen rechtsmiddelen zullen worden aangewend, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de omgevingsvergunning te schorsen totdat einduitspraak is gedaan in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter houdt partijen in dit verband voor dat de rechtbank vooralsnog voornemens is een eventueel rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Awb tegen de bouwvergunning gelijktijdig met het beroep tegen de omgevingsvergunning te behandelen en dat de handelingen in het vooronderzoek die tijdens de op 27 augustus 2012 gehouden inlichtingencomparitie in de bodemprocedure zijn besproken, zullen worden voortgezet.

19. Gelet op het bovenstaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst tot de uitspraak op het beroep. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1).

20. Beslist wordt als volgt

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het besluit van 17 april 2012 totdat einduitspraak is gedaan in de hoofdzaak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 310,- aan verzoekster te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,- te betalen aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.