Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX7338

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-09-2012
Datum publicatie
17-09-2012
Zaaknummer
01/996001-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte geld heeft ontvangen in verband met vastgoed transacties, terwijl hij dit aannemen van deze geldbedragen heeft verzwegen tegenover zijn werkgever. Ook heeft verdachte fiscale fraude gepleegd. De rechtbank legt een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/996001-06

Datum uitspraak: 17 september 2012

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1950],

wonende te[woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van de onderzoeken ter terechtzitting van 29 oktober 2008, 1 juni 2011, 24 januari 2012 en 3 september 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 september 2008.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 3 september 2012 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 februari

2002 tot en met 14 oktober 2005 te Doorn in de gemeente Utrechtse Heuvelrug

en/of in de gemeente Amersfoort en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen

en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens)

opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de

inkomstenbelasting ten name van hem, verdachte, over de/het

belastingja(a)r(en) 2001 en/of 2002 en/of 2004 onjuist en/of onvolledig heeft

gedaan, immers heeft verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met anderen

of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk op de/het bij de

Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Amersfoort ingeleverde

aangifte(n) inkomstenbelasting -zakelijk weergegeven-

- over het belastingjaar 2001 opgegeven onder/in Sectie S10 als bruto en/of

netto inkomsten uit overige werkzaamheden arbeid (telkens) nihil en/of onder

onder/in sectie 43 als berekende verzamelinkomen een bedrag groot 66.722,-

euro en/of

- over het belastingjaar 2002 opgegeven onder/in Sectie S10 als bruto en/of

netto inkomsten uit overige werkzaamheden arbeid (telkens) nihil en/of onder

onder/in sectie 46 als berekende verzamelinkomen een bedrag groot 108.910,-

euro en/of

- over het belastingjaar 2004 opgegeven onder/in sectie 48 als berekende

verzamelinkomen een bedrag groot 77.152,- euro,

althans (telkens) in die aangifte(n) voornoemd een te laag belastbaar bedrag/belastbaar inkomen/inkomen box 1 opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(bijlagen D/32, 33 en 55)

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf de maand

januari 2001 tot en met de maand februari 2004 te Doorn in de gemeente(n)

Utrechtse Heuvelrug en/of Hilversum en/of Utrecht en/of te Aerdenhout in de

gemeente Bloemendaal en/of te Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer, in elk

geval in Nederland,

(telkens) anders dan als ambtenaar, immers als financieel deskundige en/of consultant en/of seniorconsultant werkzaam

zijnde in dienstbetrekking bij [bedrijf 1], naar aanleiding van hetgeen

hij, verdachte in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal

doen of nalaten,

(telkens) (een) gift(en) en/of (een) belofte(n) heeft aangenomen, namelijk

- een of meer geldbedrag(en) tot een totaalbedrag groot f 119.000,-, in elk

geval een of meer bedrag(en) aan geld (telkens) als (een) betaling(en) aan

hem, verdachte, via [bedrijf verdachte], waarvan hij, verdachte,

voorzitter was en/of waarbinnen hij, verdachte de volledige (feitelijke)

zeggenschap had, als vergoeding voor (zijn, verdachtes aandeel in) de

bemiddeling (door [bedrijf 1]) in verband met de verkoop door [bedrijf 12] aan [bedrijf 2] en/of in verband

met de verkoop van [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] van het pand [adres] te

Utrecht en/of

- een totaalbedrag groot 178.402,- euro of daaromtrent, in elk geval een of meer bedrag(en)

aan geld (telkens) als betalingen aan hem, verdachte als vergoeding en/of

commissie en/of tipgeld in verband met de verkoop door [bedrijf 3] aan [bedrijf 13] (zijnde een dochterbedrijf van [bedrijf 1]) en/of in

verband met de verkoop door [bedrijf 13] voornoemd aan [bedrijf 4] van het/de pand(en) [adres] te Utrecht en/of

(adres) te Sittard en/of [adres] te Son en

Breugel en/of in verband met de bemiddeling door hem, verdachte bij de

overname van de aandelen en/of het vastgoed van [bedrijf 5]

door [bedrijf 6],

en dit aannemen (telkens) in strijd met de goede trouw heeft verzwegen

tegenover zijn werkgever;

art. 328ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak ten aanzien van de bemiddeling bij de transactie van het vastgoed van [bedrijf 5] onder feit 2.

Onder feit 2 wordt verdachte onder meer verweten dat hij een geldbedrag voor de bemiddeling bij de overname van de aandelen en/of het vastgoed van [bedrijf 5] door [bedrijf 6], als zijnde een gift, zijnde in dienstbetrekking bij [bedrijf 1] heeft aangenomen en dit in strijd met de goeder trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever.

De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat een commissie van € 89.375,-- door verdachte is ontvangen, maar dat niet is gebleken dat deze commissie is ontvangen voor werkzaamheden van verdachte ten tijde van zijn dienstbetrekking bij [bedrijf 1]

[bedrijf 1] was zelf niet geïnteresseerd in de genoemde transactie en daarmee was zij niet betrokken bij de ontvangen commissie, zodat verdachte deze commissie niet in het kader van zijn betrekking bij [bedrijf 1] heeft ontvangen. In deze situatie is er dan ook geen sprake van een gift als bedoeld in artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht, zodat vrijspraak volgt ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Ten aanzien van de verweren van de verdediging.

1.1. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde (de onjuiste aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2001, 2002 en 2004) is namens verdachte aangevoerd dat er digitaal aangifte is gedaan maar dat, nu de fysieke aangiften inkomstenbelasting 2001, 2002 en 2004 in het dossier ontbreken, het niet mogelijk is om de ingediende aangiften te controleren. De verdediging is van oordeel dat daardoor het bewijs ontbreekt dat er sprake is van onjuiste aangiften en dat verdachte moet worden vrijgesproken van deze feiten.

1.2. De aangiften inkomstenbelasting 2001, 2002 en 2004, die door de belastingdienst aan verdachte zijn uitgereikt en ingevuld en ondertekend zijn terugontvangen (zie D-063), ontbreken in het dossier. De aan de hand van deze aangiften ingevoerde gegevens zijn (zie proces-verbaal OPV-003, pagina 8) uitgedraaid uit het geautomatiseerde belastingdienstsysteem IBS en DAS en als bijlagen D-032, D-033 en D-055 bij het dossier gevoegd. Door de officier van justitie zijn ter zitting blanco "Aangifte Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen Premie Waz" over de jaren 2001 en 2002 overgelegd en uit bijlage D-055 volgt hoe de aangifte inkomstenbelasting 2004 is ingericht. Dit tezamen met de verklaring van verdachte dat hij de door hem ontvangen gelden waarop de dagvaarding ziet niet in de aangiften inkomstenbelasting heeft vermeld, maakt dat de betreffende aangiften voor de rechtbank, verdediging en het openbaar ministerie voldoende controleerbaar zijn. Onder deze omstandigheden staat het ontbreken van de oorspronkelijke formulieren een bewezenverklaring niet in de weg. Het verweer wordt verworpen.

1.3. Ten aanzien van het verwijt met betrekking tot de aangifte inkomstenbelasting 2001 heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat het bedrag van f. 118.000,-- dat door [bedrijf verdachte] (hierna [bedrijf verdachte]) aan verdachte in privé is overgemaakt geen inkomen betrof, maar deels bestond uit een terugbetaling van een lening door [bedrijf verdachte] en deels uit twee aan verdachte door [bedrijf verdachte] verstrekte leningen. Het bedrag dat door [bedrijf verdachte] (f. 119.000,-- van [bedrijf 7]) was ontvangen betrof volgens verdachte sponsorgeld.

1.4. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de betaling van f. 119.000,-- aan [bedrijf verdachte] een constructie betrof om de betaling van een commissie door [bedrijf 2] aan verdachte, betrekking hebbende op de transactie [adres] te Utrecht te verhullen. De drie bedragen tot een totaalbedrag van fl. 118.000,-- die door [bedrijf verdachte] aan verdachte zijn overgemaakt betroffen geen leningen, maar het doorbetalen van de commissie.

Door de verdediging is aangevoerd dat [bedrijf 2] het raceteam [bedrijf verdachte] wilde sponsoren. De rechtbank acht dit ongeloofwaardig en overweegt hiertoe het volgende.

I. Was er sprake van sponsoring.

a. Het verzoek tot sponsoring van [bedrijf verdachte] aan [bedrijf 2] is niet schriftelijk gedaan, terwijl dit aan sponsor [bedrijf 8] en de potentiële sponsor [sponsor] wel is gebeurd;

b. De factuur voor [bedrijf 2], d.d. 2 april 2001, waarin aan [bedrijf 2]

f. 119.000,-- voor sponsoring van het raceseizoen 2000/2001 in rekening wordt gebracht is in strijd met de waarheid opgemaakt. De rechtbank leidt dit af uit de tekst van de factuur. Deze luidt onder meer: "Zoals met u besproken zullen wij nader in overleg treden omtrent alle promotie activiteiten wanneer de totale sponsoring rond is. Wel kan reeds nu toegezegd worden dat er op de side pods van de race auto en op de race overall de beste plaatsen voor het logo en/of de naam van uw bedrijf zijn gereserveerd. Wij danken u voor betreffende sponsorbijdrage en hopen op een plezierig en succesvol raceseizoen. Gaarne verkrijgen wij nog zo spoedig mogelijk uw logo/beeldmerk". Deze tekst ziet gelet op de gekozen bewoording op het komende raceseizoen. Op het moment van het versturen van de factuur was het raceseizoen 2000 al bijna een half jaar geëindigd en waren er voor het raceseizoen 2001, dat in april 2001 al van start was gegaan, onvoldoende financiële middelen zodat de raceactiviteiten waren gestaakt. Van een raceauto en raceoverall was daarom geen sprake in 2001. Bij gelegenheid van zijn verhoor op 17 november 2006 kon verdachte het in rekening gebrachte bedrag niet op een goede wijze onderbouwen (V1-004). [bedrijf 2] had in 2000 nog geen activiteiten en wilde in 2001 geen exposure. Het bedrijf had dus geen behoefte aan logo's op auto en/of helm;

c. De door [bedrijf verdachte] verschuldigde BTW van f. 19.000,-- is niet door [bedrijf verdachte] waarover verdachte zeggenschap had en waarvoor hij de aangifte omzetbelasting opmaakte, afgedragen in 2001;

d. [medeverdachte 1] en [bedrijf 14] en verdachte hebben over de tegenprestatie voor de sponsoring niet gelijkluidend verklaard. [medeverdachte 1] heeft -in tegenstelling tot hetgeen verdachte verklaarde- nooit een race bezocht;

e. Het betaalde sponsorbedrag is niet terugbetaald of teruggevorderd ondanks dat van race-activiteiten geen sprake is geweest. Het geld is gestort op de privérekening van verdachte.

II. Was er sprake van een lening als door verdachte verondersteld.

Het sponsorgeld zou zijn aangewend om een lening van verdachte aan [bedrijf verdachte] af te betalen en geld aan hem te lenen. Blijkens de balans over 2000 bedroeg de schuld van de stichting aan verdachte € 37.051,-- omgerekend f. 81.650,--. Op 13 april 2001 is niet dat bedrag onder het kopje terugbetaling lening teruggestort, maar slechts een bedrag van f. 67.000,-- (D-024). Het restant van het sponsorgeld is niet aangewend ten behoeve van [bedrijf verdachte] maar is in twee bedragen gestort op de bankrekening van verdachte (D-024 en D-025). Verdachte heeft verklaard dat deze stortingen een lening betroffen van [bedrijf verdachte] aan hem. Van een leenovereenkomst is echter niet gebleken. Een schriftelijke overeenkomst is niet aangetroffen en uit de verklaring van verdachte ter zitting volgt dat er geen afspraken zijn gemaakt over afbetalingstermijnen of verschuldigde rente. Bovendien was de bankrekening van [bedrijf verdachte] opgeheven voordat de verdachte enig bedrag had afgelost.

Dat verdachte geld zou hebben geleend is niet aannemelijk geworden.

In het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is geweest van sponsoring maar een via [bedrijf verdachte] aan verdachte betaalde commissie voelt de rechtbank zich gesterkt door de omstandigheid dat het geldbedrag in opdracht van [medeverdachte 1] door notaris [notaris] is overgemaakt. Deze notaris was betrokken bij de afwikkeling van de transactie [adres] te Utrecht en (adres) te Hengelo. De opdracht tot betaling aan [bedrijf verdachte] staat vermeld tussen opgedragen betalingen aan [bedrijf 9], [bedrijf 10], [medeverdachte 2] en [bedrijf 11], bedrijven en personen waarvan uit het onderzoek ter zitting is gebleken dat die zijn betrokken bij voornoemde transactie. De betaling is voorts geschied uit de opbrengst van die transactie.

1.5. Met betrekking tot de in 2002 ontvangen commissie van € 89.023,-- heeft de raadsvrouwe gesteld dat mogelijk sprake is van de situatie in artikel 69 lid 3 AWR omdat na de aankondiging van de belastingcontrole in 2004 verdachte en zijn fiscalist de fout hebben ontdekt en de eerder ingediende aangifte is gecorrigeerd.

1.6. Naar het oordeel van de rechtbank komt verdachte geen beroep op de inkeerbepaling toe.

Artikel 69, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen luidt:

"Het recht tot strafvervolging op de voet van dit artikel vervalt, indien de schuldige alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een of meer van de in artikel 80, eerste lid, bedoelde ambtenaren de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden."

In het onderhavige geval heeft de belastingdienst op 9 maart 2004 schriftelijk aan verdachte laten weten dat het boekenonderzoek bij [bedrijf verdachte] zou worden uitgebreid tot de aangifte inkomstenbelasting van 2002 van verdachte zelf. In de brief staat onder punt 16 vermeld dat de belastingdienst afschriften wil inzien van de bankrekeningen van verdachte, onder meer over het jaar 2002. Op 7 april 2004 heeft verdachte vervolgens zijn aangifte met het ontvangen geldbedrag van € 89.023,-- gecorrigeerd. Aangezien hij op dat moment wist dat de belastingdienst met de onjuistheid en onvolledigheid van zijn aangifte bekend zou worden, komt hem een beroep op inkeer niet toe en is het recht tot strafvervolging niet vervallen.

1.7. Ten aanzien van de aangifte inkomstenbelasting 2004 is door de verdediging aangevoerd dat bij verdachte opzet ontbrak omdat hij heeft vertrouwd op het advies van zijn fiscalist [getuige 1], met wie hij in het verleden had gecorrespondeerd over fiscale consequenties van tipgeld en die hem had gezegd dat tipgeld niet opgegeven hoefde te worden aan de belastingdienst.

1.8. De getuige [getuige 1] is door de FIOD gehoord (G3-01). Op 16 augustus 2006 heeft [getuige 1] verklaard dat het hem niet bekend was dat [verdachte] een financiële vergoeding had ontvangen met de omschrijving "telefonische overboeking tipgeld" van € 89.375,-- van [bedrijf 6] voor de transactie met [bedrijf 5] Dit was door [verdachte] niet aan [getuige 1] of zijn medewerkers gemeld. Volgens [getuige 1] gaf [verdachte] de begin- en eindstanden van de bankrekeningen door en verder niets. De verklaring van verdachte dat hij ook in dit concrete geval overleg heeft gehad over de fiscale gevolgen van het ontvangen van tipgeld, vindt geen steun in de verklaring van [getuige 1] zelf, die dit immers uitdrukkelijk heeft weersproken.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de verdachte aan de brief van [getuige 1] uit 1998 niet het vertrouwen heeft ontleend dat hij van het ontvangen tipgeld geen aangifte hoefde te doen. Op de eerste plaats betreft het een oude brief waarin geen rekening kon worden gehouden met ontwikkelingen in het fiscale recht na 1998. Voorts ziet de brief niet op de persoon van verdachte, maar op een persoon die een betaling ontvangt die louter het gevolg is van de toevallige tip door een niet in het circuit verkerende, niet daartoe specifiek uitgeruste en niet daarvoor specifiek werkzaamheden verrichtende persoon. Nu de overname van [bedrijf 5] een vastgoedtransactie betrof waarvan verdachte in kennis werd gesteld vanwege zijn functie bij [bedrijf 1] en zijn werkzaamheden in opdracht van [bedrijf 1] ten behoeve van [bedrijf 4], moet verdachte hebben geweten dat deze omschrijving, voor zover al juist, niet op hem van toepassing is.

Voorts was het voor verdachte op eenvoudige wijze kenbaar dat tipgeld diende te worden opgegeven. Dit blijkt immers uit de belastingalmanak van Elsevier. Ook had hij de "belastingtelefoon" kunnen bellen.

De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring van verdachte en verwerpt het daarop gestoelde verweer van zijn raadsvrouwe.

2.1. Volgens de verdediging is er met betrekking tot de transactie [adres] te Utrecht geen sprake van aanname van een gift. Het geldbedrag van f. 119.000,-- dat is overgemaakt aan [bedrijf verdachte] had betrekking op sponsoring door [bedrijf 2] van de raceactiviteiten van de zoon van verdachte. Het bedrag van f. 118.000,-- dat door [bedrijf verdachte] aan verdachte in privé is overgemaakt, bestond deels uit een terugbetaling van een lening door [bedrijf verdachte] aan verdachte en deels uit twee aan verdachte door [bedrijf verdachte] verstrekte leningen.

2.2. De rechtbank verwijst wat betreft dit verweer naar hetgeen hiervoor onder 1.4 is overwogen. Van sponsoring door [bedrijf 2] was dan ook geen sprake. Het ging naar het oordeel van de rechtbank om een verhulde commissie en dus is er sprake van een gift in de zin van artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht.

2.3. Indien de rechtbank bewezen acht dat het wel ging om een gift, dan kan volgens de verdediging niet bewezen worden dat verdachte die gift in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever omdat hij daarover afspraken had gemaakt met zijn werkgever [persoon 1], directeur en grootaandeelhouder van [bedrijf 1] Dit heeft ook te gelden voor de in verband met de transactie [adres] Utrecht/ (adres) Sittard[adres] Son en Breugel in 2002 aan verdachte betaalde commissie van

€ 89.023,--.

2.4. De rechtbank acht het onaannemelijk dat verdachte met zijn werkgever [persoon 1] afspraken heeft gemaakt over het ontvangen van tipgelden, commissies en andere giften voor transacties waarbij [bedrijf 1] was betrokken.

Op de eerste plaats is dit ten stelligste ontkend door [persoon 1] en hij wordt daarin gesteund door de getuigen [getuige 2] (G2-01), [getuige 3] en [getuige 4] (RC-verklaringen). Voorts is in de in opeenvolgende jaren opgemaakte schriftelijke arbeidsovereenkomsten tussen [bedrijf 1] en verdachte niet een dergelijke afspraak opgenomen, terwijl daarin wel een ruim geredigeerd verbod op nevenwerkzaamheden is opgenomen en een bonusregeling voor uit eigen netwerk voortkomende verdiensten voor [bedrijf 1]

Aan verdachte is ook voor één van de transacties door [persoon 1] een bonus toegekend. De rechtbank acht niet aannemelijk dat [persoon 1] dat had gedaan als hij geweten had dat verdachte voor zijn inspanningen van derden een bedrag van ongeveer € 89.000,-- had ontvangen.

De schriftelijke verklaringen van [persoon 2] en [persoon 3] behelzen niet meer dan dat [persoon 1] op de hoogte zou zijn geweest van de zakelijke contacten die verdachte onderhield buiten [bedrijf 1] Zij verklaren niet over afspraken die verdachte zou hebben gemaakt met [persoon 1] over betalingen door derden voor werkzaamheden van verdachte voor [bedrijf 1], noch verklaren zij van dergelijke betalingen aan verdachte op de hoogte te zijn geweest.

De rechtbank hecht gelet op deze omstandigheden meer geloof aan de verklaring van [persoon 1] dan aan de verklaring van verdachte.

Gelet op zijn verplichtingen ten opzichte van zijn werkgever had verdachte zijn commissies moeten melden en door dat niet te doen heeft hij die betalingen in strijd met de goede trouw verzwegen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

Ten aanzien van feit 1:

in de periode van 28 februari 2002 tot en met 14 oktober 2005 te Doorn in de gemeente Utrechtse Heuvelrug en/of in de gemeente Amersfoort en/of elders in Nederland, telkens

opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de inkomstenbelasting ten name van hem, verdachte, over de belastingjaren 2001 en 2002 en 2004 onjuist en onvolledig heeft

gedaan, immers heeft verdachte telkens opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Amersfoort ingeleverde aangiften inkomstenbelasting -zakelijk weergegeven-

- over het belastingjaar 2001 opgegeven onder/in Sectie S10 als bruto en/of netto inkomsten uit overige werkzaamheden arbeid nihil en onder onder/in sectie 43 als berekende verzamelinkomen een bedrag groot 66.722,- euro en

- over het belastingjaar 2002 opgegeven onder/in Sectie S10 als bruto en/of netto inkomsten uit overige werkzaamheden arbeid telkens nihil en onder onder/in sectie 46 als berekende verzamelinkomen een bedrag groot 108.910,- euro en

- over het belastingjaar 2004 opgegeven als berekende verzamelinkomen een bedrag groot 77.152,- euro,

en telkens in die aangiften voornoemd een te laag belastbaar bedrag/inkomen box 1

opgegeven, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

Ten aanzien van feit 2:

op tijdstippen in de periode vanaf de maand januari 2001 tot en met de maand februari 2004 te Doorn in de gemeente Utrechtse Heuvelrug en Hilversum en Utrecht en te Aerdenhout in de gemeente Bloemendaal, in elk geval in Nederland,

telkens anders dan als ambtenaar, immers als financieel deskundige en/of consultant en/of senior consultant werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij [bedrijf 1], naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, telkens een gift heeft aangenomen, namelijk

- een geldbedrag groot f 119.000,- als een betaling aan hem, verdachte, via [bedrijf verdachte], waarvan hij, verdachte, voorzitter was, als vergoeding voor (zijn, verdachtes aandeel in) de bemiddeling (door [bedrijf 1]) in verband met de verkoop door [bedrijf 12] aan [bedrijf 2] en in verband met de verkoop van [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] van het pand [adres] te

Utrecht en

- een totaalbedrag groot 89.027,- euro aan geld als betalingen aan hem, verdachte als vergoeding in verband met de verkoop door [bedrijf 3] aan [bedrijf 13] (zijnde een dochterbedrijf van [bedrijf 1]) en/of in verband met de verkoop door [bedrijf 13] voornoemd aan [bedrijf 4] van de panden [adres] te Utrecht en (adres) te Sittard en [adres] te Son en

Breugel,

en dit aannemen telkens in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert, in het voordeel van verdachte rekening houdende met zijn leeftijd, het blanco strafblad, het tijdsverloop en zijn detentieongeschiktheid, een werkstraf van 200 uur, te vervangen door 100 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van 328ter Sr; voorts heeft hij meermalen onjuiste aangiften inkomstenbelasting ingediend, waardoor hij fiscale fraude heeft gepleegd.

Artikel 328ter Sr beoogt het algemeen belang te beschermen dat een werkgever moet kunnen vertrouwen op zijn werknemer. Indien dit vertrouwen ontbreekt, belemmert dit in ernstige mate het goed functioneren van een onderneming of organisatie.

Verdachte heeft het vertrouwen dat zijn werkgever in hem moest kunnen stellen ernstig beschaamd. Hij heeft met zijn handelen misbruik gemaakt van zijn positie binnen [bedrijf 1] en buiten medeweten van zijn werkgever geld in ontvangst genomen, welke beloning in verband stond met de werkzaamheden die hij heeft verricht in het kader van vastgoedtransacties met [bedrijf 1] als partij, terwijl verdachte hiervoor van zijn werkgever in een enkel geval al een bijzondere beloning had ontvangen.

[bedrijf 1] is benadeeld door het handelen van verdachte heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen. Voor de kern van het verwijt, te weten het schenden van het vertrouwen van zijn werkgever en het daarmee op het spel zetten van het goed kunnen functioneren van [bedrijf 1], is dat niet van belang. Overigens heeft verdachte door de in feit 1 bewezen belastingfraude wel de fiscus benadeeld. Het totale benadelingsbedrag is door de belastingdienst berekend op € 120.848,--.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij tot en met de behandeling ter zitting geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Ten aanzien van de door hem gepleegde belastingfraude verschuilt verdachte zich achter zijn onwetendheid en zijn belastingadviseur. De rechtbank houdt verdachte volledig verantwoordelijk voor de door hem gepleegde feiten.

De rechtbank acht de bewezen verklaarde feiten dermate ernstig dat, zoals de officier van justitie ook als uitgangspunt heeft geformuleerd, de feiten op zichzelf een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden rechtvaardigen. Vanwege de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de omstandigheid dat hij als gevolg van deze strafzaak niet in staat was een andere werkkring te vinden, alsmede rekening houdende met het tijdsverloop waardoor niet gezegd kan worden dat de berechting heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, zal de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Gelet op het misbruik dat verdachte heeft gemaakt van zijn positie bij [bedrijf 1] en de omvang van de benadeling van de fiscus vindt de rechtbank een geldboete niet passen bij de ernst van de feiten. De rechtbank acht een werkstraf passend en geboden.

De rechtbank zal tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Daarmee beoogt de rechtbank toekomstig strafbaar gedrag te voorkomen.

De rechtbank zal een enigszins kortere voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd, omdat de rechtbank tot een iets andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57, 328ter

Algemene wet inzake rijksbelastingen art. 68, 69.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 2:

het anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten, een gift aannemen en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd.

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen.

Ten aanzien van feit 1, feit 2:

Werkstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.

Ten aanzien van feit 1, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.M. Weerkamp, voorzitter,

mr. A.M. Kooijmans-de Kort en mr. J.G. Vos, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 17 september 2012.