Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX7208

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-09-2012
Datum publicatie
13-09-2012
Zaaknummer
01/849114-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft het slachtoffer bij wijze van wraakoefening twee keer opzettelijk in de onderbenen geschoten. De rechtbank kwalificeert dit als zware mishandeling. Verdachte wordt daarvoor veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/849114-12

Datum uitspraak: 13 september 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1979],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 juli 2012 en van 30 augustus 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 juni 2012.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 24 juli 2012 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij, op of omstreeks 19 februari 2012 te 's-Hertogenbosch, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet met een vuurwapen meerdere kogels heeft afgevuurd in de richting van en/of op het lichaam van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 289/287 juncto artikel 45 wetboek van strafrecht

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 februari 2012 te 's-Hertogenbosch opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk met een vuurwapen een of meer kogels te schieten in een (onder) been van die [slachtoffer];

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 februari 2012 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, met een vuurwapen meerdere kogels heeft afgevuurd in de richting van en/of op het lichaam, althans de/het be(e)n(en), van die

[slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 303/302 juncto artikel 45 wetboek van strafrecht

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan

Inleiding1.

Op 19 februari 2012 omstreeks 03.54 uur heeft er in de Palmboomstraat te 's-Hertogen-bosch een schietincident plaatsgevonden, waarbij diverse keren met een vuurwapen is geschoten.2 Slachtoffer [slachtoffer] is daarbij twee maal in zijn rechteronderbeen geraakt.3 Ter plaatse zijn drie hulzen en een gedeformeerd projectiel aangetroffen.4 De hulzen en voormeld projectiel zijn afkomstig uit hetzelfde wapen.5

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend is te bewijzen dat het verdachte is geweest die heeft geschoten en dat hij dit met voorbedachten rade heeft gedaan. Gelet op de korte afstand vanaf waarvan is geschoten en de omstandigheid dat het schotwonden in het onderbeen van het slachtoffer betreft stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat van een poging tot moord of doodslag geen sprake is. Verdachte dient derhalve van het hem primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken. Het subsidiair tenlastegelegde kan wel wettig en overtuigend worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte degene is geweest die heeft geschoten.

Mocht de rechtbank anders oordelen dan dient verdachte te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Naar het oordeel van de verdediging kan, gelet op de afstand tussen de schutter en het slachtoffer en het gegeven dat kennelijk niet op vitale lichaamsdelen is gericht, geen voorwaardelijk opzet op de dood worden aangenomen.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde stelt de raadsman zich op het standpunt dat, mocht de rechtbank van oordeel zijn dat verdachte wel de schutter is geweest, hij hiervan dient te worden vrijgesproken omdat, nu er slechts sprake is van een vleeswond, het letsel niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Mocht de rechtbank anders oordelen dan refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank voor zover het betreft het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Van voorbedachten rade is naar het oordeel van de verdediging geen sprake.

Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Wie is de schutter:

De raadsman van verdachte stelt dat de identificatie van verdachte door aangever op onbetrouwbare wijze tot stand is gekomen en dat op deze basis niet bewezen kan worden dat verdachte de dader is.

De raadsman voert daartoe onder meer aan dat aangever verklaart de naam van verdachte als zijnde de schutter, te hebben gehoord van [persoon 1] en [persoon 2]

Beiden ontkennen dat.

De rechtbank overweegt als volgt.

Aangever geeft in zijn aangifte op 19 februari 2012 een signalement van de schutter en verklaart die persoon vaker te hebben gezien.

Op 20 februari 2012 verklaart aangever de avond tevoren van [persoon 1] en [persoon 2] te hebben gehoord dat verdachte de schutter is.

Op 21 maart 2012 herkent aangever verdachte op een foto als de schutter.

De enkele omstandigheid dat [persoon 1] en [persoon 2] ontkennen verdachte als schutter te hebben genoemd ten overstaan van aangever, maakt de identificatie van verdachte door aangever naar het oordeel van de rechtbank nog niet tot een onbetrouwbare identificatie.

[persoon 1] en [persoon 2] kunnen allerlei redenen hebben de verklaring van aangever te ontkennen.

Nu de rechtbank ook in de overige door de raadsman genoemde omstandigheden geen grond ziet de identificatie van verdachte door aangever als onbetrouwbaar aan te merken, verwerpt de rechtbank dit verweer van de raadsman.

Aangever [slachtoffer] heeft op 19 februari 2012 rond 03.30 uur in de Hinthamerstraat een van de inzittenden van een zwarte Volkswagen Golf een klap heeft gegeven.6 Door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is kort daarna geconstateerd dat [persoon 3] (de broer van verdachte), een van de inzittenden van een zwarte Volkswagen Golf in de Hinthamerstraat een bebloede neus had en hevig bloedde.7

In de Palmboomstraat is aangever aangesproken door een forse jongen die tegen hem zei "Hey mijn broertje slaan". Vervolgens is die persoon naar aangever gelopen en heeft hem in zijn been geschoten.8 Bij aangever zijn twee schotwonden in zijn rechter onderbeen geconstateerd9. Aangever heeft degene die op hem heeft geschoten zo'n tien keer gezien.10 De schutter was volgens aangever een Marokkaanse jongen van 1.70/1.71 meter met een stevig postuur en normaal niet lang en niet kort haar.11 Verdachte voldoet aan het door aangever opgegeven signalement.12

Op 21 maart 2012 heeft aangever bij het zien van de foto van verdachte verklaard dat dat de schutter is geweest.13

Getuige [getuige] heeft op 21 maart 2012 verklaard dat zij twee "peng, peng" hoorde toen zij op 19 februari 2012 in de woning aan de Palmboomstraat was. Toen zij beneden kwam zag zij veel voor haar onbekende mensen staan. Zij kende wel '[verdachte]', die er ook bijstond.14 De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze verklaring.

Op grond van het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien is de rechtbank, anders dan de raadsman van verdachte, van oordeel dat het verdachte is geweest die heeft geschoten.

Primair tenlastegelegde:

Met de officier en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat poging moord dan wel poging doodslag niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, gelet op de korte afstand tussen verdachte en aangever in combinatie met het gegeven dat aangever in zijn onderbeen is geraakt. Verdachte dient derhalve van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Subsidiair tenlastegelegde, ten aanzien van opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel:

Blijkens artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht wordt onder andere onder zwaar lichamelijk letsel begrepen ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat.

Aan de rechter in feitelijke aanleg wordt een verdere invulling van het begrip 'zwaar lichamelijk letsel' overgelaten. De rechter wordt daarbij de vrijheid gegeven lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen indien dat naar gewoon spraakgebruik als zodanig kan worden aangeduid15.

De rechtbank is van oordeel dat de verwondingen die aangever aan zijn onderbeen heeft opgelopen ten gevolge van de door verdachte geloste schoten, zulks in combinatie met het ten gevolge van de operatie ontstane litteken en de duur van de medische behandeling, volgens normaal spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel is aan te merken.

Subsidiair tenlastegelegde, ten aanzien van voorbedachten rade:

Volgens vaste jurisprudentie is voor bewezenverklaring van voorbedachten rade voldoende dat komt vast te staan dat het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet het gevolg is van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging, maar dat verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat tijdsverloop hoeft niet lang te zijn en kan zich ook ten dele afspelen tijdens de gewelddadige handelingen.16

De rechtbank is van oordeel dat uit de voorhanden bewijsmiddelen onvoldoende valt af te leiden dat er sprake is geweest van de hiervoor omschreven situatie. De rechtbank spreekt verdachte om die reden vrij van het bestanddeel "voorbedachten rade". Met name blijkt onvoldoende dat er sprake was van een concreet plan of een concreet voornemen om te schieten met het wapen en ook blijkt niet op welk moment en op welke wijze verdachte de beschikking over het wapen heeft gekregen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 19 februari 2012 te 's-Hertogenbosch opzettelijk [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door opzettelijk met een vuurwapen kogels te schieten in een onderbeen van die [slachtoffer]

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert ten aanzien het subsidiair tenlastegelegde een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het onder primair en subsidiair tenlastegelegde. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat het verdachte is geweest die heeft geschoten dan wordt het meer subsidiaire wettig en overtuigend bewezen geacht, in die zin dat er geen sprake is van voorbedachten rade. Voor wat betreft de op te leggen straf heeft de raadsman, met verwijzing naar een tweetal zaken, waarbij sprake was van schieten in de richting van benen zonder dat het slachtoffer is geraakt en schieten in de richting van de benen en lichaam, waarbij het slachtoffer in de voet is geraakt, zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft met een vuurwapen meerdere keren van dichtbij bewust in de richting van de benen van het slachtoffer geschoten. Het slachtoffer is daarbij twee keer in zijn rechteronderbeen geraakt, tengevolge waarvan het slachtoffer is opgenomen in het ziekenhuis alwaar hij aan het onderbeen is geopereerd. Hierdoor heeft het slachtoffer een litteken op zijn onderbeen opgelopen, waarvan thans niet bekend is of dit al dan niet blijvend is. Verdachte heeft door zijn handelen op een zeer gewelddadige wijze de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Voor zowel het slachtoffer als voor de omstanders moet deze gebeurtenis bijzonder ingrijpend zijn geweest. Het schietincident heeft geleid tot psychische en emotionele schade bij het slachtoffer. Bovendien worden door een dergelijk feit de algemene gevoelens van onveiligheid in de samenleving versterkt. Verdachte heeft grensoverschrijdend gedrag vertoond en zich hierbij niet veel van de belangen van het slachtoffer aangetrokken.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat zij, anders dan de officier van justitie, van oordeel is dat hier geen sprake is geweest van het met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt aan de benadeelde partij toe te kennen een immateriële schadevergoeding van EUR 1500,-- en een materiële schadevergoeding van EUR 500,--, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.

Het standpunt van de verdediging.

Voor wat betreft de immateriële schadevergoeding vindt de raadsman van verdachte een vergoeding van EUR 1500,-- reëel. Voor het overige dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering omdat, voor zover het de immateriële schadevergoeding betreft, de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en voor zover het de materiële schadevergoeding betreft deze vordering onvoldoende is onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de gevorderde immateriële schadevergoeding tot een bedrag van EUR 1500,--.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, betreffende immateriële schadevergoeding voor zover dit het bedrag van EUR 1500,-- te boven gaat, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, voor zover het betreft de materiële schadevergoeding ten bedrage van EUR 1936,-- (post opname verlof door vriendin in verband met verzorging van het slachtoffer) aangezien ten aanzien van die post niet is gebleken, noch aannemelijk geworden, dat sprake is van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade. De rechtbank overweegt hierbij in het bijzonder dat niet, althans onvoldoende is onderbouwd, dat het noodzakelijk was dat het slachtoffer door zijn vriendin werd verzorgd.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 302.

DE UITSPRAAK

T.a.v. primair:

Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

subsidiair

zware mishandeling

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. subsidiair:

Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht

T.a.v. subsidiair:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 1500,--.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van EUR 1500,-- (zegge: eenduizendvijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van EUR 1500,-- (zegge: eenduizendvijfhonderd euro), te weten immateriële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.Th. van Vliet, voorzitter,

mr. J.M.P. Willemse en mr. P.J. Appelhof, leden,

in tegenwoordigheid van F.H.M. Klerkx, griffier,

en is uitgesproken op 13 september 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de regiopolitie Brabant-Noord, District Meijerij, onderzoek Drecht, genummerd 2012018215, aantal bladzijden 229. (hierna p.v.)

2 de aangifte van [slachtoffer] d.d. 19 februari 2012 (p.v. blz. 54 en

3 de medische verklaring d.d. 19 februari 2012 (p.v. blz. 56)

4 proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 19 februari 2012 (p.v. blz. 98)

5 rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 23 april 2012;

6 proces-verbaal van aangifte d.d. 19 februari 2012 (p.v. blz. 51)

7 proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 februari 2012 (p.v. blz. 94)

8 proces-verbaal van aangifte d.d. 19 februari 2012 (p.v. blz. 51 en 54)

9 Een geschrift d.d. 19 februari 2012,bevattende medische informatie, (p.v. blz. 56)

10 proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 20 februari 2012 (p.v. blz. 58)

11 proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 13 maart 2012 (p.v. blz. 64)

12 proces-verbaal d.d. 24 mei 2012 (p.v. blz. 8)

13 proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 21 maart 2012 (p.v. blz. 69)

14 proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 maart 2012 (p.v. blz. 122)

15 Hoge Raad 14 februari 2006, LJN AU8055.

16 Hoge Raad 11 juni 2002, LJN: AE1743, HR 22 februari 2005, LJN: AR5714 (Deventer moordzaak) en Hof Den Bosch 30 september 2009, LJN: BJ9428.

??

??

11

Parketnummer: 01/849114-12

[verdachte]