Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX6999

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-09-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
AWB 11-1907
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder niet bevoegd om de toegekende kinderopvangtoeslag over het jaar 2008 te herzien. Verweerder heeft de tegemoetkoming over het jaar 2008 met toepassing van artikel 18, vierde lid, van de Awir ambtshalve definitief vastgesteld op € 3.177,00, terwijl hij er van op de hoogte was dat eiser geen schriftelijke overeenkomst van eiser met het gastouderbureau had overgelegd en dat eiser geen bewijstukken had overgelegd waaruit blijkt dat er daadwerkelijk kosten voor kinderopvang zijn gemaakt. Onder die omstandigheden kon verweerder niet met toepassing van artikel 21, eerste lid, van de Awir, de kinderopvangtoeslag over het jaar 2008 bij het besluit op bezwaar van 8 december 2011 alsnog op nihil vaststellen omdat deze stukken niet waren overgelegd. Daar komt bij dat verweerder eiser pas op 16 november 2011, dus na het besluit op bezwaar van 20 mei 2011, heeft gevraagd de overeenkomst met het kinderopvangbureau te overleggen.

Niet valt in te zien dat eiser had moeten weten dat de kinderopvangtoeslag tot een te hoog bedrag was toegekend. Nog daargelaten dat het ging om een ambtshalve toekenning staat niet vast dat de kinderopvang op een te hoog bedrag is vastgesteld. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat er een overeenkomst met het gastouderbureau is gesloten en hij heeft in beroep rekeningafschriften en facturen over het jaar 2008 bij verweerder ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/1907

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2012 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

en

Belastingdienst/ Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: G.A.J. Kortenbach).

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 25 januari 2011 heeft verweerder het recht van eiser op kinderopvangtoeslag over het jaar 2008 definitief vastgesteld op een bedrag van € 3.177,00 en teveel uitbetaalde voorschotten ten bedrage van € 1.217,00 van eiser teruggevorderd.

Verweerder heeft het tegen dit besluit door eiser gemaakte bezwaar bij besluit van 20 mei 2011 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 8 december 2011 heeft verweerder het besluit op bezwaar van 20 mei 2011 herzien, het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en de kinderopvangtoeslag van eiser over het jaar 2008 definitief vastgesteld op nihil.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2012, waar eiser is verschenen. Voor verweerder was geen vertegenwoordiger aanwezig. Na sluiting van de behandeling ter zitting is de rechtbank gebleken dat verweerder zich wel in het gerechtsgebouw had gemeld.

De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Awb, heropend teneinde verweerder alsnog de gelegenheid te geven om zijn standpunt op een zitting naar voren te brengen. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een nieuwe zitting.

De zaak is vervolgens opnieuw behandeld op de zitting van 28 juni 2012, waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser is niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

<b>Overwegingen</b>

1. De rechtbank merkt de volgende, door partijen niet betwiste feiten, als vaststaand aan. Eiser heeft voor het berekeningsjaar 2008 een tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang aangevraagd voor dag- en buitenschoolse opvang van zijn twee kinderen door middel van gastouderbureau Klokje Rond V.O.F. te Veldhoven (Klokje Rond). In verband hiermee heeft verweerder aan eiser voorschotten toegekend tot een bedrag van € 4.394,00. Bij brief van 1 oktober 2010 heeft verweerder eiser om aanvullende gegevens verzocht, waaronder afschriften van de jaaropgave en maandoverzichten. Bij besluit van 25 januari 2011 heeft verweerder de kinderopvangtoeslag over 2008 definitief vastgesteld op € 3.177,00. Verweerder heeft deze vaststelling bij besluit op bezwaar van 20 mei 2011 gehandhaafd. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft voldaan aan een herhaald verzoek om toezending van bewijsstukken met betrekking tot de kinderopvang over het jaar 2008.

Hangende het tegen dit besluit ingestelde beroep heeft verweerder eiser bij brief van 16 november 2011 wederom in de gelegenheid gesteld om bewijsstukken over het jaar 2008 te overleggen, te weten de overeenkomst met het gastouderbureau, de jaaropgave van het gastouderbureau/de kinderopvanginstelling inzake de totale kosten van de kinderopvang over het jaar 2008 en de facturen en de betalingsbewijzen over het jaar 2008. Eiser heeft vervolgens bij brief van rekeningafschriften van 11 maart 2008 en 11 juli 2008 betreffende betalingen aan Klokje Rond en facturen van dit bureau voor de periode 1 februari 2008 tot en met 31 december 2008 bij verweerder ingediend.

Verweerder heeft daarop bij besluit van 8 december 2011 het besluit op bezwaar van 20 mei 2011 herzien en heeft eiser medegedeeld dat dit nieuwe besluit in de plaats treedt van het besluit van 20 mei 2011.

2. Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.

3. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

4. Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, en artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, wordt het beroep geacht te worden mede tegen het besluit van 8 december 2011 te zijn gericht, nu bij dat besluit niet aan het bezwaar van eiser is tegemoetgekomen.

<u>Ten aanzien van het beroep tegen het besluit van 20 mei 2011</u>

5. Niet is gesteld noch is gebleken dat eiser nog belang heeft bij het beroep tegen het besluit van 20 mei 2011. De rechtbank zal dat beroep dan ook niet ontvankelijk verklaren. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

<u>Ten aanzien van het beroep tegen het besluit van 8 december 2011</u>

6. Verweerder heeft bij het besluit van 8 december 2011 de definitief vastgestelde kinderopvangtoeslag over 2008 herzien op nihil. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van een overeenkomst met ‘Klokje Rond’, zodat op grond van artikel 52 van de Wko geen recht bestaat op kinderopvangtoeslag voor het jaar 2008. Verder is verweerder van mening dat eiser met de overgelegde bewijsstukken niet heeft aangetoond dat er daadwerkelijk kosten zijn gemaakt voor kinderopvang over 2008, welke eis voortvloeit uit artikel 5, eerste lid, van de Wko, zodat ook daarom geen recht bestaat op kinderopvangtoeslag over dit jaar.

7. De rechtbank stelt vast dat het herziene besluit op bezwaar van 8 december 2011 slechts ziet op de vaststelling van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2008. Verweerder heeft ter zitting medegedeeld dat nog geen besluit tot terugvordering van de kinderopvangtoeslag is genomen.

8. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wet Kinderopvang (Wko), voor zover hier van belang, heeft een ouder aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk, indien het betreft:

a. kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum; of

b. gastouderopvang in een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

9. Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1° het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2° de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3° de soort kinderopvang.

10. Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

11. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

In het vierde lid is bepaald dat indien niet aan de in de vorige leden genoemde verplichtingen is voldaan, de Belastingdienst/Toeslagen ambtshalve de hoogte van de tegemoetkoming bepaalt.

12. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) kan de Belastingdienst/Toeslagen een toegekende tegemoetkoming herzien:

a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan de Belastingdienst/Toeslagen bij de toekenning redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming vermoedelijk tot een te hoog bedrag is toegekend, of

b. indien de tegemoetkoming tot een te hoog bedrag is toegekend en de belanghebbende of zijn partner dit wist of behoorde te weten.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat een tegemoetkoming met toepassing van dit artikel niet meer kan worden herzien indien vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kan een herziening op grond van dit artikel leiden tot een terug te vorderen bedrag.

13. Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder op grond van artikel 21, eerste lid, van de Awir niet bevoegd om de bij besluit van 25 januari 2011 toegekende kinderopvangtoeslag over het jaar 2008 te herzien. Verweerder heeft bij het primaire besluit de kinderopvangtoeslag over het jaar 2008 definitief vastgesteld op € 3.177,00 en heeft dit besluit bij het besluit van 20 mei 2011 gehandhaafd onder verwijzing naar artikel 18 van de Awir. In artikel 18, vierde lid, van de Awir is bepaald dat indien niet alle gegevens en inlichtingen zijn verstrekt die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn, verweerder ambtshalve de hoogte van de tegemoetkoming bepaalt. In dit geval heeft verweerder de tegemoetkoming dus ambtshalve vastgesteld op € 3.177,00, terwijl hij er van op de hoogte was dat eiser geen schriftelijke overeenkomst van eiser met het gastouderbureau had overgelegd en dat eiser geen bewijstukken had overgelegd waaruit blijkt dat er daadwerkelijk kosten voor kinderopvang zijn gemaakt. Onder die omstandigheden kon verweerder niet met toepassing van artikel 21, eerste lid, van de Awir, de kinderopvangtoeslag over het jaar 2008 bij het besluit op bezwaar van 8 december 2011 alsnog op nihil vaststellen omdat deze stukken niet waren overgelegd. Daar komt bij dat verweerder eiser pas op 16 november 2011, dus na het besluit op bezwaar van 20 mei 2011, heeft gevraagd de overeenkomst met het kinderopvangbureau te overleggen.

Niet valt in te zien dat eiser had moeten weten dat de kinderopvangtoeslag tot een te hoog bedrag was toegekend. Nog daargelaten dat het ging om een ambtshalve toekenning op grond van artikel 18, vierde lid, van de Awir staat niet vast dat de kinderopvang op een te hoog bedrag is vastgesteld. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat er een overeenkomst met het gastouderbureau is gesloten en hij heeft in beroep rekeningafschriften van 11 maart 2008 en 11 juli 2008 betreffende betalingen aan Klokje Rond en facturen van dit bureau voor de periode 1 februari 2008 tot en met 31 december 2008 bij verweerder ingediend. Bij brief van 31 maart 2012 heeft eiser nog rekeningafschriften van de maanden februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober en december 2008 van betalingen aan ‘Klokje Rond’ over het berekeningsjaar 2008 in verband met de opvang van zijn kinderen in het geding gebracht.

14. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 21, eerste lid, van de Awir. Verweerder zal daarom binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder zal daarbij de door eiser in beroep alsnog overgelegde gegevens dienen te betrekken. Daarbij merkt de rechtbank met het oog op een finale beslechting van het geschil nog het volgende op. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat uit de door eiser overgelegde betalingsbewijzen niet is af te leiden dat betalingen aan de gastouder zijn verricht. Hij heeft in dat verband verwezen naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Voor zover verweerder heeft beoogd te verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2011 (LJN: BW9542) is de rechtbank van oordeel dat daaruit niet kan worden afgeleid dat indien, zoals in dit geval, betalingen aan het gastouderbureau worden verricht in plaats van aan de gastouder, de ontvanger van kinderopvangtoeslag ook dient aan te tonen dat het gastouderbureau de gastouder heeft betaald.

15. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

16. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank;

- verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar van 20 mei 2011 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar van 8 december 2011 gegrond;

- vernietigt het besluit op bezwaar van 8 december 2011;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 41,00 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, in aanwezigheid van mr. A.G.M. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2012

griffier rechter

De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen

<HR ALIGN="left" WIDTH="50%">

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</i>

Afschriften verzonden: