Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX6658

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-08-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
AWB 12/278
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit waarbij het college een omgevingsvergunning heeft gewijzigd door een nieuw voorschrift aan de vergunning te verbinden dat de deuren in de brijvoederruimte, met uitzondering van het doorlaten van personen en/of goederen, te allen tijde gesloten moeten zijn. Volgens verweerder worden voor brijvoer bijprodukten gebruikt waarvan algemeen bekend is dat deze geurhinder voor de omgeving kunnen veroorzaken. Daarom worden aan vergunningen, zonder nader onderzoek, ter voorkoming van geurhinder standaard voorschriften als de onderhavige verbonden ten aanzien van de opslag en het gebruik van brijvoer en bijprodukten. Na te hebben geconstateerd dat een voorschrift als het onderhavige abusievelijk niet in de geldende omgevingsvergunning was opgenomen, heeft verweerder besloten dit alsnog te doen. (…) Volgens eiser had verweerder wel onderzoek moeten doen naar de vraag of het voorschrift daadwerkelijk noodzakelijk is ter beperking van geurhinder. (…) Ten aanzien van de vraag of verweerder bevoegd is op basis van artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo een voorschrift te verbinden aan de omgevingsvergunning, overweegt de rechtbank het volgende. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling met betrekking tot toepassing van artikel 8.22 van de Wm (oud) vloeit voort dat dit artikel, zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel, ziet op het actualiseren van de vergunning in verband met technische ontwikkelingen of ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Indien daarvan niet is gebleken kon geen toepassing worden gegeven aan artikel 8.22 van de Wm (oud), maar mogelijk wel aan artikel 8.23 van de Wm (oud). De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2000 (LJN: BL2227). Artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo verschilt niet wezenlijk van hetgeen voor de inwerkingtreding van de Wabo was bepaald in artikel 8.22, eerste lid, van de Wm (oud). De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om van de jurisprudentie met betrekking tot artikel 8.22, eerste lid, van de Wm (oud) af te wijken. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval niet gebleken van voortschrijdende technische ontwikkelingen. Verweerders verwijzing naar artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo gaat reeds daarom niet op. Dit neemt echter niet weg dat verweerder op zichzelf bevoegd is om met toepassing van het bepaalde in artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo, een voorschrift als hier aan de orde aan de vergunning te verbinden, zolang dit maar in het belang van de bescherming van het milieu is. De rechtbank ziet zich aldus gesteld voor de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden voorschrift nodig is ter bescherming van het milieu. Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele aanname dat sprake is van een omissie in de vergunning van een ander bestuursorgaan in dat verband onvoldoende. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder het destijds bevoegde gezag (GS) hierover niet heeft geraadpleegd. Verder moet worden vastgesteld dat verweerder geen onderzoek heeft verricht naar de vraag of geuroverlast vanwege de brijvoederruimte optreedt. (…) Gelet op het voorgaande heeft verweerder volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de klachten over geurhinder ook daadwerkelijk door de brijvoederruimte worden veroorzaakt. Ook overigens zijn in het bestreden besluit noch ter zitting aanknopingspunten gegeven voor het oordeel dat het bestreden voorschrift nodig is ter bescherming van het milieu.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.30
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2012/153 met annotatie van Van der Meijden
Milieurecht Totaal 2012/2559
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3091

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/278

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2012 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. J. van Groningen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reusel-De Mierden, verweerder

(gemachtigden: N. Ansems en A. van Riet).

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 12 december 2011 heeft verweerder met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de op 6 april 2004 aan eiser verleende omgevingsvergunning gewijzigd door een nieuw voorschrift aan die vergunning te verbinden.

Het hiertegen door eiser bij brief van 11 januari 2012 gemaakte bezwaar is door verweerder met toepassing van artikel 6:15 van de Awb ter behandeling als beroep aan de rechtbank toegezonden.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

<b>Overwegingen</b>

<u>Feiten en omstandigheden</u>

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2. Eiser exploiteert een agrarisch bedrijf op het perceel [perceel] te [plaats]. Op 23 januari 2001 en nadien op 6 april 2004 hebben gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant (GS) aan eiser een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer (Wm) verleend voor een agrarisch bedrijf met rundvee en vleesvarkens. In de vergunning van 23 januari 2001 was als voorschrift opgenomen dat de deuren in de brijvoederruimte, met uitzondering van het doorlaten van personen en/of goederen, te allen tijden moeten zijn gesloten. Dit voorschrift was niet verbonden aan de vergunning van 6 april 2004.

3. Op 1 april 2010 heeft eiser een aanvraag om een veranderingsvergunning ingevolge artikel 8.1 van de Wm aangediend in verband met een uitbreiding van de inrichting met rundvee. Op 25 maart 2011 heeft verweerder een ontwerpbeschikking op deze aanvraag kenbaar gemaakt. Daartegen is door een omwonende een zienswijze ingediend, waarin is verzocht de voorwaarde weer in de vergunning op te nemen.

<u>Standpunten partijen</u>

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de omgevingsvergunning van 6 april 2004 - ambtshalve - gewijzigd door alsnog aan die vergunning het voorschrift te verbinden dat de deuren in de brijvoederruimte, met uitzondering van het doorlaten van personen en/of goederen, te allen tijde gesloten moeten zijn. Volgens verweerder worden voor brijvoer bijprodukten gebruikt waarvan algemeen bekend is dat deze geurhinder voor de omgeving kunnen veroorzaken. Daarom worden aan vergunningen, zonder nader onderzoek, ter voorkoming van geurhinder standaard voorschriften als de onderhavige verbonden ten aanzien van de opslag en het gebruik van brijvoer en bijprodukten. Na te hebben geconstateerd dat een voorschrift als het onderhavige abusievelijk niet in de geldende omgevingsvergunning was opgenomen, heeft verweerder besloten dit alsnog te doen. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat de afstand van deze ruimte tot de dichtstbijzijnde woningen minder dan 100 meter bedraagt, dat er klachten van geuroverlast zijn uit de omgeving en dat het voorschrift voor eiser in de praktijk uitvoerbaar is en de mogelijke overlast die dit voorschrift voor eiser teweeg brengt niet opweegt tegen de overlast die door het ontbreken daarvan voor de omgeving kan worden ondervonden.

5. Volgens eiser had verweerder wel onderzoek moeten doen naar de vraag of het voorschrift daadwerkelijk noodzakelijk is ter beperking van geurhinder. Eiser heeft aangevoerd dat, alvorens een dergelijk voorschrift aan de vergunning te verbinden, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bestuurs)rechtspraak van de Raad van State (waaronder de uitspraak van 5 september 2000, E03.99.0063) Een verwijzing naar hetgeen in zijn algemeenheid bekend is over geurhinder als gevolg van een brijvoerinstallatie gaat niet op, te meer nu niet iedere installatie gelijk is omdat de bijprodukten die worden toegepast divers van aard zijn. Het bestreden besluit berust daarom niet op een draagkrachtige motivering. Verder is eiser het oneens met het standpunt van verweerder dat de mogelijke overlast die eiser van dit voorschrift ondervindt niet opweegt tegen de overlast die door het ontbreken van dit voorschrift kan worden ondervonden. Eiser heeft wel overlast van het voorschrift nu hij wordt blootgesteld aan een handhavingsrisico. Tot slot is eiser van mening dat de formele rechtskracht van de vergunning van 6 april 2004 eraan in de weg staat dat om alsnog een voorschrift aan die vergunning te verbinden en daarmee deze vergunning te wijzigen. Dit zou een onaanvaardbare verlenging van rechtsbescherming betekenen die destijds heeft open gestaan tegen het besluit van 6 april 2004.

<u>Wettelijk kader</u>

6. Op 1 oktober 2010 zijn de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Invoeringswet Wabo in werking getreden.

7. Op grond van artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wm, die onmiddellijk voor het tijdstip van artikel 2,1, eerste lid, van de Wabo van kracht en onherroepelijk is, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit, te weten het inwerking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerst lid, onder e, van de Wabo.

8. In artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo is bepaald dat, voor zover de omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, het bevoegd gezag regelmatig beziet of de voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

9. Op grond van artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo kan het bevoegd gezag voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen voor zover deze betrekking hebben op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is.

<u>Beoordeling</u>

10. Uit het bestreden besluit en de ter zitting gegeven toelichting komt naar voren dat verweerder op basis van de verplichting in artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo voor verweerder aanleiding is geweest om - met toepassing van artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo - het bestreden voorschrift aan de omgevingsvergunning van 6 april 2004 te verbinden.

11. Ten aanzien van de vraag of verweerder bevoegd is op basis van artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo een voorschrift te verbinden aan de omgevingsvergunning, overweegt de rechtbank het volgende.

12. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling met betrekking tot toepassing van artikel 8.22 van de Wm (oud) vloeit voort dat dit artikel, zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel, ziet op het actualiseren van de vergunning in verband met technische ontwikkelingen of ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Indien daarvan niet is gebleken kon geen toepassing worden gegeven aan artikel 8.22 van de Wm (oud), maar mogelijk wel aan artikel 8.23 van de Wm (oud). De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2000, LJN: BL2227. Artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo verschilt niet wezenlijk van hetgeen voor de inwerkingtreding van de Wabo was bepaald in artikel 8.22, eerste lid, van de Wm (oud). De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om van de jurisprudentie met betrekking tot artikel 8.22, eerste lid, van de Wm (oud) af te wijken.

13. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval niet gebleken van voortschrijdende technische ontwikkelingen. Verweerders verwijzing naar artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo gaat reeds daarom niet op. Dit neemt echter niet weg dat verweerder op zichzelf bevoegd is om met toepassing van het bepaalde in artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wabo, een voorschrift als hier aan de orde aan de vergunning te verbinden, zolang dit maar in het belang van de bescherming van het milieu is. De rechtbank ziet zich aldus gesteld voor de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden voorschrift nodig is ter bescherming van het milieu.

14. Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele aanname dat sprake is van een omissie in de vergunning van een ander bestuursorgaan in dat verband onvoldoende. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder het destijds bevoegde gezag (GS) hierover niet heeft geraadpleegd. Verder moet worden vastgesteld dat verweerder geen onderzoek heeft verricht naar de vraag of geuroverlast vanwege de brijvoederruimte optreedt. Verweerder heeft aangegeven dat in het verleden en heden door bewoners in de directe omgeving klachten over geurhinder ingediend. Uit het verhandelde ter zitting is echter naar voren gekomen dat dit klachten over agrarische lucht betrof. Aldus is niet duidelijk geworden of die klachten zijn te herleiden tot het gebruik van de brijvoederruimte. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser heeft gesteld dat mogelijke geuroverlast door toepassing van brijvoer afhankelijk is van de samenstelling, met name van de gebruikte bijprodukten en dat verweerder dit standpunt niet heeft weersproken. Ter zitting is gebleken dat verweerder geen navraag heeft gedaan bij eiser over de samenstelling van het door hem toegepaste brijvoer en de handelingen die hij met het brijvoer verricht. Gelet op het voorgaande heeft verweerder volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de klachten over geurhinder ook daadwerkelijk door de brijvoederruimte worden veroorzaakt. Ook overigens zijn in het bestreden besluit noch ter zitting aanknopingspunten gegeven voor het oordeel dat het bestreden voorschrift nodig is ter bescherming van het milieu.

15. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en daarmee evenmin berust op een deugdelijke motivering. Gelet hierop komt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Het door eiser tegen dit besluit ingestelde beroep is reeds hierom gegrond.

16. Gezien het voorgaande staat niet vast of verweerder bevoegd is in het belang van de bescherming van het milieu alsnog een voorschrift als het onderhavige aan de omgevingsvergunning van 6 april 2004 te verbinden. Het betoog van eiser dat de formele rechtskracht van deze omgevingsvergunning hieraan in de weg staat en dat hij door toevoeging van het voorschrift wordt blootgesteld aan een handhavingsrisico behoeft daarom geen verdere bespreking.

17. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daarbij is in aanmerking genomen dat niet op voorhand vast staat dat het gebruik van brijvoer geurhinder veroorzaakt. De rechtbank ziet daarom evenmin aanleiding om toepassing te geven aan de bevoegdheid in artikel 8:51a van de Awb.

18. Nu het beroep gegrond is acht de rechtbank termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00;

• wegingsfactor 1.

19. Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 152,00 dient te vergoeden.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 874,00;

- gelast verweerder aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 152,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. A.G.M. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2012.

de griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

<b>Rechtsmiddel</b>

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State,

Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.