Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX6261

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
03-09-2012
Zaaknummer
243634 - HA ZA 12-193
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidenten zekerheidstelling, oproeping in vrijwaring en in geding brengen beëdigde vertaling van een productie.

Van het beginsel dat een buitenlandse partij zekerheid moet stellen voor de proceskosten moet worden afgeweken, indien dat uit een verdrag voortvloeit. Op de in Bermuda gevestigde eiser sub 5 rust geen plicht om zekerheid te stellen, indien zij naar het recht van Bermuda is opgericht of erkend. Eiser sub 5 heeft dat niet genoegzaam aangetoond. Van de Bermudaanse autoriteiten afkomstige documenten op dat punt ontbreken. Verweer dat er voldoende verhaalsmogelijkheden zullen zijn omdat er een hoofdelijke proceskostenveroordeling zal volgen en de proceskosten dus kunnen worden verhaald op de in Nederland gevestigde eiser sub 1, faalt.

Er is geen algemene rechtsregel die een procespartij verplicht om van producties die niet in de Nederlandse taal zijn gesteld, een beëdigde verklaring in het geding te brengen. De vraag of eisers door het niet overleggen van een vertaling in strijd hebben gehandeld met hun substantiërings- en/of bewijsaandraagplicht, leent zich niet voor een beoordeling in dit incident. Een oordeel daarover is voorbehouden aan de rechter in de hoofdzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 243634 / HA ZA 12-193

Vonnis in incident van 29 augustus 2012

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PETROCHEMICAL PIPELINE SERVICES B.V.,

handelend onder de naam SABIC PIPELINES B.V.,

gevestigd te Urmond,

2. rechtspersoon naar vreemd recht

QBE INSURANCE GROUP LIMITED,

gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),

3. rechtspersoon naar vreemd recht

AEGIS,

gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),

4. rechtspersoon naar vreemd recht

QBE INSURANCE GROUP LIMITED,

gevestigd te Sydney (Australië),

5. rechtspersoon naar vreemd recht

CATLIN GROUP LIMITED,

gevestigd te Hamilton (Bermuda),

6. rechtspersoon naar vreemd recht

BRIT INSURANCE LIMITED,

gevestigd te Londen(Verenigd Koninkrijk),

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in de incidenten,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

eiser in een incident,

advocaat mr. R.F.L.M. van Dooren te Eindhoven,

en tegen

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2],

gevestigd te [woonplaats],

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

eisers in incidenten,

advocaat mr. E.J.M. Stals te Weert.

Eiseressen zullen hierna Sabic B.V. c.s. worden genoemd. Gedaagden zullen respecti[Y], [Y] en [Z] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de incidentele conclusie tot zekerheidstelling proceskosten, oproeping in vrijwaring en in geding brengen van beëdigde vertaling van [Y] en [Z] van 13 juni 2012;

- de conclusie van antwoord in de door [Y] en [Z] opgeworpen incidenten van Sabic B.V. c.s. van 25 juli 2012;

- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van [X] van 25 juli 2012;

- de conclusie van antwoord in het door [X] opgeworpen incident van Sabic B.V. c.s. van 8 augustus 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling van de door [Y] en [Z] opgeworpen incidenten

Oproeping in vrijwaring

2.1. [Y] en [Z] vorderen onder meer dat hen wordt toegestaan om [X] in vrijwaring op te roepen. Op dit punt refereren Sabic B.V. c.s. zich aan het oordeel van de rechtbank.

2.2. De rechtbank is van oordeel dat deze incidentele vordering moet worden toegewezen, nu de aangevoerde en niet weersproken gronden die vordering kunnen dragen.

Zekerheidstelling proceskosten

2.3. Met een beroep op artikel 224 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) vorderen [Y] en [Z] dat eiseressen 4 en 5 (hierna: QBE-Australië en Catlin) zekerheid stellen voor de proceskosten. Het bedrag van de zekerheidstelling door QBE-Australië en Catlin begroten [Y] en [Z] op in totaal EUR 55.731,-. Daarbij gaan [Y] en [Z] uit van:

- EUR 3.621,- wegens griffierecht;

- 10 punten tegen een liquidatietarief van EUR 3.211,- per punt is EUR 32.110,-;

- EUR 20.000,- voor het geval de zekerheid pas kan worden ingeroepen als sprake is van een voor [Y] en [Z] gunstig onherroepelijk (tussen-) vonnis en QBE-Australië en Catlin vertragingsrente zijn verschuldigd.

2.4. Sabic B.V. c.s. voeren hiertegen verweer, kort samengevat inhoudende:

- dat Catlin een vennootschap naar Bermudaans recht is en op de grond van artikel 224, lid 2, onder a Rv dan niet kan worden gehouden zekerheid te stellen;

- dat er voldoende verhaalsmogelijkheden zijn in Nederland en in Engeland;

- voor het geval de vordering wordt toegewezen, dat het bedrag waarvoor zekerheid dient te worden gesteld moet worden gematigd.

2.5. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat zowel QBE-Australië als Catlin geen woon- of gewone verblijfplaats hebben in Nederland, zodat zij op grond van het eerste lid van artikel 224 Rv in beginsel de gevorderde zekerheid moeten stellen.

2.6. Van dat beginsel moet worden afgeweken, indien uit een Verdrag voortvloeit dat geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat (vgl. artikel 224, lid 2, aanhef en onder a Rv). Uit artikel III van het Aanvullend Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende rechtsgedingen (Trb 1967, 196; Trb 1971, 97, hierna: het Verdrag), gelezen in samenhang met artikel I van dat Verdrag, volgt dat er voor Catlin geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat, indien zij naar het recht van Bermuda is opgericht of erkend. [Y] en [Z] hebben hier in hun incidentele conclusie op gewezen en daarbij terecht gesteld dat uit de dagvaarding niet volgt dat Catlin naar het recht van Bermuda is opgericht of erkend en dat het aan Catlin is om daarover duidelijkheid te verschaffen. Sabic B.V. c.s. hebben vervolgens in het geding gebracht (hun productie 2 bij de conclusie van antwoord in de incidenten van 25 juli 2012) een door Catlin uitgegeven “Notice of Annual General Meeting”, zijnde een oproep voor de aandeelhoudervergadering van 10 mei 2012. Met enkel dit stuk hebben Sabic B.V. c.s. naar het oordeel van de rechtbank echter niet genoegzaam aangetoond dat Catlin naar het recht van Bermuda is opgericht of erkend. In de oproep staat weliswaar vermeld (eerste pagina, rechterkolom bovenaan) dat Catlin “incorporated” - dat zich laat vertalen als: erkend - is in Bermuda, maar de oproep is afkomstig van Catlin zelf en om die reden onvoldoende overtuigend. Gezien de stellingen van [Y] en [Z], had het op de weg van Sabic B.V. c.s. gelegen om op dit punt documenten te overleggen van de Bermudaanse autoriteiten, hetgeen zij hebben nagelaten. Zij hebben bovendien niet (gemotiveerd) gesteld dat het voor hen onmogelijk is gebleken om (tijdig) dergelijke documenten te verkrijgen en te overleggen. Onder deze omstandigheden komt Catlin geen beroep toe op het bepaalde in artikel 224, lid 2, aanhef en onder a Rv.

2.7. Sabic B.V. c.s. hebben voorts gesteld dat er voldoende verhaalsmogelijkheden zijn. Hierbij hebben Sabic B.V. c.s. zich ten eerste uitdrukkelijk beroepen op het bepaalde in artikel 224, lid 2, aanhef en onder c, waaruit volgt dat geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat, indien redelijkerwijs aannemelijk is dat verhaal voor een veroordeling tot betaling van proceskosten in Nederland mogelijk zal zijn. Volgens Sabic B.V. c.s. is het onaannemelijk dat slechts ten aanzien van één of enkele van de eisende partijen een veroordeling zal worden uitgesproken en zijn er ook geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat die veroordeling niet een hoofdelijke zal zijn. [Y] en [Z] kunnen de proceskosten dus op de in Nederland gevestigde eiseres sub 1 verhalen, aldus Sabic B.V. c.s..

Dit verweer faalt. Sabic B.V. c.s. hebben immers niet, laat staan gemotiveerd, gesteld dat voor een veroordeling van QBE-Australië en Catlin zelf tot betaling van proceskosten, verhaal in Nederland mogelijk is. De omstandigheid - wat daar overigens ook van zij - dat in Nederland wel verhaal mogelijk is ten laste van eiseres sub 1, Petrochemical Pipeline Services B.V., die hier is gevestigd en kapitaalkrachtig is, doet niets af aan de verplichting voor QBE-Australië en Catlin als buitenlandse partijen om op grond van artikel 224, eerste lid Rv zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden.

Sabic B.V. c.s. hebben verder gesteld dat ten aanzien van drie van de eiseressen (sub 2, 3 en 6) verhaal in Engeland mogelijk is. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus, dat Sabic B.V. c.s. een beroep doen op artikel 224, lid b Rv. Uit dat artikellid volgt dat geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat, indien een proceskostenveroordeling op grond van een verdrag of EG-verordening ten uitvoer zal kunnen worden gelegd ter plaatse waar degene van wie zekerheid gevorderd wordt, zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.

Ook dit verweer faalt. Er is gesteld noch gebleken dat een ten laste van QBE-Australië en/of Catlin uitgesproken proceskostenveroordeling in Australië respectievelijk Bermuda ten uitvoer kan worden gelegd. De omstandigheid dat ten laste van drie mede-eiseressen van QBE-Australië en Catlin verhaal in het Verenigd Koninkrijk mogelijk is, maakt het voorgaande niet anders. Het betreft niet een omstandigheid die ingevolge het tweede lid van artikel 224 Rv met zich brengt, dat op QBE-Australië en Catlin geen verplichting tot het stellen van zekerheid rust.

Bij het voorgaande merkt de rechtbank op, dat zij de omstandigheid dat QBE-Australië en Catlin gezamenlijk met vier andere eiseressen optreden, in het navolgende wel zal meewegen bij het bepalen van de hoogte van de door hen te stellen zekerheid.

2.8. Gezien het voorgaande, dienen QBE-Australië en Catlin dus zekerheid te stellen voor de proceskosten. Ten aanzien van het bedrag waarvoor zij zekerheid moeten stellen, overweegt de rechtbank als volgt.

[Y] en [Z] hebben gezamenlijk in de hoofdzaak EUR 3.621,- griffierecht betaald. Zowel QBE-Australië als Catlin dienen, nu sprake is van zes eiseressen die gezamenlijk dezelfde vorderingen hebben ingesteld, voor 1/6-gedeelte daarvan (is afgerond EUR 605,-) zekerheid te stellen.

Voor wat betreft het salaris advocaat kan in dit stadium van de procedure een bedrag van (afgerond) EUR 1.605,- voor zowel QBE-Australië als Catlin vooralsnog genoegzaam worden geacht. De rechtbank gaat daarbij uit van drie punten - voor de conclusie van antwoord, voor de comparitie van partijen en voor een aanvullende handelingen zoals een akte, of conclusie van dupliek - tegen tarief VIII (EUR 3.211,- per punt). QBE-Australië en Catlin dienen ieder zekerheid te stellen voor 1/6-gedeelte van het binnen voormelde uitgangspunten berekende advocaatsalaris. Voor het vaststellen van een hoger bedrag aan advocaatsalaris - zoals [Y] en [Z] hebben gevorderd - bestaat vooralsnog geen aanleiding. De enkele door [Y] en [Z] gememoreerde complexiteit van de zaak is daartoe onvoldoende. Hierbij weegt de rechtbank mee, dat het [Y] en [Z] vrij staat om lopende de hoofdzaak op grond van artikel 224 Rv om aanvullende zekerheid te vragen, voor het geval de proceskosten oplopen tot boven het bedrag waarvoor thans zekerheid dient te worden gesteld.

De rechtbank ziet geen grond voor toewijzing van het door [Y] en [Z] gevorderde bedrag van EUR 20.000,- in verband met een gepretendeerde (mogelijke) vordering tot betaling van vertragingsrente.

Uit het voorgaande volgt dat zowel QBE-Australië als Catlin ieder voor een bedrag van (605 + 1.605 is) EUR 2.210,- zekerheid dienen te stellen.

2.9. [Y] en [Z] verzoeken de rechtbank te bepalen dat de gevorderde zekerheidstelling zal moeten geschieden door afgifte van een bankgarantie afkomstig van een Nederlands Bank, conform het meest recente model van de Vereniging van Nederlandse Banken. Ingevolge artikel 6:51 BW staat de vorm van de zekerheid echter in beginsel ter keuze van QBE-Australië en Catlin zelf. Het is thans niet aan de rechtbank om dienaangaande in deze procedure een beslissing te nemen.

2.10. Gelet op het bepaalde in artikel 616, lid 3 Rv zal de rechtbank een termijn van vier weken bepalen voor het stellen van zekerheid door QBE-Australië en Catlin. Voorts zal de rechtbank eenzelfde termijn bepalen waarbinnen [Y] en [Z] de gestelde zekerheid moeten hebben geweigerd of aanvaard. De rechtbank wijst partijen erop dat zij om verlenging van deze termijnen kunnen vragen, dat het door QBE-Australië en Catlin niet binnen de termijn stellen van zekerheid leidt tot hun niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak en dat het door [Y] en [Z] niet binnen de gestelde termijn reageren op de zekerheid leidt tot het verval van hun bevoegdheid om zekerheid te eisen.

Voorts wijst de rechtbank partijen op het volgende. Indien tussen partijen naar aanleiding van dit vonnis een geschil ontstaat over de vraag of QBE-Australië en Catlin tijdig de zekerheid hebben gesteld dan wel de vraag of [Y] en [Z] de geboden zekerheid tijdig hebben geweigerd of aanvaard, dan dient dat geschil ter beoordeling aan deze rechtbank (de rolrechter) te worden voorgelegd. Daarentegen wordt - ingevolge artikel 616, lid 1 Rv - in geval van geschil over de genoegzaamheid van de (tijdig) gestelde zekerheid daarover op vordering van de meest gerede partij in kort geding beslist door de voorzieningenrechter van deze rechtbank.

In geding brengen beëdigde vertaling

2.11. [Y] en [Z] vorderen dat Sabic B.V. c.s. een beëdigde vertaling overleggen van het deskundigenrapport, welke zij als hun productie 5 bij de dagvaarding in het geding hebben gebracht. Volgens [Y] B.V en [Z] is het niet overleggen van die vertaling in strijd met de eisen van een goede procesorde en worden zij daardoor in hun verdedigingsrechten geschaad.

2.12. De rechtbank stelt voorop dat het Nederlandse procesrecht geen algemene regel kent, die een procespartij verplicht om van producties die niet in de Nederlandse taal zijn opgesteld, een beëdigde vertaling in het geding te brengen. Ook overigens ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank een grondslag voor toewijzing van deze vordering. Weliswaar rusten op Sabic B.V. c.s. op grond van artikel 111, lid 3 Rv - kort gezegd - een substantiërings- en een bewijsaandraagplicht, maar die regeling is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid van de dagvaarding. De vraag of Sabic B.V. c.s. door het niet overleggen van een vertaling van het desbetreffende deskundigenrapport in voormelde verplichtingen zijn tekortgeschoten en zo ja, welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden, is iets dat in de hoofdzaak zonodig aan de orde kan worden gesteld. Het is aan de rechter in de hoofdzaak om daarover te oordelen. De wet biedt de rechter daartoe onder andere in de artikelen 21 en 22 Rv voldoende instrumenten waarvan in verschillende stadia van de procedure gebruik kan worden gemaakt. Dit punt leent zich daarom niet voor een beoordeling in dit incident.

De vordering om een beëdigde vertaling in het geding te brengen, zal daarom worden afgewezen.

De proceskosten van de incidenten

2.13. De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van de incidenten aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

3. De beoordeling van het door [X] opgeworpen incident

Oproeping in vrijwaring

3.1. [X] vordert dat hem wordt toegestaan om [Y] en [Z] in vrijwaring op te roepen. Op dit punt refereren Sabic B.V. c.s. zich aan het oordeel van de rechtbank.

3.2. De rechtbank is van oordeel dat deze incidentele vordering moet worden toegewezen, nu de aangevoerde en niet weersproken gronden die vordering kunnen dragen.

De proceskosten in het incident

3.3. De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

4. De beslissing

De rechtbank,

in de door [Y] en [Z] opgeworpen incidenten:

4.1. staat toe dat [X] door [Y] en [Z] wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 24 oktober 2012;

4.2. bepaalt dat QBE-Australië en Catlin zekerheid zullen moeten stellen, ieder tot een bedrag van EUR 2.210,- voor de proceskosten waarin zij jegens [Y] en [Z] in de hoofdzaak zouden kunnen worden veroordeeld;

4.3. bepaalt dat QBE-Australië en Catlin de zekerheid moeten stellen binnen vier weken na dit vonnis;

4.4. bepaalt dat [Y] en [Z] binnen vier weken na het stellen van zekerheid, die zekerheid moeten weigeren of aanvaarden;

4.5. wijst af het anders of meer gevorderde;

4.6. houdt de beslissing omtrent de kosten van de incidenten aan;

in het door [X] opgeworpen incident:

4.7. staat toe dat [Y] en [Z] door [X] worden gedagvaard tegen de terechtzitting van 24 oktober 2012;

4.8. houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan;

in de hoofdzaak:

4.9. bepaalt dat de hoofdzaak weer op de rol zal komen van 24 oktober 2012 voor uitlating van QBE-Australië en Catlin en van [Y] en [Z] omtrent de gestelde zekerheid.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2012.