Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX5893

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
01/825114-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring openlijke geweldpleging. Verdachte stond dichtbij het gebeuren en behoorde tot de groep die geweld tegen de slachtoffers en hun fietsen heeft gebruikt. Verdachte heeft zich niet van de groep gedistantieerd. Verdachte heeft hiermee een significante bijdrage aan het openlijk geweld geleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825114-12

Datum uitspraak: 20 augustus 2012

Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1988],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 augustus 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 4 juli 2012.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 20 november 2011 te Eindhoven met een ander of anderen, op

of aan de openbare weg, de Rode Kruislaan, althans op of aan een openbare weg,

in elk geval ten aanschouwen van, althans zichtbaar voor, het publiek openlijk

in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen en/of goederen, te weten

tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of tegen een of meer fietsen,

welk geweld bestond uit het (van hun fiets) schoppen en/of duwen van die [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] en/of schoppen en/of duwen tegen een/de fiets(en) van die [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] en/of (meermalen) slaan tegen het hoofd en/of lichaam van die

[slachtoffer 1] en/of het vastgrijpen van en/of maken van een slaande beweging naar die

[slachtoffer 2];

(artikel 141 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 13 februari 2011 te Eindhoven met een ander of anderen, op

een voor publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijke

ruimte, te weten cafe Bongo Beach gelegen aan Stratumseind, openlijk in

vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit

het meermalen, althans eenmaal, slaan en/of schoppen van die De [slachtoffer 3] en/of

het gooien van een glas en/of glasscherven, in elk geval een scherp en/of hard

voorwerp tegen het gezicht van die De [slachtoffer 3].

(artikel 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

(parketnummer: 01/023846-12)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs.

Ten aanzien van feit 1:

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting gepleit voor vrijspraak van feit 1. Verdachte betwist dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en dat hij een significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de geweldpleging. Hij was wel aanwezig, maar hij was slechts getuige van het geweld dat zijn neefje, medeverdachte [medeverdachte ] (hierna: [medeverdachte ]), heeft toegepast tegen aangever [slachtoffer 1]. Hij betwist ook dat hij tegen [medeverdachte ] heeft gezegd dat hij de andere jongen [slachtoffer 2] in de bosjes heeft geduwd en heeft geslagen. Dat is niet gebeurd. [medeverdachte ] heeft dit niet zelf waargenomen en hij heeft heel duidelijk en stellig verklaard dat hij de enige is die iets bij die jongen (aangever [slachtoffer 1]) heeft gedaan. De overige medeverdachten bevestigen dit ook in hun verklaringen. Hun verklaringen komen op wezenlijke punten geheel overeen met de verklaring van verdachte.

De verklaringen van aangever [slachtoffer 1] en getuige [slachtoffer 2] zijn onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Deze verklaringen zijn immers onvoldoende concreet en specifiek ten aanzien van degene(n) die geweld zou(den) hebben toegepast. Er is dus geen overtuigend bewijs.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en overweegt daartoe het volgende.

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij en getuige [slachtoffer 2] na het uitgaan naar huis fietsten en dat uit een passerende auto meerdere personen stapten. Vervolgens moesten ze stoppen en werden ze door meerdere jongens van de fiets geschopt. Aangever was bang en rende weg. Meerdere jongens renden achter aangever aan. Hij voelde dat hij tegen zijn achterhoofd werd geslagen en toen hij zich omdraaide werd hij opnieuw door de jongens geslagen. Aangever zag dat getuige [slachtoffer 2] ook wegrende.

Getuige [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij met aangever [slachtoffer 1] aan het fietsen was en dat hen een auto passeerde waar verschillende mannen uitstapten die tegen hen begonnen te schreeuwen. Enkele van hen trapten aangever en getuige van hun fiets af. Getuige [slachtoffer 2] liep weg en werd achterna gerend door een man die hem te pakken kreeg en hem wilde slaan. Getuige [slachtoffer 2] zag dat aangever [slachtoffer 1] de andere kant uitrende en meerdere mannen hem achterna renden.

Uit het onderhavige dossier en uit de verklaring van verdachte leidt de rechtbank af dat zich in de passerende auto die bewuste nacht naast verdachte tevens navolgende medeverdachten bevonden: [medeverdachte ], [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]), [medeverdachte 4] en ene '[naam]' uit 's-Hertogenbosch.

[medeverdachte 2] heeft verklaard ze een aantal jongeren op de fiets zagen en ze zin hadden om ruzie te zoeken.

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat [medeverdachte ], toen ze op stap waren, een agressieve houding had. [medeverdachte ] was meerdere malen mensen aan het uitlokken. In de auto, ter hoogte van het park, hoorde [medeverdachte 3] iemand "stoppen" roepen. [medeverdachte 3] dacht dat [medeverdachte ] dit deed. [medeverdachte 3] zag dat [medeverdachte ], verdachte en een vriend van [medeverdachte ] ([medeverdachte 2]) uitstapten en twee fietsers lieten stoppen.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat, toen ze in de auto zaten, [medeverdachte ] op een gegeven moment riep "stoppen" en "we pakken die jongens". Verdachte zag dat [medeverdachte ] op die jongens afrende. Zij stapten allemaal uit de auto. Verdachte zag dat [medeverdachte ] op de jongens afrende en één jongen vastpakte. Op de opmerking van verbalisanten dat aangever heeft verklaard dat hij door vier man van de fiets is afgeschopt, verklaarde verdachte dat ze er wel dicht op stonden. Verdachte verklaarde dat hij zich wel kan voorstellen dat de jongen zich bedreigd voelde door hun aanwezigheid en dat ze tijdens het gehele voorval in de nabije omgeving hebben gestaan van [medeverdachte ] en het slachtoffer.

Op grond van bovenstaande verklaringen in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Verdachte verliet met de medeverdachten midden in de nacht de auto met het doel om aangever [slachtoffer 1] en getuige [slachtoffer 2] te pakken. Verdachte stond -naar eigen zeggen bij de politie- tijdens het hele voorval dichtbij het gebeuren en behoorde tot de groep die geweld tegen aangever [slachtoffer 1] en getuige [slachtoffer 2] alsmede tegen hun fietsen heeft gebruikt. Verdachte heeft zich op geen enkel moment van die groep gedistantieerd. De rechtbank is van oordeel dat verdachte hiermee een significante bijdrage heeft geleverd aan het openlijke geweld.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij slechts op afstand stond, geen aandeel had in het geweld en slechts getuige was van het gebeuren ongeloofwaardig, omdat verdachte wisselend en inconsistent hierover heeft verklaard.

De rechtbank gaat daarom voorbij aan de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd en houdt verdachte aan zijn eerdere verklaringen die worden bevestigd door de overige bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 2:

Ook voor dit feit heeft de raadsvrouw ter terechtzitting vrijspraak bepleit. Er is geen enkel bewijs dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het gooien van een glas tegen het gezicht van aangever De [slachtoffer 3]. Voor dit deel van de tenlastelegging dient dan ook vrijspraak te volgen.

De verklaringen van aangever De [slachtoffer 3] zijn volgens de raadsvrouw onvoldoende betrouwbaar en kunnen niet dienen als bewijs. De verklaringen van aangever en getuige [getuige 3] naar aanleiding van de fotoconfrontatie kunnen niet als bewijs worden gebruikt omdat zij beiden persoon 1 (medeverdachte [medeverdachte 5]) aanwijzen als de persoon die geweld heeft gebruikt dan wel als iemand die bij de groep hoorde van waaruit gevochten is, terwijl uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 5] op het moment van de vechtpartij niet aanwezig was in café Bongo Beach. Ook de verklaring van getuige [getuige 4] kan niet als bewijs dienen. Zij geeft te weinig specifieke informatie. Voor het overige zijn er geen andere personen of getuigen die verdachte hebben aangewezen als deelnemer aan de geweldpleging. Verdachte zelf ontkent ten stelligste dat hij geweld heeft gebruikt. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte in meer of mindere mate geweld heeft gebruikt jegens aangever. Elk objectief bepaalbaar bewijs dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging ontbreekt.

De rechtbank honoreert het verweer van de raadsvrouw ten aanzien van het gooien van het glas. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte betrokken was bij het gooien van het glas tegen aangever en spreekt hem vrij van dat onderdeel van de tenlastelegging. Aangever heeft verklaard dat een glas tegen zijn gezicht werd gegooid, maar dat bij die drie jongens die hij had aangewezen (waaronder verdachte), niet de jongen zat die het glas in zijn gezicht gooide. Verdachte heeft verklaard dat uit zijn richting een glas werd gegooid richting aangever. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen bewijs dat verdachte een significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het gooien van het glas en dat er op dat moment sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, omdat niet vastgesteld kan worden dat het gooien van het glas door dezelfde groep is gebeurd als de groep die nadien met aangever heeft gevochten.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw voor het overige. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Uit het onderhavige dossier en uit de verklaring van verdachte leidt de rechtbank af dat verdachte in de bewuste nacht aanwezig was in café Bongo Beach, samen met medeverdachten [medeverdachte 5], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7]. Verdachte werd op enig moment aangesproken door aangever [slachtoffer 3], omdat deze vond dat verdachte teveel aandacht had voor zijn echtgenote en haar vriendinnen. Op enig moment daarna werd aangever De [slachtoffer 3] geraakt door een glas in zijn gezicht, waarop ook hij met een glas gooide. Vervolgens ontstond een vechtpartij, waarbij door meerdere personen geweld werd toegepast tegen aangever.

Aangever De [slachtoffer 3] heeft bij de politie verklaard dat hij in café Bongo Beach werd geschopt en geslagen door een groep jongens, waartoe een groep van drie jongens behoorde die eerder de vrouwen van zijn vriendengroep versierden. Aangever De [slachtoffer 3] weet zeker dat twee van die drie jongens op hem in hebben geslagen. Eén van die twee jongens die hem hebben geslagen had een normaal postuur, was ongeveer 1.80 meter lang, had kort stekelig haar en droeg een wit blanco shirt. Deze jongen is door aangever aangewezen en door de politie aangehouden. Van de jongen met het zwarte T-shirt, die ook tot de groep van drie behoorde, weet aangever niet of hij door hem is geslagen.

Getuige [getuige 4] bevestigt de verklaring van aangever. Zij zag dat aangever stond te bekvechten met twee jongens. Eén daarvan had een wit t-shirt met donker stekelend haar en 2 oorbellen. De andere jongen droeg een donker shirt. Getuige is er tussen gaan staan en heeft geprobeerd de boel te sussen. Daarna zag zij twee jongens, waaronder de jongen met het witte shirt op [slachtoffer 3] aflopen en hem slaan en schoppen. Zij heeft naderhand de jongen in het witte shirt nog gesproken en hem gezegd dat hij toch op zou houden. De jongen zei dat hij dit inderdaad zou doen, maar dat ze dat toch niet hebben gedaan.

Medeverdachte [medeverdachte 7] heeft verklaard dat hij met verdachte in de Bongo Beach was en verdachte stond te kijken naar twee meiden. Aangever De [slachtoffer 3] sprak hen aan en er kwam toen een meisje tussen om de boel te sussen. Er ontstond een gevecht tussen aangever en mensen.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat aangever hem aansprak en er een meisje tussen kwam en dat hij later, na de vechtpartij, nog met dat meisje heeft gesproken. Hij heeft ook verklaard dat hij een wit t-shirt aan had, stekeltjes haar had en oorbellen droeg.

De rechtbank acht de verklaringen van aangever en getuige [getuige 4] betrouwbaar. Deze verklaringen dragen bij aan het bewijs. Zij geven een signalement van één van de daders, waarbij zij een gedetailleerde en concrete omschrijving van die persoon geven. Het signalement dat zij geven, komt overeen met het signalement van verdachte. Het signalement van verdachte dat wordt gegeven en de redenen van wetenschap die daarbij door beiden worden gegeven, passen volledig in bovenstaande verklaringen van aangever, getuige [getuige 4], verdachte en medeverdachte [medeverdachte 7] over hetgeen voorafgaande aan het geweld tegen aangever heeft plaatsgevonden en de rol die verdachte daarbij vervulde.

Op grond daarvan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het openlijk in vereniging geweld plegen tegen aangever De [slachtoffer 3].

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

1.

op 20 november 2011 te Eindhoven met anderen, op of aan de openbare weg, de Rode Kruislaan, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen en goederen, te weten tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en tegen fietsen, welk geweld bestond uit het van hun fiets schoppen van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en schoppen tegen de fietsen van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en meermalen slaan tegen het hoofd en lichaam van die [slachtoffer 1] en het vastgrijpen van die [slachtoffer 2];

2.

op 13 februari 2011 te Eindhoven met anderen, in een voor publiek toegankelijke ruimte, te weten café Bongo Beach gelegen aan Stratumseind, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit het meermalen slaan en schoppen van die De [slachtoffer 3].

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

- bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten;

- een werkstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan,

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden in het nadeel van verdachte:

- de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- het gewelddadig karakter van de door verdachte gepleegde strafbare feiten, dat verdachte er niet voor is teruggeschrokken om samen met anderen dergelijk geweld tegen zijn medemensen te gebruiken alsmede dat verdachte zich om het lot van de slachtoffers kennelijk volstrekt niet heeft bekommerd.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee:

- uit het door de reclassering omtrent de persoon van de verdachte uitgebrachte rapport blijkt dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat.

De rechtbank zal dezelfde werkstraf opleggen als de door de officier van justitie gevorderde werkstraf. De rechtbank is evenwel van oordeel dat niet kan worden volstaan met louter een werkstraf. Naast het opleggen van een werkstraf, acht de rechtbank in verband met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en een juiste normhandhaving een gevangenisstraf op zijn plaats, welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3].

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten de niet weersproken materiële schadevergoeding à € 14,09 (telefoonkosten en transportkosten) en de immateriële schadevergoeding tot een bedrag dat de rechtbank begroot op € 341,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening. De wettelijke rente over de immateriële schade zal worden toegewezen vanaf de datum van het delict. De wettelijke rente over de materiële schade zal worden toegewezen vanaf de dag van indiening van de civiele vordering, nu niet duidelijk is op welk moment die schade is ontstaan.

De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige deel van de verzochte immateriële schadevergoeding niet ontvankelijk verklaren, omdat verdachte wordt vrijgesproken van het gooien van een glas of glasscherven tegen het gezicht van de benadeelde partij en het daardoor ontstane letsel verdachte niet kan worden aangerekend.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot de dag der algehele voldoening.

De wettelijke rente over de immateriële schade zal worden toegewezen vanaf de datum van het delict. De wettelijke rente over de materiële schade zal worden toegewezen vanaf de dag van indiening van de civiele vordering, nu niet duidelijk is op welk moment die schade is ontstaan.

Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte dit strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 57, 63, 141.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen

T.a.v. feit 2:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

T.a.v. feit 1, feit 2:

Werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank waardeert een in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

T.a.v. feit 2:

Maatregel van schadevergoeding van EUR 355,09, subsidiair 7 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] van een bedrag van EUR 355,09 (zegge: driehonderdvijfenvijftig euro en negen eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 14,09 materiële schade en EUR 341,- immateriële schade.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het bedrag van EUR 341,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Het bedrag van EUR 14,09 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 april 2012.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van een bedrag van EUR 355,09 (zegge: driehonderdvijfenvijftig euro en negen eurocent), te weten EUR 14,09 materiële schade en immateriële schade EUR 341,--.

Het bedrag van EUR 341,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Het bedrag van EUR 14,09 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 april 2012.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij of (een van) zijn mededader (s) heeft/hebben voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is reeds geschorst met ingang van 8 maart 2012.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N.I.B.M. Buljevic, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. M.Th. van Vliet, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E. de Dooij, griffier,

en is uitgesproken op 20 augustus 2012.