Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2012:BX5655

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
27-08-2012
Zaaknummer
01/825206-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarde toezicht van de reclassering voor het samen met een ander buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid hennep en een hoeveelheid cocaïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/825206-12

Datum uitspraak: 15 augustus 2012

Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1988],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 01 augustus 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 04 juli 2012.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 april 2012 in de gemeente Eindhoven tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het

grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van

de Opiumwet, ongeveer 300 gram, in elk geval een hoeveelheid van een

gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep

(hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj

een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangwezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte

opzettelijk tesamen en in vereniging met zijn mededader op 16 april 2012 een

vliegreis naar Malta geboekt en is verdachte (vervolgens) op 17 april 2012

naar Eindhoven Airport gegaan en aldaar door de securitycheck gegaan om op het

vliegtuig naar Malta te stappen;

(artikel 3 Opiumwet)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 april 2012 in de gemeente Eindhoven tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 300 gram, in

elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast

mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan

geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 3 Opiumwet)

2.

hij op of omstreeks 25 oktober 2011 in de gemeente Eindhoven tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het

grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van

de Opiumwet, ongeveer 456 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij die wet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet, immers heeft verdachte opzettelijk tesamen en in vereniging met

zijn mededader op 24 oktober 2011 een vliegreis naar Malta geboekt en is

verdachte (vervolgens) op 25 oktober 2011 naar Eindhoven Airport gegaan en

aldaar door de securitycheck gegaan om op het vliegtuig naar Malta te stappen;

(artikel 2 Opiumwet)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 oktober 2011 in de gemeente Eindhoven tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 456 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2 Opiumwet)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van

01 augustus 2012 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.1

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank acht met de officier van justitie en de verdediging, gelet op het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1]2, het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3]3, de verklaring van [getuige 1]4, het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisant [verbalisant 4]5 en de verklaring van verdachte6 wettig en overtuigend bewezen hetgeen hierna onder 1. bewezen is verklaard.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank acht met de officier van justitie en de verdediging, gelet op het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5]7 de verklaring van [getuige 2]8, het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisant [verbalisant 4]9, het rapport Identificatie van drugs en precursoren10 en de verklaring van verdachte11 wettig en overtuigend bewezen hetgeen hierna onder 2. bewezen is verklaard.

De rechtbank heeft gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op 17 april 2012 in de gemeente Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, 254,28 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, immers heeft verdachte opzettelijk tezamen en in vereniging met zijn mededader op 16 april 2012 een vliegreis naar Malta geboekt en zijn verdachte en zijn mededader vervolgens op 17 april 2012 naar Eindhoven Airport gegaan en aldaar door de securitycheck gegaan om op het vliegtuig naar Malta te stappen;

2.

op 25 oktober 2011 in de gemeente Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, 456 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte opzettelijk tezamen en in vereniging met zijn mededader op 24 oktober 2011 een vliegreis naar Malta geboekt en zijn verdachte en zijn mededader vervolgens op 25 oktober 2011 naar Eindhoven Airport gegaan en aldaar door de securitycheck gegaan om op het vliegtuig naar Malta te stappen;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest gevorderd. Zij heeft verzocht om daarbij als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht op te leggen, ook indien dit inhoudt deelname aan het begeleidingsprogramma van Stichting Exodus.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van de door de rechtbank op te leggen straf. Verzocht is om een korter onvoorwaardelijk strafdeel dan geëist.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende overwogen.

Verdachte heeft actief meegewerkt aan het in stand houden van een internationaal netwerk waarbinnen drugs worden verhandeld. Dat deze drugs schade teweegbrengen aan de gezondheid van personen behoeft geen betoog. Ook wordt hiermee het handelen in en verkopen van drugs in het buitenland gefaciliteerd, met alle schadelijke neveneffecten - waaronder verwervingscriminaliteit door gebruikers - van dien. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en zich enkel laten leiden door zijn financiële problemen. Daarnaast is verdachte wegens drugssmokkel in 2007 te Spanje veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar. Ook dit heeft hem er niet van weerhouden zich opnieuw met drugssmokkel in te laten.

Ten voordele van verdachte heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte de door hem gepleegde strafbare feiten heeft toegegeven.

Voorts heeft verdachte ter terechtzitting aangegeven dat hij de laakbaarheid van zijn handelen inziet en dat hij met behulp van Stichting Exodus zijn leven weer op de rit wil krijgen. Hij heeft hiertoe blijkens de door de raadsman overgelegde stukken zelf al de nodige actie ondernomen.

De rechtbank houdt tevens rekening met hetgeen ingevolge artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is bepaald.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk, passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Deze straf is lager dan de straf die door de officier van justitie is geëist. De rechtbank heeft gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, en ook door het openbaar ministerie worden geëist. De rechtbank is van oordeel dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De voorwaardelijke gevangenisstraf dient ervoor om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan verdachte zal een proeftijd worden opgelegd van 2 jaar.

Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 47, 57, 63 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A,

van de Opiumwet gegeven verbod

T.a.v. feit 2 primair:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A,

van de Opiumwet gegeven verbod

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

BESLISSING:

T.a.v. feit 1 primair, feit 2 primair:

Gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2

jaren

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar

feit

en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan

het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld

in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d,

tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

-dat veroordeelde zich (uiterlijk) binnen 2 dagen volgend op zijn

invrijheidstelling meldt bij de reclassering, regio Alkmaar.

-dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd bij de reclassering, regio

Almaar zal melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en zich zal houden aan de door de reclassering te geven aanwijzingen,

ook indien dit inhoudt deelname aan het begeleidingsprogramma van Stichting

Exodus.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J.W. Hermans voorzitter,

mr. W. Schoorlemmer en mr. W.T.A.M. Verheggen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,

en is uitgesproken op 15 augustus 2012.

Mr. Verheggen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee, district Zuid, Brigade Recherche & Informatie, team [naam], genummerd PL27YR / 28-021379-2012.

2 Proces-verbaal van bevindingen toekomstige gegevens ex artikel 126ne eerste lid Sv, proces-verbaal pag. 751.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 april 2012, proces-verbaal pag. 462-463.

4 Verklaring van [getuige 1] d.d. 17 april 2012, proces-verbaal pag. 859-860.

5 Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 25 april 2012, proces-verbaal pag. 494-497.

6 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 01 augustus 2012.

7 Proces-verbaal van bevindingen historische gegevens ex artikel 126nv, eerste lid Sv, proces-verbaal pag. 509

8 Verklaring van [getuige 2] d.d. 25 oktober 2011, proces-verbaal pag. 851-853.

9 Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 08 november 2011, proces-verbaal pag. 820-821.

10 NFI rapport, Identificatie van drugs en precursoren, proces-verbaal pag. 824-825.

11 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 01 augustus 2012.